Advertisement

Methoden, methodieken en diagnostische instrumenten

  • Celine Schweizer
  • Jacqueline de Bruyn
  • Suzanne Haeyen
  • Bert Henskens
  • Henriette Visser
  • Marijke Rutten-Saris
Part of the Methodisch Werken book series (MET)

De beeldende therapie kent een groot palet van verschillende metho-den en methodieken. In sommige daarvan zijn de theoretische wortels goed te herkennen. Andere methoden zijn specifiek voor ééen doel-groep uitgewerkt en weer andere methoden zijn nadrukkelijk het resultaat van wat men ‘best practice’ noemt. Opleidingsachtergrond en ervaring van de beeldend therapeut en ook de doelgroep die be-handeld wordt, zijn verder medebepalend voor wat men in de praktijk als methoden heeft uitgewerkt.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatuur

  1. Achterberg, J. (1984). Imagery and medicine: Psychophysiological speculations. Journal of Mental Imagery, 8, 1–13.Google Scholar
  2. Adriaens, M. & Verstegen, D. (2003). Ruimte zien. Rotterdam: Asoka.Google Scholar
  3. Amendt, N. (2001). Art and creativity in gestalt Therapy. Lyon: The Analytic Press.Google Scholar
  4. Amman, R. (1989). Heilende Bilder der Seele. Das Sandspiel, der schopferiches Weg der Person-lichkeitentwicklung. München: Kösel.Google Scholar
  5. Arguelles, J. & Arguelles, M. (1994). Mandala, De mandala vanuit een universeel kader belicht (2nd ed.). Deventer: Ankh-Hermes.Google Scholar
  6. Arnheim, R. (1974). Art and visual perception. Berkely: University of California Press.Google Scholar
  7. Arntz, A. & Bögels, S. (2000). Schemagerichte cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoor-nissen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  8. Avelingh, M. (1995). Schilderen, boetseren en tekenen als kunstzinnige therapie. Zeist: Christofoor.Google Scholar
  9. Bach, S. (1990). Life Paints its own span. Zurich: Daimon.Google Scholar
  10. Bachmann, H. I., (1985). Malen als Lebensspur. Stuttgart: Klett-Cotta.Google Scholar
  11. Baer, R. (2003). Mindfulness training as a clinical intervention: a conceptual and empirical review. Clinical Psychology, 10(2), 125–142.Google Scholar
  12. Bakker, F. (2002). De wondere wereld van Zen. Eerserveen: Akasha.Google Scholar
  13. Bannnink, F. P. (2006). Oplossingsgerichte vtagen, Handboek oplossingsgerichte gespreksvoering. Amsterdam: Harcourt Assessment BV.Google Scholar
  14. Bateman, A. & Fonagy, P. (2005). Psychotherapy for borderline personality disorder. Mentali-sation Based treatment. New York: Oxford University Press.Google Scholar
  15. Bateman, A. W. & Fonagy, P. (2004). Psychotherapy for borderline personality disorder; Mentalization based treatment. Oxford: Oxford University Press.Google Scholar
  16. Bateman, A. W. & Fonagy, P. (2007). Mentaliseren bij de borderlinepersoonlijkheidsstoornis, praktische gids voor hulpuerleners in de GGZ. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  17. Batement, A. & Fonagy, P. (2004). Psychotherapy for borderline personality disorder: mentalization based treatment. Oxford: Oxford University Press.Google Scholar
  18. Baukus, P. & Thies, J. (1997). Kunsttherapie, Formzeichen. Stuttgart: Gustav Fischer.Google Scholar
  19. Beelen, F. (1983). Een gezin in kreatieve therapie. Tijdschrift voor kreatieue therapie, 5,174–188.Google Scholar
  20. Beelen, F. (2003). Gezins-creatieve-therapie; systeembeïnvl ceding, ouderondersteuning in creatieue therapie beeldend. Houten/Mechelen: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  21. Beelen, F. & Oelers, M. (2000). Interactief: creatieve therapie met groepen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  22. Beelen, F. & Wernink, P. (2005). Werkboekgezins-creatieve-therapie; voor createf therapeuten beeldend die werken met ouders van kinderen met een verstandelijke beperking. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  23. Beljon, J. (1980). Zo doe je dat, grondbeginselen van vormgeving. Amsterdam: Wetenschappelijke .Google Scholar
  24. Beljon, J. J. (1987). Open ogen. Amsterdam: Arbeiderspers.Google Scholar
  25. Berg, H. J. van den (2008). Beeldende therapie en multimedia. Arnhem/Nijmegen: Hoge-school Arnhem en Nijmegen.Google Scholar
  26. Berk, T. J. C. e.a. (1995). Handboek Groepspsychotherapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  27. Berman, L. (1993). Beyond the smile, the therapeutic use of the photograph, (pp. 51–81). Londen: Routledge.Google Scholar
  28. Betts, D. J. (2005). A systematic analyses of art therapy assessment and rating instrument literature. Florida: State University School of Visual Arts and Dance.Google Scholar
  29. Biemans, H. & Rees, S. van (1992). Video Hometraining diverse congressen en supervisies.Google Scholar
  30. Bion, W. R. (1959). Experiences in Groups. Londen: Tavistock.Google Scholar
  31. Bishop, S. R., Lau, M., Shapiro, S., Carlson, L., Anderson, N. D., Carmody, J., Segal, Z. V, Abbey, S., Speca, M., Velting, D. & Devins, G. (2004). Clinical Psychology, 11(3), 230–241.Google Scholar
  32. Bod, R. (2004). De unificatie van taal, beeld en muziek (Voordracht in ‘Maagdenhuis op maandag ’). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.Google Scholar
  33. Bohlmeijer, E. & Reus-Vinke, H. de (2006). Op zoek naar zin, de verbeelding van herinneringen als anti-depressivum. Tijdschrift voor Vaktherapie, 3, 3–8.Google Scholar
  34. Bohlmeijer, E., Mies, L. & Westerhof, G. (2007). De betekenis van Ieuensuerhalen, theoretische beschouiuingen en toepassingen in onderzoek en praktijk. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  35. Bolander, K. (1977). Assessing personality through tree drawings. New York: Basic Books.Google Scholar
  36. Bolte, B., Dewald, A. & Pluijlaar, L. (2008). Onder de Ioep. Een inuentariserend praktijk-onderzoek naar het gebruik van beeldende observatie- en diagnostiche opdrachten in de beroeps-praktijk. Nijmegen: Mediatheek HAN.Google Scholar
  37. Borst, G. (2007). Papier is geduldig, Analytische Tekentherapie met basisschoolkinderen in psychodiagnostisch perspectief (Scriptie Opleiding Analytische Tekentherapie). Heemstede: Pedagogisch Psychologisch Centrum Heemstede.Google Scholar
  38. Bosch, L. M. C. van den, Koeter, M. W. J., Stijnen, T. e.a. (2005). Sustained efficacy of dialectical behavior therapy for borderline personality disorder. Behavior Therapy Research, 43, 1231–1241.Google Scholar
  39. Bosman, A. (2008). Oratie Pedagogische wetenschap. Koorddansen tussen kunst en kunde. Hilversum: Eenmalig.Google Scholar
  40. Braak, W. J. M. ter. (2007). Muziek in beeld (Interne publicatie vakgroep beeldende therapie). Groningen: Universitair Centrum Psychiatrie Groningen.Google Scholar
  41. Bradway, K. & McCoard, B. (1997). Sandplay, the silent workshop of the psyche. New York: Routledge.Google Scholar
  42. Brantley, J. (2004). Angst beheersen met aandacht, een praktische gids voor het beheersen van angst, fobieën en paniek. Amsterdam: Nieuwezijds.Google Scholar
  43. Brooks, C.W. (1974). Sensory awareness. New York: Viking Press.Google Scholar
  44. Brown, G. (1969). Awareness training and creativity based on gestalt therapy. Journal of Contemporary Psychotherapy, 2(1), 25–32.Google Scholar
  45. Bruyn, J. de, Steenbeek, M. & Wiebenga, E. (1995). Projectuerslag creatieue gezinstherapie (beeldend) (Intern verslag). Amstelveen: Tulpenburg.Google Scholar
  46. Bruyn, J. de (2006). Een onderzoek naar de bijdrage van creatieue therapie in gezinsobseruaties. Amersfoort: Hogeschool Utrecht.Google Scholar
  47. Bruyn, J. de (2006). Gezinnen in beeld, vaktherapeutische gezinstherapie en -observatie. Amersfoort: Hogeschool Utrecht.Google Scholar
  48. Bruyn, J. de (2007). Het gezin als veelkoppig dier, beeldend therapeutische gezins- observaties. Tijdschrift voor Vaktherapie, 1, 21–27.Google Scholar
  49. Buijs, J. (2007). Training in Aandacht. Nijmegen: www.praktijkvoormindfulness.nl Geraadpleegd op 16 augustus 2008.
  50. Butler, R. N. (1963). The life review: an interpretation of reminiscence in the aged. Psychiatry 26(1), 65–78.PubMedGoogle Scholar
  51. Cane, F. (1951). The artist in each of us. Londen: Thames and Hudson.Google Scholar
  52. Canter, D. S. (1987). The therapeutic effects of combining Apple Macintosh computers and creativity software in art therapy sessions. Art Therapy, 4(1), 17–26.Google Scholar
  53. Castillo, G. (1974). Lefthanded teaching lessons in affective education. New York: Praeger.Google Scholar
  54. Cohen, B. M. (1994). DDS Revised rating guide. Eigen beheer.Google Scholar
  55. Cohen, B. M., Hammer, J. S. & Singer, S. (1988). The Diagnostic Drawing Series: A systematic approach to art therapy evaluation and research. The Arts in Psychotherapie, 15(1), 11–21.Google Scholar
  56. Cohen, B. M., Mills, A. & Kijak, A. K. (1994). An introduction to the Diagnostic Drawing Series: A standardized tool for diagnostic and clinical use. Art Therapy, 11(2), 105–110.Google Scholar
  57. Compernolle, T. & Brand, D. (1996). De praktijk van de structurele gezinstherapie. In J. Hendrickx, F. Boekhorst, Th. Compernolle & A. van der Pas (eds.), Handboek gezins-therapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  58. Couch, J. B. (1994). Diagnostic Drawing Series: Research with older people diagnosed with organic mental syndrome and disorders. Art Therapy, 11(2), 111–115.Google Scholar
  59. Damasio, A. R. (2003). Ik voel dus ik ben. Hoe gevoel en Iichaam ons beiuustzijn vormen. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  60. Damasio, L. T. (2003). De vergissing van Descartes: gevoel, verstand en het menselijke brein. Amsterdam: Wereldbiliotheek.Google Scholar
  61. De Jong, N. (2003). Ben ik in beeld? De muziektherapeutische behandeling van de narcistische persoonlijkheidsstoornis, volgens de schemagerichte therapie (Afstudeerscriptie Muziekthe-rapie, Conservatorium). Enschede: Saxion Hogeschool Enschede.Google Scholar
  62. Delcours, H. (1994). Spel en groeiproces. Een agogisdne benadering (1e ed.). Baarn: Nelissen.Google Scholar
  63. Dellesen, P. & Lentz, L. (1987). Taaldrukken, verder dan zeggen en schrijven. Bosch & Keu-ning Didact.Google Scholar
  64. Demmer, T. & Boschloo, I. (2004). Tasten, voelen, kijken, creatieve therapie. In G. Pool e.a. (eds.), Handboek psychologische interventies bij chronisch somatische aandoeningen. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  65. Derks, L. & Hollander, J. (1996). Essenties van NLP. Sleutels tot persoonlijke verandering. Utrecht: Servire.Google Scholar
  66. Deuser, H. (1989). Die Arbeit am Tonfeld. In E. Zundel & B. Fittkau (eds.), Spirituelle Wege und Transpersonale Psychotherapie, (pp. 313–317). Paderborn: Jungfermann.Google Scholar
  67. Deuser, H. (2004). Bewegung wird gestalt. Bremen: W. und W. Doering Verlagsgesellschaft.Google Scholar
  68. Deuser, O. (1989). Geführtes Zeichnen. In E. Zundel & B. Fittkau (eds.), Spirituelle Wege und Transpersonale Psychotherapie, (pp. 307–312). Paderborn: Jungfermann-Verlag.Google Scholar
  69. Dhont, M. C. (2000a). ’t Tijdloze uur, Arnhem: Lambo.Google Scholar
  70. Dhont, M. C. (2000b). ’t Tijdloze uur, 22 oefeningen ter bevordering van integratievan decognitieve, emotionele en sociale intelligentie. Arnhem: Lambo.Google Scholar
  71. Dhont, M. C. (2008). Expressive art by movement and intuition. Geraadpleegd via: http:// www.dhont.nl
  72. Diekstra, R. (2002). Ik kan denken/voelen wat ik wil. Over RET (27c ed.). Lisse: Swets & Zeitlinger.Google Scholar
  73. Dijk, B. van (2007). Beïnuloed anderen, begin bij jezelf. Over gedtag en de roos van Leary. Zaltbommel: Thema.Google Scholar
  74. Dijksterhuis, A. (2007). Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Amsterdam: Bert Bakker.Google Scholar
  75. Dollenkamp, T. (2004). ‘Op een onbeiuoond eiland, gezinscreatieve therapie beeldend. Leeuwarden: Christelijke Hogeschool Noord-Nederland.Google Scholar
  76. Doorn, J. & Karsdorp, N. (1999). Over grenzen en autonomie binnen de afdeling (Dag)KIinische Psychotherapie (Interne nota). Alkmaar: Triversum. Ook verschenen onder de titel: ‘Is de speeltuin niemandsland?’ In: Over eengrens; psychotherapie met adolescenten. (2001). Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  77. Doornenbal, J., Jonker, J. & Bijstra, J. (2006). Richting en houuast. Visiedocument 2006–2011. Groningen: Regionaal Expertise Centrum Noord Nederland.Google Scholar
  78. Drift van der, I. J. (1987). De bruikbaarheid van de door Florence Cane ontwikkelde werkwijze binnen de beeldende kreatieve therapie. Tijdschrijt voor Kreatieue Therapie, 87(3), 79–80.Google Scholar
  79. Dürckheim, K. von. (1976). Meditatie, doel en weg, het ontiuaken van de initiatische mens. Deventer: Ankh-Hermes.Google Scholar
  80. Elbrecht, C. (2002). Guided drawing, an initiatic art therapy. Eigen beheer.Google Scholar
  81. Ernst, W. S. (1968). Frottagen / Wrijfels (ecriture automatique). Stuttgart: Gerd-Hatje.Google Scholar
  82. Faassen, H. (1996). Jonge geschiedenis van de Iiteraire vorming 1931–1995. Utrecht: Hoge-school van de Kunsten Utrecht.Google Scholar
  83. Federatie Vaktherapeutische Beroepen. (2008). Profiel van de vaktherapeutische beroepen. Utrecht: FVB.Google Scholar
  84. Feldenkrais, M. (1972). Awareness through movement. New York: Harper & Row.Google Scholar
  85. Fevere de ten Hove, M. (2000). Korte therapie; handleiding bij het ‘Bruise model’ voor psychotherapie met een toepassing op kinderen en jongeren. Leuven: Garant.Google Scholar
  86. Fieguth, U. (2004). Denken, voelen en handelen in de muziektherapie. Ttjdschrift voor Creatieve Therapie,1, 28–33.Google Scholar
  87. Foks-Appelman, T. (2004). Kinderen geven tekens, de brtekenis van kindertekeningen en kin-derspel vanuit het perspectief van de analytische psychologie. Delft: Eburon.Google Scholar
  88. Foks-Appelman, T. (2004). Kinderen geven tekens. Delft: Euburon.Google Scholar
  89. Folkman, R. S. & Lazarus, S. (1984). Stress, appraisal and coping. New York: Springer Publishing Company.Google Scholar
  90. Fonagy, P. e.a. (2003). The developmental roots of borderline personality disorder in early attachment relations: A Theory and some evidence. Psychoanalytic Inquiry,23, 460–472.Google Scholar
  91. Fowler, J. P. & Ardon, A. M. (2002). Diagnostic Drawing Series and dissociative disorders: A Dutch study. The Arts in Psychotherapy, 29(4), 221–230.Google Scholar
  92. Fowler, J. P. (2001). De Diagnostic Drawing Series: Structurele kenmerken van teke-ningen als diagnostisch instrument. Ttjdschrvft voor Creatieve Therapie, 3, 28–31.Google Scholar
  93. Franck, F. (1993). Zen zien, Zen tekenen. Amsterdam: Karnak.Google Scholar
  94. Franssen, J. & Bohlmeijer, E. T. (2003). Begeleidersmap Op zoek naar zin. Utrecht: Trimbos-instituut.Google Scholar
  95. Franssen, J. & Bohlmeijer, E. T (2003). Op zoek naar zin: Een cursus rond het eigen levens-verhaal voor ouderen met depressieve klachten. Utrecht: Trimbos-instituut.Google Scholar
  96. Freire, P. (1985). Pedagogic van de onderdrukten. Baarn: In den Toren.Google Scholar
  97. Freud, A. (1980). Het ik en de qfujeermechanismen. Baarn: Ambo.Google Scholar
  98. Freud, S. (1950). Inleiding tot de studie der psycho-analyse. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  99. Furth, G. (1991). Tekeningen. Beeldtaal van het onbeiwuste. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  100. Gerits, L. & Kleijbergen, K. (2005). Hechting en de herhaling van gezinsdynamieken; Van verklaringsmodel naar therapeutische praktijk. Systeemtherapie, 17(3), 134.Google Scholar
  101. Germer, C. K. (2005). Teaching mindfulness in therapy. Mindfulness and Psychotherapy, (pp. 113–129). New York: The Guilford Press.Google Scholar
  102. Gerritsen, M. B. G. (1994). Creatieve therapie: het proces is de kunst. Maandblad voor Geestelijke volksgezondheid, 4, 405–413.Google Scholar
  103. Gerritsen, M. B. G. (1998). 25 Jaar creatief therapeut in de praktijk. Zichtbaar maken wat ik hoor, hoorbaar maken wat ik zie. Tijdschrift voor Kreatieve Therapie, 17(3), 3–8.Google Scholar
  104. Gersie, A. (1996). Verhalen vertellen in therapie en onderiuijs. Culemborg: Hogeschool van Utrecht Press.Google Scholar
  105. Giesen-Bloo, J., Dyck, R. van, Spinhoven, Ph. e.a. (2006). Outpatient psychotherapy for borderline personality disorder: randomized trial of schema-focused therapy vs transferenced-focused psychotherapy. Archives of General Psychiatry, 63, 649–658.PubMedGoogle Scholar
  106. Glas, J. (1991). Creatieve therapie met gezinnen. Een onderzoek naar de specifieke kenmerken van creatieve therapie met gezinnen. Leusden: Hogeschool Midden Nederland.Google Scholar
  107. Glas, J. (1994). Creatieve therapie met gezinnen, een onderzoek naar de specifieke kenmerken van een behandelaanbod. Leusden: Productgroep beroepsinnovatie.Google Scholar
  108. Glasmacher, J. (2006). Het zelf in beeld. Mandala-tekenen als onderdeel van een creatief therapeutische diagnose voor coping-gedrag. Nijmegen: Hogeschool Nijmegen.Google Scholar
  109. Gombrich, E. H. (1964). Kunst en illusie, De psychologic van het beeldend weergeven. Zeist: De Haan.Google Scholar
  110. Grabau, E. & Visser, H. (1987). Creatieve Therapie; spelen met mogelijkheden. Deventer: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  111. Grätz, E. (1978). Zeichnen aus dem Unbeiuusten. Stuttgart: Hippokrates Verlag.Google Scholar
  112. Greenberg, L. S. (2004). Emotion-focused therapy. Coaching clients to work through their feelings. Washington DC: American Psychological Association.Google Scholar
  113. Grossman, P., Niemann, L., Schmidt, S. & Walach, H. (2004). Mindfulness-based stress reduction and health benefits: a meta-analysis. Journal of Psychosomatic Research, 57-35-43-PubMedGoogle Scholar
  114. Haas, N. de (2008). Training en therapie. Nijmegen: www.nouddehaas.nl Geraadpleegd op 16 augustus 2008.
  115. Haeyen, S. (2004). Verbindend werk, beeldende therapie met borderlinecliënten op basis van de dialectische gedragstherapie van Linehan. Tijdschrift voor Creatieue Therapie, 1, 5–10.Google Scholar
  116. Haeyen, S. (2005). Verslag paneldiscussie creatief therapeuten richtlijn persoonlijkheidsstoornissen (Intern document). Utrecht: Werkgroep Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen van het Trimbos-instituut.Google Scholar
  117. Haeyen, S. (2006). Imaginatie in schemagerichte beeldende therapie. Tijdschrift voor Creatieue Therapie, 1, 3–10.Google Scholar
  118. Haeyen, S. (2007). Niet uitleuen maar beleuen, beeldende therapie bij persoonlijkheidsproblema-tiek. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  119. Hanh, T. N. (1975). The miracle of mindfulness, an introduction to the practice of meditation. Boston: Beacon.Google Scholar
  120. Hattum, M. van & Hutschemaekers, G. (2000). Vakwerk-Producttyperingen van vakthe-rapeuten voor het programma stemmingsstoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut.Google Scholar
  121. Hayes, S. C, Follette, V. M., Linehan, M. M., eds). (2006). Mindfulness en acceptatie, de derde generatie gedragstherapie. Amsterdam: Harcourt Assessment BV.Google Scholar
  122. Hebben, M. (1995). Aanschilderen, een terechte keuze. Tijdschrift voor Kreatieue Therapie, 1,15–19.Google Scholar
  123. Heeremans, M., Broeze, E. & Helden, H. van (1991). Programmeren van onderiuijs op basis van leerstijlen. Utrecht: Phaedon.Google Scholar
  124. Hegie, L. & Nieuwehuize, M. (2003). De tiuaalfmens. Twaalf persoonlijkheidstypen: Een nieuwe theorie gebaseerd op het eneagram. Utrecht: Kosmos Z& K.Google Scholar
  125. Hemelrijk, W. (1998). De honderd talen van kinderen. Utrecht: SWP.Google Scholar
  126. Hensbroek, L. (2006). Nederlandse vertaling van de scoringshandleiding bij de DDS (Interne publicatie). In opdracht van de DDS Werkgroep Nederland.Google Scholar
  127. Henskens, B. (2007). Meetinstrument De DDS. Tijdschrift voor Vaktherapie, 3, 45–47.Google Scholar
  128. Herman, J. L. (1999). Trauma en herstel. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  129. Heusden, A. van & Eerenbeemt, E. M. van den (1983). Iwan Boszormenyi-Nagy en zijn uisie op indiuiduele engezinstherapie. Amsterdam: De Toorts.Google Scholar
  130. Hijmans van den Bergh, A. H. (1971). Looking and doing: a method of creative therapywith neurotic patients. Psychotherapy and Psychosomatics, 1971(19), 240–254.Google Scholar
  131. Hilgeman, D. (1978). Onderzoek met betrekking tot beschrijvingscategorieen van het aanschilderen. Nieuw Research Bulletin, 1978(1), 2–10 (Interne uitgave). Halsteren: De Viersprong.Google Scholar
  132. Hippius, M. (1936). Grqfischer Ausdruck von Gefühlen. Leipzig: Psychologisch Instituut Universiteit Leipzig.Google Scholar
  133. Hirayama, H. (2000). Sumi-e, Japans penseelschilderen in de geest van Zen. Baarn: Cantecleer.Google Scholar
  134. Hoefsloot, R. F. (2007). De handenmeditatie. Amsterdam: Schors.Google Scholar
  135. Hoefsloot, R. F. (2007). Kunstzinnig dynamisch coachen. Amsterdam: Schors.Google Scholar
  136. Hoefsloot, R. F. (2007). Meditatief boetseren, kunstzinnige therapie en persoonlijke groei. Amsterdam: Schors.Google Scholar
  137. Hoekema, J. (2005). Meditatief boetseren (Afstudeerscriptie opleiding Creatieve Therapie beeldend). Arnhem/Nijmegen: Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.Google Scholar
  138. Huyser, A. (1994). Mandala’s maken, een bezinnend en creatief proces.Deventer: Ankh-Hermes.Google Scholar
  139. Itten, J. (1971). Kleurenleer. De Bilt: Cantecleer.Google Scholar
  140. Itten, J. (1980). Beeldende Vormleer. De Bilt: Cantecleer.Google Scholar
  141. Itten, J. (1989). Beeldende kunst in beeld. De Bilt: Cantecleer.Google Scholar
  142. Jacobi, J. (1999). Complex/archetype/symbol in the psychology of C.G.Jung. Londen: Routledge.Google Scholar
  143. Janzing, C. & Lansen, J. (1985). Milieutherapie. Het arrangement van de klinisch therapeutische setting. Maastricht: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  144. Johnes, M. (1952). Social psychiatry. A study oftherapeutic communities. Londen: Tavistock.Google Scholar
  145. Jong, R. de (2006). Rillingen over je rug. Psychologic Magazine, 1, 38–40.Google Scholar
  146. Jonge, F. de e.a. (1987/1988). Uitzicht op inzicht (Artikelenreeks). Tijdschrvft uoor Psy-chiatric, 1987–13, 1988–14, 1988–5.Google Scholar
  147. Jongerius, P. J. (1980). Milieu of sociotherapie. In E. Verschoor (red.), ‘In goede handen’Psychiatrie, (deel 3, pp. 14–30). Leiden: Spruyt van Mantegem en de Does.Google Scholar
  148. Jung, C. (1996).De mens en zijn symbolen. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  149. Jung, C. G. (1992). De mens en zijn symbolen. Een onderzoek naar de verhouding van de mens tot zijn eigen onbewuste, (pp 200–209). Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  150. Junker, J. & Rijdt, F. van de (1995). Creatieve therapie met ouderen. Nijmegen: Hogeschool Nijmegen.Google Scholar
  151. Kaarsemaker-Verfaille, M. E. (2008). Beeldende therapie en MBT; hoe integreer je die twee? Eindhoven: Geestelijke Gezondheidszorg Eindhoven en de Kempen.Google Scholar
  152. Kabat-Zinn, J. (1990). Handboek meditatief ontspannen, Effectief programma voor het bestrijden van pijn en stress. Haarlem: Altamina-Brecht.Google Scholar
  153. Kabat-Zinn, J., Lipworth, L., Burney, R. & Sellers, W. (1986). Four year follow-up of a meditation-based stress reduction program for the self-regulation of chronic pain: treatment outcomes and compliance. Clinical Journal of Pain, 2, 159–173.Google Scholar
  154. Kabat-Zinn, J., Wheeler, E., Light, T., Skillings, A., Scharf, M., Cropley, T. G., Hosmer, D. & Bernhard, J. (1998). Influence of a mindfulness-based stress reduction intervention on rates of skin clearing in patients with moderate to severe psoriasis undergoing phototherapy (UVB) and photochemotherapy (PUVA). Psychosom Medicine, 60,625–632.Google Scholar
  155. Kalff, D. M. (1980). Sandplay. A psychotherapeutic approach to the psyche. Boston: Sigo Press.Google Scholar
  156. Kaplan, K., Goldenberg, D. & Galvin-Nadeau, M. (1993). The impact of a meditation-based stress reduction program on fibromyalgia. General Hospital Psychiatry, 15, 284–289.PubMedGoogle Scholar
  157. Karterud, S. & Pedersen, S. (2004). Short-term day hospital treatment for personality disorders: benefits of the therapeutic components. Therapeutic communities. International Journal for Therapeutic & Supportive Organisations, 25, 43–54.Google Scholar
  158. Karterud, S. & Urnes, O. (2004). Short-term day hospital treatment for patients with personality disorders. What is the optimal composition? Nordic Journal of Psychiatry, 58, 243–249.PubMedGoogle Scholar
  159. Kellogg, J. (1992). Color theory from the perspective of the great round of mandala. The Journal of Religion and Psychical Research, 15(3). 138–146.Google Scholar
  160. Kellogg, J. (2002). Mandala: Path of beauty (3rd ed.). Belleair, FL: ATMA.Google Scholar
  161. Kellogg, J., MacRae, M., Bonny, H. & DiLeo, F. (1977). The use of the mandala in psychological evaluation and treatment. American Journal of Art Therapy, 16,(4), I23–134.Google Scholar
  162. Kessel, W. van & Linden, P. van der (1973). Een interactioneel model voor gestoord gedrag en psychotherapie (Interne publicatie). Utrecht: Instituut klinische en industriële psychologie van de Universiteit Utrecht.Google Scholar
  163. Kessler, K. (1994). A study of the Diagnostic Drawing Series with eating disordered patients. Art Therapy, 11(2), 116–118.Google Scholar
  164. Klee, P. (1971). UnendlicheNaturgeschichte, Prinzipielle Ordnung der bildnerischen Mittel. Basel/ Stuttgart: Schwabe & Co.Google Scholar
  165. Klijn, W. J. L. & Scheller-Dikkers, S. (2006). Warn woorden tekort schieten. Leuven: Acco.Google Scholar
  166. Klijn, W. J. L. (2005). Beeldende systeemtherapie en gezins-creatieve therapie.Kinder-en Jeugdpsychotherapie, 32(2), 70–77.Google Scholar
  167. Klijn, W. J. L. (red.). (1991). Systeemtaxatie en creatieve technieken. In W. J. L. Klijn, Systeemtaxatie in beiueging. Amsterdam: Zwets & Zeitlinger.Google Scholar
  168. Kliphuis, M. (1973). Het hanteren van creatieve processen in vorming en hulpverlening. In L. Wils, Bij luijze van spelen. Alphen aan den Rijn: Samsom.Google Scholar
  169. Klompé, H. (2001). Sorry dat ik het papier verspild heb. In C. Schweizer (red.), In Beeld Doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  170. Kolb, D. A. (1984). Learning style inventory. Boston: MCBerr.Google Scholar
  171. Kristeller, J. & Hallett, C. (1999). An exploratory study of a meditation-based intervention for binge eating disorder. Journal of Health Psychology, 4(3), 357–363.Google Scholar
  172. Krop, J. P. (1978). Het gebruik van geleide fantasieën. In J. Krop, Leren Ieven met groepen (3550, 1–31). Alphen aan den Rijn: Samson.Google Scholar
  173. Kruijf, C. de (2007). Studiedag ‘Doen’. Ttjdschrift voor Vaktherapie 2007(3), 48-49-Google Scholar
  174. Kurdika, N. (1982). A Talk with Laura Perls about the therapist and the artist. Voices, 18(2), 29–37.Google Scholar
  175. Laan, G. van der (1993). Methodiekontwikkeling: over systematiek en doelgerichtheid. In M. van der Kamp (red.).Reeks methodiekontiuikkeling, Methodiekontiuikkeling concepten en trajecten. Utrecht: SWP.Google Scholar
  176. Lambrechts, G. (2001). De gestalttherapie tussen toen en straks. Berchem-Antwerpen: EPO.Google Scholar
  177. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. (2008). Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen, (hfdst. 5.5, pp. 95–102). Utrecht: Trimbos-instituut.Google Scholar
  178. Lange, A. (2000). Gedragsuerandering in gezinnen. Groningen: Wolters Noordhof.Google Scholar
  179. Langedijk, P. (1993). Alpha-hersengolven en hun praktische toepassingen. Deventer: Ankh-Hermes.Google Scholar
  180. Langedijk, P. (1994). Rechter en linker hersenhelft bij man en vrouw. Deventer: Ankh-Hermes.Google Scholar
  181. Lawick, J. van & Colijn, S. (2003). De invloed van systeem, maatschappij en cultuur. In dr. R. W. Trijsburg (red.). (2003). Leerboek Integratieve Psychotherapie, (hfdst. 10). Utrecht: De Tijdstroom.Google Scholar
  182. Le Fevere de ten Hove, M. (2000). Korte therapie: handleiding bij het ‘Brugse model’ voor psychotherapie met een toepassing op kinderen en jongeren. Leuven: Garant.Google Scholar
  183. Leary, T. (1957). Interpersonal diagnosis of personality. New York: Ronald Press.Google Scholar
  184. LeDoux, J. (1996). The emotional brain (The mysterious underpinnings of emotional life). New York: Simon & Schuster.Google Scholar
  185. LeDoux, J. (1998). The emotional brain. The mysterious underpinnings of emotional life. New York: Touchstone.Google Scholar
  186. Leedy, J. L. (1985). Poetry as healer. New York: Vanguard Press.Google Scholar
  187. Leitner, M. (1982). Malen und Zeichnen in der gestalttherapie. Ein Literaturbericht. Kunst & Therapie, 2, 131–143.Google Scholar
  188. Leuner, H. (1994). Lehrbuch der katathym imaginativen pschychotherapie. Bern: Hans Huber.Google Scholar
  189. Linehan, M. M. (1996), Borderline Persoonlijkheidsstoornis Handleiding voor training en therapie. Lisse: Swets & Zeitlinger.Google Scholar
  190. Linehan, M. M., Armstrong, H. E., Suarez, A. e.a. (1991). Cognitive-behavioral treatment of chronically parasuicidal borderline patients. Archives of General Psychiatry, 48, 1060–1064.PubMedGoogle Scholar
  191. Linehan, M. M., Comtois, K. A., Murray, A. M. e.a. (2006). Two-year randomized controlled trial and follow-up of dialectical behavior therapy vs therapy by experts for suicidal behaviors and borderline personality disorder. Archives of General Psychiatry, 63, 757–66. (A2)PubMedGoogle Scholar
  192. Linehan, M. M., Tutek, D. A., Heard, H. L., e.a. (1994). Interpersonal outcome of cognitive behavioral treatment for chronically suicidal borderline patients.American Journal of Psychiatry, 151, 1771–1776.PubMedGoogle Scholar
  193. Lubbers, R. (1988). Psychotherapie door beeld en begripsvorming.Nijmegen: Dekker & Van de Vegt.Google Scholar
  194. Luttikhuis, C. (1988). De methode gericht op de ontwikkeling van persoonlijk vorm-geven. In J. van Doorn (red.), Kreatieve therapie beeldend, Acht methodieken. Culemborg: Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie.Google Scholar
  195. Luttikhuis, C. (1990). Beeldend vormgeven en therapie. In F. Schalkwijk & C. Luttikhuis (eds.), Opstellen over kreatieve therapie. Nijmegen: Hogeschool Nijmegen.Google Scholar
  196. Ma, H. & Teasdale, J. D. (2004). Mindfulness-based cognitive therapy: replication and exploration of differential relapse prevention efforts. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 72, 31–40.PubMedGoogle Scholar
  197. Maex, E. (2005, 2 februari). Mediteren tegen depressie (Interview door Decoo, S.). Brussel:Google Scholar
  198. Maex, E. (2006). Mindfulness, in de maalstroom van je leven. Arnhem: Terra-Lannoo.Google Scholar
  199. Malchiodi, C. A. (2000). Art therapy & computer technology,a virtual studio of possibilities. Londen: Jessica Kingsley.Google Scholar
  200. Manicom, H. & Boronska, T. (2003). Co-creating change within a child protection system: integrating art therapy with family therapy practice. Journal of Family Therapy, 25-Google Scholar
  201. McNiff, S. (1981). The arts and psychotherapy. Springfield IL: Charles C. Thomas.Google Scholar
  202. Meerman, A. & Gerritsen, M. (1995). Creatieve therapie beeldend. Handboek integratieve psychotherapie, inventarisatie en perspectief (hfdst. IV 2.9, pp. 1–25). Maarssen: Elsevier / De Tijdstroom.Google Scholar
  203. Meijvogel, J. (1999). Paddentong. Tekeningen en gedichten. Groningen: Xeno.Google Scholar
  204. Merleau-Ponty, M. (1997). Fenomenologie van de waarneming. Amsterdam: Ambo.Google Scholar
  205. Meykens, S. & Cluckers, G. (2000). Kindertekeningen in ontiwikkelingspsychologisch en diag-nostisch perspectief. Leuven: Acco.Google Scholar
  206. Migchelbrink, F. (2002). Praktijkgericht onderzoek in zorg en welzijn. Amsterdam: SWP.Google Scholar
  207. Miller, S. (1973). The here and now of creativity and growth in a group of dramatic artists: A gestalt integration (Unpublished doctoral dissertation). Chapel Hill DAI: University of North Carolina.Google Scholar
  208. Mills, A., Cohen, B. M. & Meneses, J. Z. (1993). Reliability and validity tests of the Diagnostic Drawing Series. The Arts in Psychotherapy, 20(1), 83–88.Google Scholar
  209. Mills, A., Ford, A., Stroh, A. & Blyler, B. (2006). The Diagnostic Drawing Series:The posttraumatic stress disorder sample. New Orleans: American Art Therapy Association.Google Scholar
  210. Molenaar, G. (1996). Beginnen met mandalatekenen. Eeserveen: Akasha.Google Scholar
  211. Molenaar-Coppens, E. (1987, 1991, 1994). Grondbeginselen beeldend vormen (Interne publicatie). Arnhem/Nijmegen: Hogeschool Arnhem Nijmegen.Google Scholar
  212. Molenaar-Coppens, E. (1992). Het Weten van de Handen. Tijdschrift voor Creatieve.The-rapie, 1, 2–8.Google Scholar
  213. Molenaar-Coppens, E. (1992). Onderzoeksvoorstel beeldwaarneming in kreatieve therapie (Interne publicatie). Arnhem/Nijmegen: Hogeschool Arnhem Nijmegen.Google Scholar
  214. Molenaar-Coppens, E. (1994). Krom en recht (Workshop). Nederlandse Vereniging Creatieve Therapeuten.Google Scholar
  215. Molenaar-Coppens, E. (1995). Krom en Recht, de kromme en de rechte als symbool, Tijdschrift voor Kreatieve Therapie, 2, 3–9.Google Scholar
  216. Molenaar-Coppens, E. (1996). Krom en recht in symbolen in de creatieve therapie. Utrecht: Beroepsvereniging NVCT.Google Scholar
  217. Molenaar-Coppens, E. (2004). Beeldwaarneming 2004. In: Meerkanten GGZ Flevo-Veluwe, Symposium vakbouquet, Innovatie en kwaliteit in non-verbale therapie en agogie (pp. 23-30) (Reader). Ermelo: Meerkanten GGZ Flevo-Veluwe.Google Scholar
  218. Müller, R. (1981). Das Geführte Zeichnen. In R. Müller, Wandlung zur Ganzheit Die Initiatische Therapie nach Karlfried Graf Dürckheim und Maria Hippius, (pp. 281–300). Freiburg im Breisgau: Herder Verlag.Google Scholar
  219. Nederlandse Vereniging voor Beeldende Therapie. (2006) Studiedag ‘Op Maat’. Utrecht.Google Scholar
  220. Nieuwenkamp, E. & Kraan, B. (1993). Beeldend therapeutisch computergebruik. Nijmegen: Hogeschool Nijmegen.Google Scholar
  221. Oaklander, V. (1978). Windows to our children: A gestalt therapy approach to children and adolescents. Utah/Highland: Real peoples Press.Google Scholar
  222. Oaklander, V. (1979). A gestalt therapy approach with children through the use of art and creative expression. In E. H. Marcus (ed.), Gestalt therapy and beyond: An integrated mind-body approach, (pp. 235–247). California: Meta.Google Scholar
  223. Oaklander, V. (1988). Windows to our children: A gestalt therapy approach to children and adolescents. 2nd ed. New York: The gestalt Journal Press.Google Scholar
  224. Ofman, D. & Weck, R. van de (2000). De kernkwaliteiten van het enneagram, (pp 20–37). Schiedam: Scriptum management.Google Scholar
  225. Orr, P. (2007). Video intervention with special populations: looking for inherent qualities. International Journal of Special Education, 22(1), 118–124.Google Scholar
  226. Ouden, F. den & Ploeger, M. (2002). Westerse wijsheden, oosterse mandala’s. Inspirerende beelden, spreuken en qforismen als leidraad in het leven. Amsterdam: Schors.Google Scholar
  227. Parker-Bell, B. (1999). Embracing a future with computers and art therapy. Journal of the American Art Therapy Association, 25(3), 129–133.Google Scholar
  228. Pas, A. van der (1996). Handboek methodische ouderbegeleiding 2. Naar een psychologie van het ouderschap. Rotterdam: Ad Donker.Google Scholar
  229. Pattis Zoja, E. (ed.). (2004). Sandplay therapy. Treatment and psychopathologies. Einsiedeln, Zwitserland: Daimon.Google Scholar
  230. Perls, F. (1973). Gestaltbenadering, gestalt in actie. Haarlem: De Toorts.Google Scholar
  231. Perls, F. S. (1947). Ego hunger and aggression: A revision of Freud’s theory and method. Londen: Allen & Unwin.Google Scholar
  232. Potocky, M. (1993). An art therapy group for clients with chronic schizophrenia. Social Work with Groups, 16(3), 73–82.Google Scholar
  233. Ramshorst, G. van (2004). Samenspel; samenwerking van gezinstherapeut en vakthe-rapeut bij gezinsdiagnostiek en behandeling. Systeemtherapie, 16(3).Google Scholar
  234. Rapp, E. (1980). Gestalt art therapy in groups. In R. Ronall & B. Feder (eds.), Beyond the hot seat. New York: Brunner / Mazel.Google Scholar
  235. Reibel, D., Greeson, J., Brainard, G. & Rosenzweig, S. (2001). Mindfulness-based stress reduction and health-related quality of life in a heterogeneous patient population. General Hospital Psychiatry, 23(4), 183–192.PubMedGoogle Scholar
  236. Rekkers, M. & Schoemaker, E. (eds.). (2002). Gewichtige lichamen, Lichaamsbeleving en eetstoornissen (p. 238). Leuven: Acco.Google Scholar
  237. Remmerswaal, J. (1998). Handboek groepsdynamica. Baarn: Nelissen.Google Scholar
  238. Remmerswaal, J. (2003). Handboek groepsdynamica.Een nieuwe inleiding op theorie en prak-tijk (hfdst 6.7, 6.11) (6e ed.). Soest: Nellissen.Google Scholar
  239. Rhyne, J. (1970). The gestalt Art experience. In J. Fagan & L. L. Shepherd (eds.), Gestalt therapy now.Theory techniques applications. New York: Harper & Row.Google Scholar
  240. Rhyne, J. (1973a). The gestalt approach to experience, art, and art therapy.Journal of the American Art Therapy Association, 12(4), 237–248.Google Scholar
  241. Rhyne, J. (1973b). The gestalt Art experience: Patternst that connect. Chicago: Magnolia Street Publishers.Google Scholar
  242. Rhyne, J. (1994). The gestalt art experience (Film).Google Scholar
  243. Ridder, D. T. D. de & Schreurs, K. M. G. (1994). Coping en sociale steun van chronisch zieken. Zoetermeer: Nationale Commissie Chronisch zieken.Google Scholar
  244. Riedel, I. (1992). Maltherapie. Stuttgart: Kreuz.Google Scholar
  245. Riley, S. (1985). ‘Draw me a paradox?’, Family art therapy utilizing a systemetic approach to change. Art Therapy, 2(3), 116–123.Google Scholar
  246. Riso, D. R., Hudson, R. & Geurink, H. (2005). Enneagram basisboek. De negen persoon-lijkheidstypen in kaart gebracht. Haarlem: Becht.Google Scholar
  247. Roberts, R. J. & Weerts, T. C. (1982). Cardiovascular responding during anger and fear imagery. Psychological Reports, 50, 219–230.PubMedGoogle Scholar
  248. Roeck, B. P. de (1987). Gras onder mijn voeten. Over gestalttherapie (10e ed.). Haarlem: De Toorts.Google Scholar
  249. Rogers, C. (1971). Cliënt als middelpunt. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  250. Roos, B. (2005). Company Big Five. Persoonlijk rapport. Woerden: EhrmVision.Google Scholar
  251. Rosenzweig, S., Reibel, D. K., Greeson, J. M., Brainard, G. C. & Hojat, M. (2003). Mindfulness-based stress reduction lowers psychological distress in medical student. Teaching and Learning in Medicine, 15(2), 88–92.PubMedGoogle Scholar
  252. Rutten-Saris, M. & Drift van der, I. J. (1990). Mevrouw P. (Videofilm). Nijmegen: EBL AT Centre.Google Scholar
  253. Rutten-Saris, M. (1983). Een goed gesprek is een dans. Film en filmtekst.Google Scholar
  254. Rutten-Saris, M. (1990). Basisboek lichaamstaal. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  255. Rutten-Saris, M. (1993). Kunst als de partituur van taal. Nijmegen: Creatieve Therapie Opleiding, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.Google Scholar
  256. Rutten-Saris, M. (2000). Art therapy with clients suffering from developmental disorders: an investigation of pre-representational drawing in relation to loco-motor developmentand Emergent-self. The reliability and validity of the Rutten-Saris-index to the diagnosis, assessment and treatment of paedo-sexual offender patients. (Thesis Mphil). Herfortshire: University of Herfortshire.Google Scholar
  257. Rutten-Saris, M. (2001). Leren als een baby. In C. Schweizer, In Beeld: Doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten, pp. 103–146. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  258. Rutten-Saris, M. (2002). The RS-Index: A diagnostic instrument for the assesment of interaction structures in drawings (Proefschrift, University of Hertfordshire, UK). Eigen beheer. www.eblcentre.com
  259. Rutten-Saris, M. (2008). RS-index motorische-elementen, EBL instrument voor diagnose, behandeling en evaluatie van cliënten met onbrekende, verstoorde of gestoorde EBL interactie-structuren. Eigen beheer. Geraadpleegd via: www.eblcentre.com .
  260. Salm, M. L. (2007). Module van sensopatische beeldende werkvormen voor de opnamegroep van patiënten met anorexia nervosa van Rintveld, centrumEeetstoornissen in Zeist, resultaat van het Praktijkproject. Utrecht: Hogeschool van Utrecht, afdeling Creatieve Therapie Beel-dend.Google Scholar
  261. Salm, M. L. (2007). Onderzoek naar het effect van het aanbieden van een module sensopatische beeldende werkvormen op de beleving van de anorexia nervosa patiënten van de opnamegroep van Rintveld, centrum Eetstoornissen in Zeist. Utrecht: Hogeschool van Utrecht, afdeling Creatieve Therapie Beeldend.Google Scholar
  262. Scheller Dikkers, S. (1998, september). ‘Waar woorden tekort schieten’, Gezinstherapie, 10(3), 157–172.Google Scholar
  263. Schipholt, I. L. (Juli 2007). Behandelen met meditatie, Grondlegger Kabat-Zinn over de mogelijkheden van mindfulness. Medisch Contact, 62.Google Scholar
  264. Schmeets, M. G. J. & Verheugt-Pleiter, J. E. (2005). Affectregulatie bij kinderen. Een psychoanalytische benadering. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  265. Schulz von Thun, F. (1982). Hoe bedoelt u? Een psychologische analyse van menselijke communicatie. Goningen: Wolters NoordhoffGoogle Scholar
  266. Schurink, G. (2004). Aandachtgerichte cognitieve therapie bij depressie: een methode die past in het domein van de cognitieve gedragstherapie. Tijdschrvft Gedragstherapie, 3(37)Google Scholar
  267. Schuthof, P. & Teijken, C. (1975). Creative Problem Solving.Beeldend ondertmjs (Reader). Groningen: Wolters-Noordhoff.Google Scholar
  268. Schweizer, C. (red.). (2001). In Beeld: Doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  269. Segal, Z. V., Williams, J. M. G. & Teasdale, J. D. (2004). Aandachtgerichte cognitieve thetapie bij depressie, een nieutue methode om terugtml te uoorkomen. Amsterdam: Nieuwezijds.Google Scholar
  270. Senders, M. & Kemper, S. (2005). Probleemgericht actiwteitenaanbod & handuaten uoor de creatief therapeutische behandeling van depressiwteit (Afstudeerproject). Utrecht: Hoge-school van Utrecht.Google Scholar
  271. Shuman, S. G. (1989). Source imagery. New York: Doubleday.Google Scholar
  272. Simonton, O. C. e.a. (1980). Psychological intervention in the treatment of cancer. Psychosomatics, 21, 226–227.PubMedGoogle Scholar
  273. Smeijsters, H. (2000).Handboek creatieve therapie. Bussum: Coutinho.Google Scholar
  274. Smeijsters, H. (1995). Handboek muziektherapie: Theoretische en methodische grondslagen uoor de behandeling van psychische stoornissen en handicaps. Heerlen: Melos.Google Scholar
  275. Smeijsters, H. (2002). De toegevoegde waarde van creatieve therapie. Tijdschrvft uoor Creatieve Therapie, 2002(4), 9Google Scholar
  276. Smeijsters, H. (2007). De muziek van het gevoel gemeten. Tijschrift voor Valrtherapie, 2007(2), 26–35.Google Scholar
  277. Smeijsters, H. (2007).Emotion Jocused vaktherapieen (Lezing) Studiedag GNOON vak-therapie bij GGNet te Apeldoorn.Google Scholar
  278. Smeijsters, H. (2008a). De kunsten van het Ieven. Hoe kunst bijdraagt aan een emotioneel gezond leven. Diemen: Veen.Google Scholar
  279. Smeijsters, H. (red.). (2008b). De kunsten van het leuen. Casusboek. Diemen: Veen.Google Scholar
  280. Smeijsters, H. (2008c). Handboek Creatieve Therapie (3e ed.). Bussum: Coutinho.Google Scholar
  281. Smits, M. (2002). Creatieve therapie met gezinnen, een module. Tijdschrvft uoor Creatieve Therapie, 1, 25–31.Google Scholar
  282. Smits, M. (2008). De do’s en de do-nots in beeldende therapie met gezinnen. Tijdschrvft uoor Valrtherapie, 1.Google Scholar
  283. Smitskamp, H. & Velde, te H. (1988). Het kreatief proces, toepassingen in therapie en onder-Wijs. Culemborg: Phaedon.Google Scholar
  284. Smitskamp, H. (1981). Vermarringen en ontdekkingen, onderzoek naar de kreatief procestheorie (Intern document). Amersfoort/Amsterdam: SPO Middeloo Amersfoort / Orthope-dagogisch instituut Amsterdam.Google Scholar
  285. Stern, D. (2004). The present moment in psychotherapy and everyday life. New York: W.W. Norton.Google Scholar
  286. Stern, D. N. (2000). The interpersonal world of the infant. A view from psychoanalysis and development psychology. New York: Basic Books.Google Scholar
  287. Strauss, H. & Strauss, M. (1976).Von den Zeichensprache des kleinen Kindes. Stuttgart: Freies Geistesleben.Google Scholar
  288. Taal, J. (1994). Imaginatie-therapie. Tijdschrvft voor Psychotherapie, 20(4), 227–246.Google Scholar
  289. Thunnissen, M. M. & Muste, E. H. (2002). Schematherapie in de klinisch-psycho-therapeutische behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Tijdschrvft uoor Psychotherapie 28, 385–401.Google Scholar
  290. Tophoff, M. (1994). Gestalttheorie als aesthetisches Veraenderungsparadigma. In Freiler, C. e.a. (eds.). 100 Jahre Fitz Perls, Tagungsband der int. Psychotherapietagung der fachsektion Juer Integrative gestalttherapie in OEAGG, (pp. 111–118). Wenen: Facultas.Google Scholar
  291. Tschachler-Nagy, G. & Fleck, A. (2006). Die Arbeit am Ton/eld nach Heinz Denser, Eine entiuicklungsfordernde Methode fur Kinder, Jugendliche und Erwachsene. Keutschnach: Gerhild Tschachler-Nagy.Google Scholar
  292. Tschachler-Nagy, G. & Fleck, A. (2007). Im Greifen sich begreifen, Die Arbeit am Tonfeld nach Heinz Denser. Keutschnach: Gerhild Tschachler-Nagy / Verlag Tonfeld - Anna Sutter. Geraadpleegd via: www.tonfeId.de
  293. Turner, B. A. Ph. D. (2005). The handbook ojsandplay therapy. Cloverdale CA: Temenos Press.Google Scholar
  294. Verheugt-PIeiter, J. E., Smeets, M. G. J. & Zevalkink, J. (2005). Mentaliseren in de kinder-therapie.. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  295. Verheul, R., Bosch, L. M. C. van den, Koeter, M. W. J. e.a. (2003). Dialectical behaviour therapy for women with Borderline Personality Disorder. British Journal of Psychiatry, 182,135–140.PubMedGoogle Scholar
  296. Verhulst, F. C. (2005). De ontiuikkeling van het kind. Assen: Koninklijke van Gorcum.Google Scholar
  297. Vernooij, F. A. M., Trier, J. van, Cheung, S. J. & Veer, N. van der (2008). Mindfulness-training op een afdeling psychiatrie en psychologic. Maandblad Geestelijke vollage-zondheid, 63(7/8) 613–624. Utrecht: Trimbos-instituut.Google Scholar
  298. Verschuren, H. (1994). Diagnostiek met de lute 8. Boekelo: IbdM-Twente.Google Scholar
  299. Vich, M. & Rhyne, J. (1967). Psychological growth and the use of art materials: Small group experiments with adults. Journal of Humanistic Psychology, 7(1), 163–170.Google Scholar
  300. Visch, L. & Zaat, M. (1993). Werken met taaldrukken, euaringen en ideeën. Baarn: Bosch & Keuning Didact.Google Scholar
  301. Visser, A. de (1989). Kunst met uoetnoten. Nijmegen: Sun.Google Scholar
  302. Visser, A. de (2001). Anders kijken. Nijmegen: Sun.Google Scholar
  303. Visser, K. & Hummelen, K. (1988). Verschillen in kreatieve therapie tussen borderliners en neurotische patienten. Tijdschrift uoor Kreatieue Therapie, 7, 11–13.Google Scholar
  304. Visser, K. (1999). Handboek basaal beeldend handelen. Amsterdam: Thela Thesis.Google Scholar
  305. Vreeswijk, M. F. van & Broersen, J. (2006). Schemagerichte therapie in groepen. Handleiding voor therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  306. Waard-van Maanen, E. de (2003). De ueldheer en de danseres. Leuven: Garant.Google Scholar
  307. Walen, S. e.a. (2001). Theorie en praktijk van de rationeel emotieve therapie. Handboek ouer RET. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg.Google Scholar
  308. Watzlawick, P. (1970). Pragmatische aspecten uan de menselijke communicatie. Deventer: van Loghum Slaterus.Google Scholar
  309. Weerman, A. (2006). Zes psychologische stromingen in één cliënt. Soest: Nelissen.Google Scholar
  310. Weinberg, D. J. (1985). The potential of rehabilitative computer art therapy for the quadriplegic, cerebral vascular accident and brain trauma patient. Art Therapy, 2(2), 66–72.Google Scholar
  311. Weinreb E. (1983). Images of the self, the sandplay therapy process. Boston: Sigo Press.Google Scholar
  312. Weiser, J. (1984). Phototherapy - becoming visually literate about oneself or, ‘Phototherapy??? What’s Phototherapy???’. Phototherapy, IV (2), 2–7.Google Scholar
  313. Weiser, J. (1986). Ethical considerations in phototherapy training and practice. Phototherapy, V(i), 12–17.Google Scholar
  314. Weiser, J. (1988). Phototherapy: Using Snapshots and photo-interactions in therapy with youth. In C. Schaefer (ed.), Innovative interventions in child and adolescent therapy. (pp. 339–376). New York: Wiley.Google Scholar
  315. Weiser, J. (2000). Photo therapy’s message for art therapists in the new millennium. Journal of the American Art Therapy Association, 17(3), 160–162.Google Scholar
  316. Whitmore, D. (1983). Psychosynthese en educatie. Amersfoort: De Horstink.Google Scholar
  317. Wiebenga, E. (1998). Ouderbegeleiding en systeemtherapie. Het systeemdenken als inspiratiebron voor methodische ouderbegeleiding. In M. W. M. Akkerman Zaalberg, H. van Leeuwen & N. Pameyer, Ouderbegeleiding nader bekeken. Schouders onder de ouders. Reeks Psycholotjte en praktijk. Amsterdam/Lisse: Swets & Zeitlinger.Google Scholar
  318. Wilberg, T. e.a. (1998). Outcomes of poorly functioning patients with personality disorders in a day treatment program. Psychiatric Services, 49, 1462–1467.PubMedGoogle Scholar
  319. Wils, L. (red.). (1973). Bij luijze van spelen, creatieve processen bij vorming en hulpverlening. Alphen aan den Rijn: Samsom.Google Scholar
  320. Winkelaar, P. (2004). Methodisch iverken, Inletdintj tot methodisch handelen met en voor mensen. Leusden: De Tijdstroom.Google Scholar
  321. Wolf, M.H.M. de (1998). Inleidintj in de psychoanalytische psychotherapie. Bussum: Coutinho.Google Scholar
  322. Wolters, B. J. (1977).Creatief denken. Groningen: Wolters NoordhoffGoogle Scholar
  323. Woodward, S. (1998). Usefulness of the Child Diagnostic Drawing Series within the child witness to domestic violence population. Canadian Art Therapy Journal, 12(1), 11–33Google Scholar
  324. Yalom, I. D. (1978). Groepspsychotherapie in theorie en praktijk. Deventer: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  325. Young, E. & Pijnaker, H. (1999). Cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoornissen, een schemagerichte benadering. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  326. Young, J. & Klosko, J. (1999). Leven in je leven. Leer de valkuilen in je Ieven herkennen. Amsterdam: Harcourt Assessment.Google Scholar
  327. Young, J. E. (1990). Cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoornissen: een schemagerichte benadering. Sarasota FL: Professional Resource Exchange.Google Scholar
  328. Young, J. E., Klosko, J. S. & Weishaar, M. E. (2005).Schemagerichte therapie: Handboek voor therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  329. Young, Y., Young, E. & Pijnaker, H. (1999). Cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoornissen, een schemagerichte benadering. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  330. Zinker, J. (1977). Creative Process in gestalt Therapy. New York: Brunner / Mazel.Google Scholar
  331. Zinker, J. (1973). Gestalt therapy is permission to be creative: A sermon in praise of the use of experiment in gestalt therapy. Voices, 9(4), 75.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2009

Authors and Affiliations

  • Celine Schweizer
  • Jacqueline de Bruyn
  • Suzanne Haeyen
  • Bert Henskens
  • Henriette Visser
  • Marijke Rutten-Saris

There are no affiliations available

Personalised recommendations