Advertisement

4 Botsende waarden

  • Edwin Hoffman

Samenvatting

Het is lastig om te gaan met verschillen in de communicatie die raken aan bepaalde waarden. Deze botsende waarden leveren morele dilemma’s op: moet je bepaalde culturele praktijken toelaten of verbieden, bijvoorbeeld de kwestie van vrouwenbesnijdenis?

In verband hiermee is een andere vraag of communicatie wel mogelijk is tussen mensen met zo verschillende culturele achtergronden. Om te beginnen met de laatste vraag: er zijn drie pijlers om een brug te slaan tussen mensen met verschillende culturele achtergronden: mensen moeten ondanks alle verschillen gelijksoortige problemen van menselijk leven en samenleven oplossen; mensen waar ook vandaan handelen zo rationeel en zinvol mogelijk; mensen kunnen ingeleid worden in nieuwe, andere denk- en handelingskaders. Deze drie pijlers maken het mogelijk met elkaar het gesprek aan te gaan ook al lopen ieders culturele achtergronden heel erg uiteen.

Wat betreft de eerste vraag zijn er drie ideeënstelsels die trachten een antwoord te geven op het omgaan met morele dilemma’s: het monisme, het relativisme en het pluralisme. Het moreel monisme als een variant van het universalisme gaat ervan uit dat er één algemeen waarden- en normenstelsel is dat voor iedereen geldt. Het moreel relativisme stelt dat er geen universele cultuuronafhankelijke morele waarheid is; dus tolerantie en respect dienen de toonaangevende waarden te zijn.

Zowel het monisme als het relativisme staat onder grote kritiek. In het geval van een monistische opstelling dreigen etnocentrisme en culturele dominantie ten aanzien van andersdenkenden met als gevolg dat deze zich miskend voelen in de waarde van hun culturele bagage. Een relativistische houding kan leiden tot het relativeren en daarmee legitimeren van praktijken die schade doen aan het mens zijn, zoals de besnijdenis van meisjes.

Een uitweg is het door Henk Procee ontwikkelde pluralisme: een niet-onderhandelbaar kader van niet-uitsluiting en bevordering van interactie. Het niet-onderhandelbare kader omvat de morele maatstaf van de menselijke waardigheid: datgene wat een goed mensenleven doet floreren. De juridische voorwaarde waaronder de menselijke waardigheid vorm kan krijgen is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het niet-onderhandelbare kader van menselijke waardigheid en interactie is tevens een maatstaf om de gelijkwaardigheid van culturen ter discussie te stellen.

De maatstaf van de interactie kan gerealiseerd worden door de oproep tot wederzijdse verantwoording en door communicatief handelen: de bereidheid en de uitnodiging altijd het gesprek aan te gaan met de ander en zich te ver-antwoorden. De dialogische gespreksvoering met haar tien kernvaardigheden is daarbij een concreet handvat hoe dit gesprek gevoerd kan worden.

Literatuurverwijzingen

  1. 1.
  2. 2.
    Galenkamp, 1998.Google Scholar
  3. 3.
    Procee, 1991.Google Scholar
  4. 4.
    Procee, 1991, p. 143.Google Scholar
  5. 5.
    Tennekes, 1986.Google Scholar
  6. 6.
    Plessner in Procee, 1991; Pinxten, 1994.Google Scholar
  7. 7.
  8. 8.
    Pinxten, 1994, p. 59.Google Scholar
  9. 9.
    Cliteur, 2001.Google Scholar
  10. 10.
    de Volkskrant 11/05/1998.Google Scholar
  11. 11.
    Galenkamp, 2000.Google Scholar
  12. 12.
    O’Hanlon, 1996, p. 403-8.Google Scholar
  13. 13.
    De Haan, 2000.Google Scholar
  14. 14.
    de Volkskrant 23/03/2007Google Scholar
  15. 15.
    De Haan, 2000.Google Scholar
  16. 16.
    De Jong 2008: 244.Google Scholar
  17. 17.
    Procee, 1991.Google Scholar
  18. 18.
    De Swaan, 1993.Google Scholar
  19. 19.
    De Wit, 1999.Google Scholar
  20. 20.
    Gilligan, 1982.Google Scholar
  21. 21.
    Kohlberg, 1971.Google Scholar
  22. 22.
    NRC Handelsblad 28/03/2008Google Scholar
  23. 23.
    Baehr, 1998, p. 30.Google Scholar
  24. 24.
    Baehr, 1998, p, 30-39.Google Scholar
  25. 25.
    Baehr, 1998, p. 38.Google Scholar
  26. 26.
    Ramdas, 2001.Google Scholar
  27. 27.
    Nussbaum, 2000; De Haan, 2000.Google Scholar
  28. 28.
    De Haan, 2000.Google Scholar
  29. 29.
    NRC Handelsblad 19/05/2009Google Scholar
  30. 30.
    Van der Dunk, 2001.Google Scholar
  31. 31.
    Van der Dunk, 2001.Google Scholar
  32. 32.
    Cliteur, 2001; De Jong, 2001.Google Scholar
  33. 33.
    NRC Handelsblad 27/05/2000.Google Scholar
  34. 34.
    NRC Handelsblad 15/09/2001.Google Scholar
  35. 35.
    WRR, 2001.Google Scholar
  36. 36.
    De Beus, 1998.Google Scholar
  37. 37.
    Procee, 1991.Google Scholar
  38. 38.
    WRR, 2001, p. 27.Google Scholar
  39. 39.
    Habermas, 1995.Google Scholar
  40. 40.
    Wildemeersch, 1995Google Scholar
  41. 41.
    Van der Laan, 1999, p. 50 e.v.; Koningsveld en Mertens, 1986, p. 81-5; Burkart, 1983, p. 210-3; Tennekes, 1992, p. 242-3; Struijs en Brinkman, 1999, p. 54.Google Scholar
  42. 42.
    Van der Laan, 1999, p. 253.Google Scholar
  43. 43.
    Struijs en Brinkman, 1996, p. 56.Google Scholar
  44. 44.
    Dries en Hoffman, 2008.Google Scholar
  45. 45.
    Kessels 2006, p. 213-5Google Scholar
  46. 46.
    Kessels 2002, p. 25 e.v.Google Scholar
  47. 47.
    Hartkemeyer J & M 2005, p. 38-55; Hartkemeyer en Freeman Dhority 1998, p. 78 e.v.Google Scholar
  48. 48.
    Kohlberg, 1971, p. 165.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2009

Authors and Affiliations

  • Edwin Hoffman

There are no affiliations available

Personalised recommendations