Advertisement

3 Sociale identiteiten

  • Edwin Hoffman

Samenvatting

Aan de verschillende sociale systemen waartoe mensen behoren, ontlenen mensen een sociale identiteit. Een sociale identiteit is het sociale element van iemands beleving van zijn identiteit ergens bij te horen. Het andere element is het gevoel apart te zijn. Een sociale identiteit kenmerkt zich door drie componenten: de indeling of classificatie, de culturele component en de zijnsdefinitie. Ten aanzien van deze componenten kan er een discrepantie zijn tussen hoe de persoon zelf zich ziet en definieert (subjectieve identiteit) en hoe hij door beleid, instellingen en dergelijke wordt gecategoriseerd (objectieve identiteit). Verschil kan er verder zijn in hoe de sociale omgeving een persoon identificeert en betekenis daaraan geeft en de identiteit die een persoon zichzelf toekent en hoe hij die beleeft.

Een sociale identiteit is van belang voor een persoon, omdat ieder mens als sociaal wezen op zoek is naar affectieve bindingen met de sociale omgeving. Verder geeft een sociale identiteit een zeker houvast en sociale erkenning. Etniciteit is een bijzondere vorm van een sociale identiteit. Het is een gevoel van eenheid en verbondenheid dat leden van een etnische groep hebben op grond van een gemeenschappelijke afstamming, cultuur en geschiedenis. Etnische identiteit is niet hetzelfde als een culturele identiteit. Een etnische groep is divers van karakter en kan verschillende culturen – en daarmee identiteiten – omvatten.

De vorming van identiteit is een sociale constructie en niet vastgelegd bij de geboorte van een mens (essentialisme). Een persoon ontwikkelt in interactie met zijn sociale omgeving zijn identiteit; waarbij hij nooit helemaal vrij is te kiezen en te bepalen wie en wat hij is. Hoe iemand de eigen etnische identiteit waardeert kan sterk verschillen en is mede afhankelijk van de sociale omgeving. Iemands beleving van identiteit kan open, reactief of oppositioneel zijn. De beide laatstgenoemden zijn vanuit een minderheidspositie gericht tegen de dominante groepering. Reactief is dan de houding waarbij positief gewaardeerde verschillen geaccentueerd worden en oppositioneel, wanneer de eigen waarden, opvattingen en idealen die tegengesteld zijn aan die van de dominante groepering worden gebruikt ter markering en positieve invulling van de eigen etnische identiteit.

Aangezien een persoon deel uitmaakt van verschillende sociale systemen is diens identiteit altijd meervoudig van karakter. Afhankelijk van de omstandigheden kan een bepaalde sociale identiteit meer op de voorgrond treden. Daarbij speelt de sociale omgeving een belangrijke rol. Deze kan een sociale identiteit van een persoon naar voren halen die anders is dan de zelfdefinitie van die persoon. Zo’n verschil tussen enerzijds de toekenning en betekenisgeving van identiteit door de sociale omgeving en anderzijds de zelfdefinitie door de betrokken persoon kan leiden tot identiteitsconflicten. Deze conflicten treden eveneens op wanneer vanuit de eigen etnische en religieuze gemeenschap kritiek is op aspecten van de identiteit van bijvoorbeeld jongeren die ingaan tegen de heersende normbeelden (zo dien je je te gedragen).

Meervoudige identiteit betekent ook meervoudige loyaliteit. Er is de (vooral politieke) discussie of het geoorloofd is dat bewindslieden, Kamerleden, beroepsmilitairen en politieagenten een dubbele nationaliteit kunnen hebben. De vraag is of deze mensen wel voldoende loyaal aan Nederland zijn. Die twijfel aan voldoende loyaliteit geldt evenzeer de moslims. Er zijn genoeg geluiden, ervaringen in de praktijk en onderzoek die laten zien dat moslims en genoemde functionarissen met een dubbele nationaliteit, buitengewoon loyaal zijn aan Nederland.

Wie je mag zijn in de samenleving en op welke wijze is een machtsvraagstuk. Politisering van identiteit treedt op wanneer mensen niet alleen zich sterk maken om zelf invulling te geven aan hun identiteit, maar ook de vooronderstellingen, voorwaarden en regels van het maatschappelijke spel ter discussie stellen. Want het is de dominante meerderheid die zelf onzichtbaar blijft, en de norm is die niet ter discussie staat. Tegen deze achtergrond wordt ‘de ander’ gecreëerd: zichtbaar, als uitzondering en als afwijking.

Maar het lijden onder macht kent variatie en gradatie: uitsluiting op een terrein kan samengaan met privilegiering en dominantie op een ander terrein.

Het intersectioneel, caleidoscopisch of kruispuntdenken helpt om deze menging, gelaagdheid en gelijktijdigheid van diversiteit te doordenken. Het intersectioneel denken is een alternatief voor het ‘platte’ diversiteitsdenken en kent als vernieuwende uitgangspunten: verschilcategorieën komen altijd gecombineerd voor; ze zijn gelijktijdig werkzaam; omvatten meerdere dimensies; zijn machtsbeladen en dynamisch, en betekenen en beinvloeden elkaar.

Literatuurverwijzingen

  1. 1.
    Havekes en Uunk, 2008.Google Scholar
  2. 2.
    Verkuyten, 1999.Google Scholar
  3. 3.
    Minuchin in Baert, 1991, p. 89.Google Scholar
  4. 4.
    Gowricharn 2001.Google Scholar
  5. 5.
    NRC Handelsblad 29/04/2009.Google Scholar
  6. 6.
    Verkuyten, 1999: p. 37.Google Scholar
  7. 7.
    Vermeulen, 1984, p. 15.Google Scholar
  8. 8.
    Vermeulen, 1984.Google Scholar
  9. 9.
    Michielsen, 1999.Google Scholar
  10. 10.
  11. 11.
    Aartsma, Hoffman en Reynaert, 2008.Google Scholar
  12. 12.
    Jenkins in WRR, 2008, p.46.Google Scholar
  13. 13.
    Abrahams, 1997.Google Scholar
  14. 14.
    Appiah, 1995, p. 186.Google Scholar
  15. 15.
    Verkuyten, 1999, p. 134.Google Scholar
  16. 16.
    Verkuyten, 1999, p. 130.Google Scholar
  17. 17.
    Baert, 1993.Google Scholar
  18. 18.
    Palmen, 1999, p. 100.Google Scholar
  19. 19.
    Verkuyten, 1999, p. 62; Kunneman, 1996.Google Scholar
  20. 20.
    Verkuyten, 1999, p. 140.Google Scholar
  21. 21.
    Van den Brink en De Ruijter, 2003.Google Scholar
  22. 22.
    NRC Handelsblad 16/6/08.Google Scholar
  23. 23.
    Van den Brink en De Ruijter, 2003.Google Scholar
  24. 24.
    de Volkskrant 15/06/2009.Google Scholar
  25. 25.
    Hurenkamp en Tonkens, 2008, p. 36.Google Scholar
  26. 26.
    Hurenkamp en Tonkens, 2008, p. 36.Google Scholar
  27. 27.
    Hurenkamp en Tonkens, 2008, p. 36.Google Scholar
  28. 28.
    Trouw 12/03/2007.Google Scholar
  29. 29.
    NRC Handelsblad 24/09/2007.Google Scholar
  30. 30.
  31. 31.
  32. 32.
    Tagesspiegel 08/05/2009.Google Scholar
  33. 33.
    de Volkskrant 28/06/2009.Google Scholar
  34. 34.
  35. 35.
    Baert, 1993, p. 283.Google Scholar
  36. 36.
    Verkuyten, 1999, p. 32 e.v.Google Scholar
  37. 37.
    Wekker, 2001, p. 30.Google Scholar
  38. 38.
    Van Mens-Verhulst & Radtke, in press.Google Scholar
  39. 39.
    Van Mens-Verhulst & Radtke, in press.Google Scholar
  40. 40.
    Van Mens-Verhulst & Radtke, in press.Google Scholar
  41. 41.
    Van Mens-Verhulst, 2007.Google Scholar
  42. 42.
  43. 43.
    Van Mens-Verhulst & Radtke, in press.Google Scholar
  44. 44.
    Wekker, 2009.Google Scholar
  45. 45.
    NRC Handelsblad 29/04/2007.Google Scholar
  46. 46.
    NRC Handelsblad 19/05/2009.Google Scholar
  47. 47.
    de Volkskrant 13/02/2004.Google Scholar
  48. 48.
    Van Mens-Verhulst, 2007.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2009

Authors and Affiliations

  • Edwin Hoffman

There are no affiliations available

Personalised recommendations