Advertisement

Ondertoezichtstelling

  • C.H.C.J. van Nijnatten

Samenvatting

De ondertoezichtstelling is een justitiële interventie in het ouderlijk gezag. Indien het niet goed gaat met een kind en het ernstige vermoeden bestaat dat de oorzaak hiervan ligt in het onvoldoende functioneren van het ouderlijk gezag, kan de kinderrechter besluiten een gezinsvoogd aan te stellen. Deze persoon overlegt met de ouders over de te nemen beslissingen aangaande het kind.

Literatuur

  1. Doek, J. (1972). 50 Jaar Ondertoezichtstelling. Zwolle: Tjeenk Willink.Google Scholar
  2. Gadsby Waters, J. (1992). The supervision of child protection work. Avebury: Aldershot.Google Scholar
  3. Hoogsteder, M., & Suurmond, J. (1997). ‘Je krijgt er een beschermengel bij. Onderzoek naar de communicatie tussen gezinsvoogden en ouders in het kader van een ondertoezichtstelling. Utrecht: Universiteit van Utrecht.Google Scholar
  4. Jonkers, J. (1996). Middelen bij de uitvoering: de aanwijzing, omgangsregeling en de medische behandeling. In J. Jonkers, H. v.d. Bosch & A. Ayal (red.). De ondertoezichtstelling. Juridische handleiding voor de uitvoeringspraktijk (pp. 45-50). Utrecht: Vedivo.Google Scholar
  5. Jonkers, J., & Nijnatten, C. van (1997). Ondertoezichtstelling of ontheffing? Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, 19, 73-78.Google Scholar
  6. Mertens, N. (1993). De ondertoezichtstelling en andere maatregelen van kinderbescherming. Een dossieronderzoek. ‘s-Gravenhage: Ministerie van Justitie/WODC.Google Scholar
  7. Mertens, N. (1996). Gezinsvoogden aan het werk. De uitvoering van de ondertoezichtstelling in 1993. ‘s-Gravenhage: Ministerie van Justitie/WODC.Google Scholar
  8. Nijnatten, C. van (1995). Het gezicht van gezag. Visies op gezagsrelaties. Amsterdam/Meppel: Boom.Google Scholar
  9. Nijnatten, C. van (1999). Kinderen als medeburgers. De rechten van kinderen. Comenius, 19, 3-16.Google Scholar
  10. Normenrapport ii. Overzicht van beleidsuitgangspunten van categorieën zaken door (de sociale afdeling van) de Raden voor de kinderbescherming. September 1992, bijlage 3 bij de brief van de staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer, 1992-1993, 21. 980, nr. 9.Google Scholar
  11. Ruyter, D. de (1993). Met recht ingrijpend. Een pedagogisch criterium voor het opleggen van hulp. (academisch proefschrift) Amsterdam.Google Scholar
  12. Singer, E. (1996). De bestaans(on)zekerheid van pleegkinderen. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 7/8, 342-351.Google Scholar
  13. Slot, N.W., Tooren, A. van & Bijl, B. (2005). Bescherming in ontwikkeling. De evaluatie van de methodische vernieuwing in het kader van ‘Deltaplan Kwaliteitsverbetering Gezinsvoogdij’. Amsterdam: Vrije Universiteit, PI Research.Google Scholar
  14. Vedivo (2000). Leiding geven aan verandering. Een visie op de inhoud van het werk van gezinsvoogden. Utrecht: Vedivo.Google Scholar
  15. Weterings, A. (1998). Het belang van het kind. In A. Weterings (red.), Pleegzorg in balans. Bestaanszekerheid voor kinderen (pp. 61-76). Leuven/Apeldoorn: Garant.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2005

Authors and Affiliations

  • C.H.C.J. van Nijnatten

There are no affiliations available

Personalised recommendations