Advertisement

1 Een inclusieve, systeemtheoretische benadering van interculturele communicatie

  • Edwin Hoffman
Chapter

Samenvatting

Kennis van de culturele achtergronden van de mensen met wie je werkt is zeker van belang, maar geen voorwaarde om effectief te kunnen communiceren. Deze voorwaarde stelt een culturaliserende benadering wél, want ze neemt de culturele achtergrond als vertrekpunt voor het oplossen van culturele misverstanden in de communicatie. Aan deze culturaliserende benadering kleven veel bezwaren en risico’s, waaronder de bevordering van het ‘wij/zij’-denken, ofwel het exclusief denken. Vandaar dat in dit boek gekozen is voor een inclusieve en algemene systeemtheoretische benadering van de gespreksvoering tussen mensen met een verschillende etnische achtergrond. Inclusief denken betekent het gelijktijdig inzetten van de principes van de erkende gelijkheid en de erkende diversiteit. Erkende gelijkheid staat voor datgene wat mensen in een bepaalde context in de eerste plaats met elkaar delen. Zo zijn mensen – afhankelijk van de situatie – als eerste: burgers, bewoners, ouders, medewerkers, studenten, collega’s, cliënten, jongeren enzovoort. De erkende diversiteit is de erkenning van de verscheidenheid van groepen mensen en van individuele personen: hun specifieke eigenschappen, talenten, emoties, wensen, behoeften, problemen, belangen of verlangens. Inclusief denken betekent in de praktijk dat je datgene wat mensen gemeenschappelijk hebben binnen die context vooropzet (bijvoorbeeld een medewerker …) en vervolgens het specifieke aanhoort of benoemt (een medewerker die op vrijdag vrij vraagt). En dus niet ‘een moslim die op vrijdag naar de moskee wil en daarom vrij vraagt’ met als antwoord ‘Neen dat kan niet want hier in Nederland gaan we op zondag naar de kerk.’ Dit is een vorm van exclusief denken.

De algemene systeem- en communicatietheorie van Paul Watzlawick volgens een bewerking van de Interactie-Academie te Antwerpen gaat ervan uit dat een persoon slechts te begrijpen is door alle sociale systemen waartoe een mens behoort in ogenschouw te nemen. Deze sociale systemen zijn interactiesystemen van personen-communicerend-met-andere-personen en kenmerken zich door: onbegrensdheid, heterogeniteit, interne onderlinge beïnvloeding, een meegroeiend evenwicht en gelijkeindigheid (equifinaliteit).

De systeemtheoretische benadering beziet communicatie als een gelaagd proces van wederzijdse beïnvloeding die circulair van karakter is en ingebed in een ruimere sociale dialoog. In deze sociale dialoog ontstaan de sociale representaties. Het zijn de in gemeenschap gedeelde en gecreëerde vanzelfsprekendheden. Deze worden door middel van sociale perspectieven in communicatie gebracht; met als voorbeelden uitspraken als ‘dat is toch niet normaal’, ‘ik ben geen racist, maar…’ of ‘ze zullen wel denken’. Sociale perspectieven kunnen ondersteunend zijn ofwel aanvoelen als sociale druk. Migranten voelen de sterke sociale druk van de beelden en opvattingen die er binnen de dominante meerderheid leven ten aanzien van hen en hun integratieproces.

Literatuurverwijzingen

  1. 1.
    Glastra, 1994, p. 116.Google Scholar
  2. 2.
    Pinto, 2004.Google Scholar
  3. 3.
    Trompenaars, 1993a en b.Google Scholar
  4. 4.
    Hofstede, 1991.Google Scholar
  5. 5.
    Hofstede, 1991, p. 265.Google Scholar
  6. 6.
    Meurs en Gailly, 1987.Google Scholar
  7. 7.
    Schinkel, 22/5/2009.Google Scholar
  8. 8.
    NRC Handelsblad 15/11/2007.Google Scholar
  9. 9.
    Verkuyten 1999, p. 33.Google Scholar
  10. 10.
    NRC handelsblad 29/6/2009.Google Scholar
  11. 11.
    Pinto, 2004, p. 142.Google Scholar
  12. 12.
    NRC Handelsblad 8/04/2009.Google Scholar
  13. 13.
    Bulcaen en Blomaert, 1999, p. 139 e.v.Google Scholar
  14. 14.
    Nieuws, Nederlands op de werkvloer, 2000.Google Scholar
  15. 15.
    Blom, 2008 p. 255.Google Scholar
  16. 16.
    Boerwinkel, 1966, p. 25-27.Google Scholar
  17. 17.
    Boerwinkel, 1996, p. 24.Google Scholar
  18. 18.
    Boerwinkel, 1996, p. 27.Google Scholar
  19. 19.
    Watzlawick e.a. 1974.Google Scholar
  20. 20.
    Steens, 1993.Google Scholar
  21. 21.
    Oomkes, 1986, p. 113.Google Scholar
  22. 22.
    Interactie-Academie Antwerpen, 1991.Google Scholar
  23. 23.
    Mattheeuws, 1990, p. 268.Google Scholar
  24. 24.
    Baert, 1991.Google Scholar
  25. 25.
    Oomkes, 1986, p. 114.Google Scholar
  26. 26.
    Zeegers, 1988; Hagendoorn, 1991; Schabracq, 1992; Verkuyten e.a., 1993; Van Dijk, 1993.Google Scholar
  27. 27.
    Zeegers, 1988, p. 18.Google Scholar
  28. 28.
    NRC, 2007.Google Scholar
  29. 29.
  30. 30.
    Plasterk, 2009.Google Scholar
  31. 31.
    Baert, 1991, p.79.Google Scholar
  32. 32.
    Zeegers, 1988, p. 208.Google Scholar
  33. 33.
    Zeegers, 1988, p. 208.Google Scholar
  34. 34.
    Mattheeuws, 1990, p. 275.Google Scholar
  35. 35.
    Baert, 1993, p. 287.Google Scholar
  36. 36.
    de Volkskrant, 25/03/1994.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2009

Authors and Affiliations

  • Edwin Hoffman

There are no affiliations available

Personalised recommendations