Vademecum permanente nascholing huisartsen pp 819-820 | Cite as
Hoe kunnen heupafwijkingen bij pasgeborenen worden opgespoord?
- 53 Downloads
Samenvatting
Er zijn verschillende ontwikkelingsstoornissen van het heupgewricht te onderscheiden. De typische vorm ontstaat bij neurologisch normale kinderen door een afwijkende of vertraagde ontwikkeling van het heupgewricht in de foetale periode. Daarnaast wordt de zogenaamde ‘teratologische’ vorm onderscheiden die is geassocieerd met neuromusculaire stoornissen (meningomyelokèle, spastische cerebrale parese). Dit laatste is zeldzamer. Enkele typische vormen zijn weergegeven in tabel 1.
Definities
Ontwikkelingsstoornissen van het heupgewricht
| Terminologie | Definitie |
| Heupdysplasie | Anatomie of groei van de zich ontwikkelende gewrichtsoppervlakken is afwijkend. Dit is radiologisch zichtbaar als een irregulaire of ondiepe kom in het acetabulum of een abnormale vorm van het proximale femur. |
| Heupsubluxatie | Malpositie van acetabulum en femurkop, zodanig dat de beide gewrichtsoppervlakken gedeeltelijk van elkaar zijn gescheiden. |
| Heupluxatie | Een zodanige malpositie van acetabulum en femurkop dat de beide gewrichtsoppervlakken volledig van elkaar zijn gescheiden. Soms is er in rust wel een correcte positie maar kan het heupgewricht door manipuleren (adductie) worden ge(sub)luxeerd. Door flexie en abductie kunnen, tot ongeveer de leeftijd van 3 maanden, de afwijkingen worden gereduceerd. |
Incidentie
De incidentie van congenitale heupdysplasie ligt in de Westerse landen tussen de 1,5 en 20 per 1000 geboortes, afhankelijk van de gebruikte methodes van diagnostiek en de leeftijd waarop deze worden toegepast (1,2).
Bij de geboorte worden veel vaker afwijkingen gevonden dan later, ook zonder interventie. Het spontane beloop van congenitale heupdysplasie is meestal gunstig. De incidentie van laat gediagnosticeerde gevallen (na de leeftijd van 6 maanden) is ongeveer 0,3 per 1000. Hierbij is er geen verschil tussen pasgeborenen die met echografie werden gescreend en die alleen gericht lichamelijk werden onderzocht. De incidentie van congenitale heupluxatie die operatieve correctie behoeft, is circa 0,2 per 1000, maar zeker 50% van deze kinderen is al behandeld vanaf de neonatale periode.
Diagnostiek
- 1
Lichamelijk onderzoek
Bij jonge kinderen (0-3 maand):
Ortolani: flexie en abductie van de heup: palpabele verplaatsing (’clunck’) van trochanter major door repositie van de geluxeerde heup. Een gevoelde ‘klik’ zonder evidente verplaatsing is niet conclusief positief.
Barlow: provocatietest om heupluxatie op te wekken: heup in flexie en adductie: zachte druk op bovenste deel van het femur naar posterolateraal.
Op iedere leeftijd:
Beenlengte verschil (Galeazzi-teken)
Abductiebeperking van de heup
Asymmetrie van de bilplooi
- 2
Echografie van het heupgewricht
Kraakbeenstructuren van het heupgewricht worden hiermee zichtbaar. Afwijkingen worden vastgesteld op basis van morfologische criteria (3). Echo-onderzoek kan op iedere leeftijd worden uitgevoerd, maar er zijn wel enige kanttekeningen. Met echografie van het heupgewricht worden in de neonatale periode bij 5-10% van alle kinderen afwijkingen gevonden, 5 maal zoveel als bij lichamelijk onderzoek worden gevonden. Bij herhaald echo-onderzoek is de incidentie na 6 tot 9 weken met meer dan 90% gereduceerd. De specificiteit van het onderzoek is gering, daarentegen is de sensitiviteit redelijk tot goed. Dit betekent dat bij afwijkende klinische bevindingen een normale heup-echo congenitale heupdysplasie minder waarschijnlijk maakt. De meest geschikte leeftijd om dit onderzoek bij asymptomatische kinderen uit te voeren is rond de derde levensmaand.
- 3
Röntgendiagnostiek
Voor-achterwaartse bekkenopnames (Lauenstein) maakt morfologische veranderingen van het heupgewricht zichtbaar. In verband met de ossificatie van de betreffende structuren is de beste leeftijd voor dit onderzoek tussen de 3 en 5 maanden.
Risicofactoren
Advies voor opsporing
Het bovenstaande leidt tot het volgende advies.
Screening van alle pasgeborenen is gewenst door middel van periodiek gericht lichamelijk onderzoek, via de consultatiebureaus, tot het kind loopt. Bij afwijkende bevindingen dient echografie van het heupgewricht plaats te vinden of verwijzing naar een orthopeed.
Bij aanwezigheid van risicofactoren, ook zonder afwijkingen bij gericht lichamelijk onderzoek, wordt het volgende aangeraden:
stuitbevalling - echografie op de leeftijd van 3 maanden
meisjes - normaal schema volgen
positieve familie-anamnese - overweeg echografie op leeftijd 3 maand
Screening van alle pasgeborenen door middel van echografie van de heup wordt afgeraden. Dit leidt niet tot reductie van late morbiditeit door congenitale heupdysplasie, maar eerder tot overbehandeling met mogelijk zelfs nadelige gevolgen, zoals avasculaire femurkop-necrose (1).
Referenties
- Patel H. Preventive health care, 2001 update: screening and management of developmental dysplasia of the hip in newborns. Can Med Assoc J 2001; 164: 1669-77.Google Scholar
- Lehmano HP, Hinton R, Morello P, Santolli J. Developmental dysplasia of the hip - practice guidline: technical report. Pediatrics 2000; 105: e57.Google Scholar
- Toma P, Valle M, Rossi U, Brunenghi GM. Paediatric Hip -ultrasound screening for developmental dysplasia of the hip: a review. Eur J Ultrasound 2001; 14: 45-55.Google Scholar