Advertisement

Tussen regeldwang en regeldrang – deugdelijkheid

  • Michel Jansen

Samenvatting

Aansprakelijkheid in morele zin is een kenmerk van professionaliteit die nodig is in de gezondheidszorg en het welzijnswerk van de eenentwintigste eeuw. In het verlengde daarvan ligt aansprakelijkheid in juridische zin, maar daar gaan we hier niet verder op in. Aansprakelijkheid krijgt reliëf door een specifieke opvatting van professionaliteit, zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven. Aansprakelijkheid impliceert bepaalde persoonlijke kwaliteiten die verder gaan dan karakter of aanleg. Laten we die buiten beschouwing, dan bestaat het gevaar dat we een professional louter en alleen aanspreken op wat hij doet en niet op de intenties die aan zijn handelen ten grondslag liggen. Met andere woorden: deugt een professional als hij het juiste doet, op het juiste moment en volgens de geldende regels of gaat het om meer? Het gevaar is dat we door een nadruk op het juiste handelen uitsluitend aandacht geven aan technische en wetenschappelijke competenties. Het gaat echter ook om morele competenties. Dat wil zeggen: niet alleen het ‘wat’ en ‘hoe’ maar ook het ‘waarom’ en ‘voor wie’ en ‘door wie’ zijn van belang (Jansen, 2007). Zo meten we professionele deugdelijkheid niet alleen aan de hand van protocollen en standaarden, maar ook aan de hand van morele criteria. Hier bestaat echter het gevaar van een benepen soort moraliseren, dat wil zeggen: het gevaar dat professionaliteit wordt genormeerd aan de hand van algemene waardeoordelen zonder acht te slaan op specifieke omstandigheden of bedoelingen.

Literatuur

  1. Baart, A. (2000). Een theorie van de presentie. Utrecht: Lemma.Google Scholar
  2. Boer, Th. de (1999). De beproevingen van het zelf. In K. Boey, A. Cools, J. Leilich & E. Oger (Eds). Ex Libris van de filosofie in de 20ste eeuw. Deel 2: van 1950 tot 1998. Leuven/Amersfoort: Acco.Google Scholar
  3. Ende, T. van den & Kunneman, H. (2008). Normatieve professionaliteit en normatieve professionalisering. Een pleidooi voor conceptuele verdieping. In G. Jacobs, R. Meij, H. Tenwolde & Y. Zomer (red.). Goed werk. Verkenningen van normatieve professionalisering. Utrecht: Humanistic University Press.Google Scholar
  4. Gastmans, C. (2000). Morele houdingen in de verpleegkunde. In C. Gastmans & B. Dierckx de Casterlé (red.). Verpleegkundige excellentie. Verpleegkunde tussen praktijk en ethiek. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg.Google Scholar
  5. Graste, J. (1997). Zorg voor de psyche. Een archeologie van psychotherapie. Nijmegen: Nijmegen University Press.Google Scholar
  6. Jacobs, G., Meij, R., Tenwolde, H. & Zomer, Y. (red.) (2008). Goed werk. Verkenningen van normatieve professionalisering. Utrecht: Humanistic University PressGoogle Scholar
  7. Jansen, M.G.M.J. (2007). Presentie en Prestatie. Sleutelbegrippen in een verpleegethiek. Utrecht: Universiteit voor Humanistiek.Google Scholar
  8. Meij, R. (2008). Post-professionaliteit? In G. Jacobs, R. Meij, H. Tenwolde & Y. Zomer (red.) (2008). Goed werk. Verkenningen van normatieve professionalisering. Utrecht: Humanistic University Press.Google Scholar
  9. Pannier, Ch. & Verhaeghe, J. (1999). Aristoteles’ Ethica. Groningen: Historische uitgeverij.Google Scholar
  10. Ricoeur, P. (1994). Oneself as Another. Chicago: University of Chicago Press.Google Scholar
  11. Tonkens, E., Uitermark, J. & Ham, M. (2007). Handboek moraliseren. Burgerschap en ongedeelde moraal. Amsterdam: Van Gennip.Google Scholar
  12. Vorstenbosch, J. (2005). Zorg. Een filosofische analyse. Amsterdam: Nieuwezijds.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2009

Authors and Affiliations

  • Michel Jansen

There are no affiliations available

Personalised recommendations