Advertisement

Fundamentele vaardigheden

  • Celine Schweizer
  • Jacqueline de Bruyn
  • Suzanne Haeyen
  • Bert Henskens
  • Henriette Visser
  • Marijke Rutten-Saris
Part of the Methodisch Werken book series (MET)

Op welke fundamenten berust het methodisch handelen van de beel-dend therapeut? In dit hoofdstuk staat deze vraag centraal. De drie basistheorieen uit paragraaf 1.4 en de werking van het brein vormen de opmaat naar dit hoofdstuk waarin als grondpatroon drie driehoe-ken centraal staan (zie afbeelding 2.1). Deze drie driehoeken vormen de basis van de funderende vaardigheden waarmee elke beeldend therapeut op een of andere manier zijn ‘gereedschapskist’ vult. Elke driehoek betreft een specifiek aandachtsgebied. De drie aandachts-gebieden bij elkaar dragen bij aan de basisvaardigheden, kennis, vaardigheden, attitude en het inzicht van de beeldend therapeut om doelgerichte interventies te plegen. De driehoeken zijn overigens niet specifiek voor de beeldend therapeuten en kunnen door alle vakthe-rapeuten toegepast worden. De driehoekvorm verwijst naar drie enti-teiten en naar de interacties tussen alle drie door middel van de drie lijnen. Welke betekenis op welke plaats staat afgebeeld, boven, onder, links of rechts, maakt geen verschil.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatuur

  1. Abraham, R. E. (2005). Het ontiuikkelingsprqfiel (3e ed.). Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  2. American Psychiatric Association (1994). DSM IV Tr (Diagnostic Statistic Manual of Mental Disorders). Washington: APA.Google Scholar
  3. Aydin, C. (2007). Charles S. Peirce, Fenomenologie van Een Twee Drie. In C. Aydin (red.),De velegezichten van de fenomenologie. Kampen: Klement.Google Scholar
  4. Banning, H. & Banning-Mull, M. (2006). Narratieve begeleidingkunde. Baarn: Nelissen.Google Scholar
  5. Beelen, F. & Oelers, M. (2000). Interactieve creatieve therapte met groepen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  6. Beelen, F. (2003). Gezins creatieve therapte. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  7. Boevink, W. e.a. (2007). Herstel, empowerment en ervaringsdeskundigheid, van mensen met psychtsche aandoeningen. Amsterdam: SWP.Google Scholar
  8. Bowlby, J. (1969). Attachment and loss. New York: Basic Books.Google Scholar
  9. Bringuier, J. C. (1982). Gesprekken met Piaget. Amsterdam: MeulenhofF.Google Scholar
  10. Buber, M. (1998). Ik en Jij (M. Storm, Trans.). Utrecht: Erven J. Bijleveld (oorspronkelijk werk gepubliceerd in 1924).Google Scholar
  11. Cane, F. (1951). The artist in each of us. Washington DC: Craftsbury Common.Google Scholar
  12. Cilissen, A. (2008). De creatief therapeutische driehoek (Interne publicatie). Heerlen: Opleiding Creatieve Therapie, Hogeschool Zuyd.Google Scholar
  13. Cluckers, G. e.a. (1986). Steungevende kinderpsychotherapie, een andere weg. Houten: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  14. Cooper, D. E. (1997). Immanuel Kant, Critique on aesthetic judgement. In D. E. Cooper, Aesthetics, the classical readings. Oxford: Blackwell.Google Scholar
  15. Cooper, D. E. (1997). John Dewey, Art as experience. In D. E. Cooper, Aesthetics, the classical readings. Oxford: Blackwell.Google Scholar
  16. Csikszentmihalyi, M. (1996). Creativity, flow and the psychology of discovery and invention. New York: Harper Collins.Google Scholar
  17. Damasio, A. (1998). De vergissing van Descartes, gevoel, verstand en het menselijke brein. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  18. Damasio, A. (2001). Ik voel, dus ik ben, hoe gevoel en Iichaam ons beiuustzijn vormen. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  19. Damasio, A. (2003). Het gelijk van Spinoza, vreugde, verdriet en het voelende brein. Amsterdam: Wereldbibliotheek.Google Scholar
  20. Dekkers, W. (2007). Maurice Merleau Ponty, De fenomenologie van het Iichaam. In C. Aydin (red.), De velegezichten van de fenomenologie. Kampen: Klement.Google Scholar
  21. Delft, van F. (2004). Overdracht en tegenoverdracht. Baarn: Nelissen.Google Scholar
  22. Dewey, J. (1934). Art as experience. New York: Peregri Books.Google Scholar
  23. Eco, U. (2005). De geschiedenis van de schoonheid. Amsterdam: Bert Bakker.Google Scholar
  24. Eco, U. (2007). De geschiedenis van de lelijkheid. Amsterdam: Bert Bakker.Google Scholar
  25. Edelman, G. & Tononi, G. (2001). A universe of consciousness, How matter becomes imagination. New York: Basic Books.Google Scholar
  26. Edwards, B. (2001). The new drawing on the right side of the brain. New York: Harper Collins.Google Scholar
  27. Eerenbeemt, E. van den & Heusden, A. van (1983). Balans in beweging. Haarlem: De Toorts.Google Scholar
  28. Eerenbeemt, E. van den (2007). De Iiefdesladder. Amsterdam: Archipel.Google Scholar
  29. Ehrenzweig, A. (1975). Psychoanalysis of artistic vision and hearing. Londen: Sheldon.Google Scholar
  30. Ehrenzweig, A. (1986). Onbewuste processen bij het horen en zien van (kunst)vormen (H. Smitskamp, Trans.) (Interne uitgave). Amersfoort: Sociaal Pedagogische Opleidingen, Middeloo. (oorspronkelijk werk gepubliceerd in (1953)Google Scholar
  31. Erikson, E. (1950). Het kind en de samenleving. Utrecht: Prisma.Google Scholar
  32. Erikson, E. (1968). Identiteit, jeugd en crisis. Utrecht: Prisma.Google Scholar
  33. Freeland, C. (2004). Maar is het kunst? Amsterdam: Prometheus.Google Scholar
  34. Freud, A. (1973). Het Ik en de qfweermechanismen. Bilthoven: Ambo.Google Scholar
  35. Freud, S. (1967). Interpretation of dreams. New York: Avon-Discus Books.Google Scholar
  36. Gadamer, H. G. (1960). Wahrheit und Methode. Tübingen: Mohr.Google Scholar
  37. Gadamer, H. G. (1993). De actualiteit van het schone, kunst als spel, symbool en feest. Meppel: Boom.Google Scholar
  38. Gerritsen, R. (2004). Reeks Kopstukken Filosofte. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  39. Goldschmidt, T. (2007). De kloten van de engel. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.Google Scholar
  40. Gombrich, E. (1996). Eeuiuige Schoonheid. Houten: Unieboek.Google Scholar
  41. Grabau, E. & Visser, H. (1987). Creatieve Therapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  42. Guilford, J. (1950). Creativity. New York: MacGraw-Hill.Google Scholar
  43. Guilford, J. (1967). The Nature qfhuman Intelligence. New York: MacGraw-Hill.Google Scholar
  44. Gurp, W. van (2001). Angst in beeld. In C. Schweizer (red.), In beeld: doekjroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  45. Habermas, J. (1981). Theorie des kommunikatieven Handelns. Frankfurt: Suhrkamp.Google Scholar
  46. Haeyen, S. (2007). Niet uitleven maar beleven, beeldende therapie bij persoonlijkheidsproblematiek. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  47. Hart, O. van der (1984). Rituelen in psychotherapie. Houten: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  48. Heijst, A. van (2006). Menslievende zorg, een ethische kijk op prqfessionaliteit. Kampen: Klement.Google Scholar
  49. Hellendoorn, J. (1985). Therapie kind en spel, bijdrage tot de beeldcommunicatie. Houten: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  50. Henrich, D. & Iser, W. (1982). Theorieën der Kunst. Frankfurt: Suhrkamp Taschen.Google Scholar
  51. Hermans, H. (2006). Dialoog en misverstand; Ieven met de toenemende bevolking van onze innerlijke ruimte. Soest: Nelissen.Google Scholar
  52. Heylen, M. & Janssens, K. (2001). Het contextuele denken. Woudenberg: Acco.Google Scholar
  53. Heymann, F. (1999). Denken en doen in dialootj, een methode voor behoeften articulatie en ontiuikkeling. Wageningen: Landbouwuniversiteit Wageningen.Google Scholar
  54. Hopman, M. (1999). Creatieve processen, over studie en beroepshouding van kunstenaars. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  55. Hopman, M. (1999). Creativiteit onder druk. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  56. Huizinga, J. (1938). Homo Ludens, proeve van ener bepaling van het spel in de cultuur. Haarlem: Tjeenk Willink.Google Scholar
  57. Hutschemaekers, G. (2001). Onder professionals, hulpuerleners en professionals in de GGZ. Meppel: Boom.Google Scholar
  58. Hutschemaekers, G., Tiemens, B. & Smit, A. (2006). Weg van prqfessionalisering. Wolf-heze: De Gelderse Roos.Google Scholar
  59. Itten, J. (1994). Kleurenleer. De Bilt: Cantecleer.Google Scholar
  60. Jacobs, G. e.a. (2008). Goed werk. Amsterdam: SWP.Google Scholar
  61. James, W. (1901). Principles of psychology. Londen: Harvard University Press.Google Scholar
  62. James, W. (1992). De hoofdsom van de psychologic (D. Draaisma Trans.). Lisse: Swets en Zeitlinger.Google Scholar
  63. Janssen-Vos, F. (2006). Spel en ontwikkeling. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  64. Jung, C. (1966). De mens en zijn symbolen. Rotterdam: Lemniscaat.Google Scholar
  65. Klijn, W. & Scheller-Dikkers, S. (2006). Waar woorden tekort schieten. Leuven: Acco.Google Scholar
  66. Kliphuis, M. (1957). Psychiatrische bezigheidstherapie.Maandblad geestelijke volkge-zondheid, 11.Google Scholar
  67. Kliphuis, M. (1973). Het hanteren van creatieve processen in vorming en hulpverlening. In L. Wils (red.), Bij wijze van Spelen, creatieve processen bij vorming en hulpverlening, (hfdst. 3). Alphen aan den Rijn: Samsom.Google Scholar
  68. Klompé, H. (2001). Sorry dat ik het papier verspild heb. In C. Schweizer (red.), In Beeld: Doehjroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  69. Kolb, D. (1984). Experiental learning, experience as the source of learning and development. New York: Prentice Hall.Google Scholar
  70. Kunneman, H. (1998). Postmoderne Moraliteit. Meppel: Boom.Google Scholar
  71. Kunneman, H. (2005). Voorbij het dtkke Ik. Amsterdam: SWP.Google Scholar
  72. Kwant, R. C. (1968). De wijsbetjeerte van Merleau Ponty. Utrecht: Prisma.Google Scholar
  73. Kwant, R. C. (1968). Mens en Expressie. Utrecht: Prisma.Google Scholar
  74. Laan, G. van der (2006). Maatschappelijk werk als ambacht, inbedding en belichaming. Amsterdam: Universiteit voor Humanistiek/SWP.Google Scholar
  75. Laan, G. van der (2007). De ambachtelijke professional. Tijdschrvft Sociale Interventie, 2.Google Scholar
  76. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtiijnontwikkeling (2007). Multidisciplinaire Richtiijn Depressie.www.ggzrichtiijnen.nl
  77. Landy, R. (1993). Dramatherapy concepts and practices. Springfield IL: C.C. Thomas.Google Scholar
  78. Lange, A. (2006). Gedragsveranderingen in gezinnen. Groningen: Wolters Noordhoff.Google Scholar
  79. Linehan, M. (2002). Dialertische gedragstherapie bij Borderline persoonlijkeidsstoornis. Amsterdam: Harcourt Assessment BV.Google Scholar
  80. Lubbers, R. (1966). Voortgang en nieuiv begin in de opvoeding, Beeldend verhalen als hulpmiddel bij opvoedingsmoeilijkheden. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  81. Lubbers, R. (1988). Psychotherapie door beeld en begripsvorming. Nijmegen: Dekker & Van de Vegt.Google Scholar
  82. Lusebrink, V. B. (1990). Imagery and visual expression in therapy. New York: Plenum Press.Google Scholar
  83. Mahler, M. (1974). Symbiosis and individuation, the psychological birth of the human infant. New York: Basic Books.Google Scholar
  84. Malan, D. (2000). Indviduele psychotherapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  85. Meel-Jansen, A. Th. van (1998). De kunst verstaan. Inleiding in de psychologic van de beeldende kunst. Assen/Maastricht: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  86. Merleau-Ponty, M. (1945). Phenomenologie de la Perception. Parijs: Gallimard.Google Scholar
  87. Merleau-Ponty, M. (1964). Le visible et Ie invisible. Parijs: Gallimard.Google Scholar
  88. Milders, C. & van Tilburg, W. (1988). Systeemdenken, een kritische benadering. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  89. Molen, H. van der, Perreijn, S. & Hout, M. van den (2008). Klinische psychologic, theorieën en psychopathologie. Groningen: Wolters Noordhoff.Google Scholar
  90. Molenaar-Coppens, E. (1992). Onderzoeksvoorstel Beeldwaarneming in Kreatieve Therapie. HAN-intern.Google Scholar
  91. Molenaar-Coppens, E. (1995). Krom en recht: De kromme en de rechte als symbool. Tijdschrift voor Creatieve Therapie, 2.Google Scholar
  92. Molenaar-Coppens, E. (2004). Beeldwaarneming. In: Reader van het Symposium Vakbouquet, Innovatie en Kwaliteit in non-verbale therapie en agogie. Meerkanten GGZ Flevo-Veluwe (pp. 23–30).Google Scholar
  93. Muijen, H. (2001). Metqfoor tussen magic en methode. Kampen: Agora.Google Scholar
  94. Oppen, P. van (2004). Cognitive therapy for obsessive-compulsive disorder. Clinical Case Studies, 3, 333–349.Google Scholar
  95. Oppen, P. van & Arntz, A. (1994). Cognitive therapy for obsessive-compulsive disorder. Behavior Research and Therapy, 32, 79–87.Google Scholar
  96. Pameijer, N. e.a. (2004). Handelingsgerichte diagnostiek. Amersfoort: Acco.Google Scholar
  97. Peirce, C. S. (1958). Collected Papers 1931–1935. Harvard: Harvard University Press.Google Scholar
  98. Piaget, J. & Inhelder, B. (1972). De psychologic van het kind. Houten: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  99. Rankanen, M. e.a. (2007). Taideterapian perusteet (of Art Therapy). Helsinki: Duodecim.Google Scholar
  100. Ricoeur, P. (1992). Oneself as Another. Chigago: Chicago University Press.Google Scholar
  101. Rogers, C. (1951). Clientcentered therapy its current practice, implications and theory. Boston: Houghton Mifflin.Google Scholar
  102. Rogers, C. (1954). Psychotherapy and personal change. Chigago: Chicago University Press.Google Scholar
  103. Rogers, C. (1961). On becoming a person. Boston: Houghton Mifflin.Google Scholar
  104. Ruijssenaars, A. (2001). Leerproblemen en leerstoornissen. Heemstede: Lemniscaat.Google Scholar
  105. Rutten-Saris, M. (1990). Basisboek Lichaamstaal. Assen: Koninlijke Van Gorcum.Google Scholar
  106. Sandler, J. (1976). Countertransference and role responsiveness. The International Review of Psycho-Analysis, 3.Google Scholar
  107. Sandler, J., Dare, C. & Holder, A. (1973). The patient and the analyst: The basis of the psychoanalytic process. London: Allan & Unwin.Google Scholar
  108. Schön, D. A. (1983). The reflective practitioner. New York: Basic Books.Google Scholar
  109. Schön, D. A. (1988). Educating the reflective practitioner. San Francisco: Jossey Bass.Google Scholar
  110. Schuld, H. (2008). Ethiek achter de visie. (Intern paper t.b.v. master opleiding Begelei-dingskunde. Rotterdam: Erasmus Hogeschool te Rotterdam.Google Scholar
  111. Schweizer, C. (red.). (2001). In Beeld: doelgroepgerichte behandelmethoden van beeldend therapeuten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  112. Seligmann, M. (2006). Authentic Happiness. Londen: Nicolas Brealey.Google Scholar
  113. Smeets, M. & Verheugt-Pleiter, J. (2005). Afjertregulatte bij kinderen, een psychoanalytische benadering. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  114. Smeets, M. & Verheugt-Pleiter, J. (2005). Afjertregulatte bij kinderen, een psychoanalytische benadering. Assen: Koninklijke Van Gorcum.Google Scholar
  115. Smeijsters, H. (2008). De kunsten van het Ieven (deel 2). Diemen: Veen.Google Scholar
  116. Smeijsters, H. (2000, 2008). Handboek creatieve therapie (3e ed.). Bussum: Coutinho.Google Scholar
  117. Smeijsters, H. (red.). (2006). Handboek Muziektherapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  118. Stangos, N. (1994). Concepts of modern Art. New York: Thames & Hudson.Google Scholar
  119. Stern, D. (1985). The interpersonal world of the infant. New York: Basic Books.Google Scholar
  120. Stern, D. (2004). The present moment in psychotherapy and everyday life. New York: Basic Books.Google Scholar
  121. Storr, A. (1981,1997). Psychotherapie als kunst. Assen: Boom.Google Scholar
  122. Timmers-Huigen, D. (2001). Meer dan luisteren. Amsterdam: Reed Elsevier.Google Scholar
  123. Tonkens, E. (red.). (2006). Handboek moraliseren. Amsterdam: Van Gennep.Google Scholar
  124. Tromp, C. (2004). Breedbeeldivetenschap. Utrecht: Jan van Arkel.Google Scholar
  125. Verhofstadt-Deneve, L., Vyt, A. & Geert, P. van (2003). Handboek Ontiuikkelingspsychologie, grondslagen en theorieën. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  126. Vermeer, E. (1962). Spel en spelpedagogische problemen. Utrecht: Bijleveld.Google Scholar
  127. Visser, H. (2007). Vraagverheldering in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Amsterdam: SWP.Google Scholar
  128. Vossen, A. (1976). Zichzelf tuorden in de menselijke relatie. Haarlem: De Toorts.Google Scholar
  129. Waal, F. de (2005). De aap en dejilosoqf hoe de moraal is ontstaan. Amsterdam: Contact.Google Scholar
  130. Wallas, G. & Smith, R. (1926). Art of Thought. New York: Harcourt.Google Scholar
  131. Watzlawick, P. (1975). Pragmatische aspecten van de menselijke communicatie. Houten: Van Loghum Slaterus.Google Scholar
  132. WHO-FIC Collaborating Centre. (2002). Nederlandse vertaling van de International Classification of Functioning, Diseases and Health. Bilthoven: RIVM.Google Scholar
  133. Widdershoven, G. (2000). Ethiek in de kliniek. Amsterdam: Boom.Google Scholar
  134. Wils, L. (1973). Expressie en creativiteit, wijsgerige notifies. In L. Wils (red.). Bij wijze van Spelen, creatieve processen bij vorming en hulpverlening, (hfdst. 2). Alphen aan den Rijn: Samsom.Google Scholar
  135. Winnicott, D. (1964). The child, the family and the outside world. Harmondworth: Penguin.Google Scholar
  136. Winnicott, D. (1987). Playing and reality. Londen: Routledge.Google Scholar
  137. Yalom, I. (1983). Inpatient group psychotherapy. New York: Basic Books.Google Scholar
  138. Young, J. & Klosko, J. (2002). Leven in je Ieven, leer de valkuilen in je Ieven kennen. Amsterdam: Harcourt.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2009

Authors and Affiliations

  • Celine Schweizer
  • Jacqueline de Bruyn
  • Suzanne Haeyen
  • Bert Henskens
  • Henriette Visser
  • Marijke Rutten-Saris

There are no affiliations available

Personalised recommendations