Abstract
Rond het midden van de twintigste eeuw werd de psychiatrie gedomineerd door de psychodynamische benadering (zie hoofdstuk 2). In de Amerikaanse academische psychologie voerde de behavioristische stroming (zie hoofdstuk 4) de boventoon. Beide werden indertijd vanuit verschillende kampen bekritiseerd. De psychodynamische benadering zou te veel nadruk leggen op het (onbewuste) driftleven en de vroegkinderlijke ontwikkeling. Behavioristen zouden zich te eenzijdig en te afstandelijk richten op maar een deel van het menselijk functioneren: de waarneembare gedragingen als reacties op de omgeving. Volgens critici waren beide benaderingen ook veel te pessimistisch: mensen zijn niet hulpeloos overgeleverd aan hun driften of hun omgeving. In plaats van het onbewuste of het gedrag verdiende in hun ogen juist de bewuste gedachteen gevoelswereld van mensen alle aandacht. Bovendien gingen de psychodynamische en behavioristische benaderingen ervan uit dat de therapeut als alwetende deskundige de richting en het doel van de therapie diende te bepalen. Dat werd als autoritair ervaren. Deze kritiekpunten vormden de voedingsbodem voor de opkomst van de humanistische benadering vanaf de jaren vijftig. Door vertegenwoordigers werd zij gepresenteerd als de ‘derde macht’, die stelling nam tegen de psychodynamische en behavioristische benadering.
Preview
Unable to display preview. Download preview PDF.