Advertisement

Geschiedenis van de huisarts en de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)

  • J. R. M. Dopper
Chapter

Samenvatting

Er hebben zich in de afgelopen honderd jaar grote veranderingen voorgedaan in het GGZ-aandeel in de werkzaamheden en de taakopvatting van de huisarts. Voor de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een klein aandeel van psychische klachten in het huisartsenwerk, al waren er wel klachten die niet lichamelijk geduid konden worden. Na de Tweede Wereldoorlog werd er veel gesproken over de vraag hoe vaak psychische en psychosociale klachten voorkwamen en wat de rol van de huisarts daarbij moest zijn. Ook de introductie van de psychofarmaca vanaf 1950 was een belangrijke, maar ook veel bediscussieerde, ontwikkeling. De psychiatrie verkeerde zelf in roerige tijden vanaf de jaren 70. Tegen het einde van de twintigste eeuw kwamen er standaarden over angst, depressie en problematisch alcoholgebruik. Deze waren een eerste aanzet tot gedetailleerdere diagnostiek- en behandelopties. Rond de eeuwwisseling ging de overheid zich – mede om financiële redenen – met de GGZ en de huisarts bemoeien, maar de invoering van diverse projecten en maatregelen wierp niet de verwachte vruchten af. Dit was recent aanleiding voor een beperking van de toegang tot specialistische GGZ-settingen en voor een uitbreiding van de rol van de POH-GGZ. Er is weinig discussie meer over de belangrijke rol die de huisarts speelt in de eerste opvang van psychische problemen. De huisartsen ervaren een toenemende belasting door GGZ-problematiek. Tegelijkertijd neemt het aantal richtlijnen, samenwerkingsafspraken en boeken over de GGZ in de eerste lijn en over de POH-GGZ snel toe. Daarmee is een belangrijk begin gemaakt met het ontwikkelen en beschrijven van de basis van het gedachtegoed van de eerstelijns-GGZ.

Literatuur

  1. Aulbers, B. J. M., & Bremer, G. J. (1995). De huisarts van toen. Rotterdam: Erasmus Publishing.Google Scholar
  2. Balint, M. (1957). The doctor, his patient and the Illness. London: Pitman Medical.Google Scholar
  3. Blok, G. (2004). Baas in eigen brein ‘Antipsychiatrie’ in Nederland, 1965–1985. Amsterdam: Nieuwezijds.Google Scholar
  4. Bongers, F. (2011). Ontwikkelingen in de huisartsgeneeskunde tussen 1987 en 2001. Huisarts en Wetenschap, 54(2), 60–64.CrossRefGoogle Scholar
  5. Bremer, G. J. (2006). Huisarts zijn in het interbellum. Rotterdam: Erasmus Publishing.Google Scholar
  6. Cox, M. (2006). Wat heeft vijf jaar kwaliteitsbeleid ggz voor de huisarts opgeleverd? Huisarts en Wetenschap, 49(5), 365–369.CrossRefGoogle Scholar
  7. Gotzsche, P. C. (2016). Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  8. Graaf, R. de, Have, M. ten, & Dorsselaer, S. van (2013). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2. In: Handboek sociale psychiatrie (pag. 27–39). Utrecht: De Tijdstroom.Google Scholar
  9. Groot, M. de (1971). De geestelijke verzieking van het Nederlandse volk: Slogan of realiteit? Medisch Contact, 32, 815–822.Google Scholar
  10. Horst, H. van der, & Vries, H. de (2001). Van persoonlijke, integrale en continue zorg naar medisch maatwerk. Huisarts en Wetenschap, 44(5), 587–590.CrossRefGoogle Scholar
  11. Jol, A., & Verhaak, P. F. M. (1989). Psychische en sociale klachten: Gespreksvoering of psychofarmaca? Huisarts en Wetenschap, 32, 89–95.Google Scholar
  12. Knottnerus, J. A. (1993). Langdurig gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen in en huisartsenpraktijk. Huisarts en Wetenschap, 36, 405.Google Scholar
  13. Lamberts, H. (1989). Psychische en sociale problemen: Een diagnostisch raadsel? Huisarts en Wetenschap, 32, 78–79.Google Scholar
  14. Landelijke commissie geestelijke volksgezondheid (1998). Zorg voor velen. Den Haag: Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Sport 2002 Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Beleidsvisie Geestelijke Gezondheidszorg. Kamerstuk 25424 nr. 6.Google Scholar
  15. Nolet, H. A. (1978). Farmacotherapeutische conferentie. Huisarts en Wetenschap, 21, 225–227.Google Scholar
  16. Ong, R. (2003). Wat is waar? Spelen met GGZ-cijfers. Huisarts en Wetenschap, 46(5), 662–663.CrossRefGoogle Scholar
  17. Osselen, E. van (2016). Geschiedenis van de huisartsgeneeskunde. Utrecht: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  18. Piek, E. (2013). Depression in general practice. Underrecognition? Overtreatment? Adequate care! Enschede: Gildeprint Drukkerijen.Google Scholar
  19. Spies, T. (2004). Huisarts kiest vaak voor antidepressiva onafhankelijk van de ernst van de depressie. Huisarts en Wetenschap, 47(8), 419–423.CrossRefGoogle Scholar
  20. Verhaak, P. (1988). Functionele klachten: De nieuwe kleren van de keizer. Huisarts en Wetenschap, 11, 25–31.Google Scholar
  21. Verhaak, P., Hutschemakers, J., et al. (2000). GP’s referral to mental health care during the past 25 years. British Journal of General Practice, 50, 307–308.PubMedGoogle Scholar
  22. Verhaak, P. F. M. (2002). Hoe behandelt de huisarts nieuwe gevallen van depressie. Huisarts en Wetenschap, 45(13), 722–725.CrossRefGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum is een imprint van Springer Media B.V., onderdeel van Springer Nature 2019

Authors and Affiliations

  • J. R. M. Dopper
    • 1
  1. 1.VlaardingenNederland

Personalised recommendations