Advertisement

Inleiding

  • A. C. Hendriks
  • W. Kool
  • A. Oosterlee
  • Y. M. Reidsma
  • L. S. Rieter

De medische beroepsuitoefening voltrok zich tot ver na de Tweede Wereldoorlog op aanmerkelijke afstand van het juridische domein. Er waren wel juridische regels die de medicus practicus in acht diende te nemen bij zijn beroepsuitoefening (bijvoorbeeld de regels met betrekking tot het opstellen van overlijdensverklaringen en die met betrekking tot besmettelijke ziekten), maar die regels hoefden niet als knellend te worden ervaren. Ver weg was de wereld van de strafrechtspleging, waar hoogstens artsen mee te maken kregen die zich – in strijd met wat hun door hun leermeesters was voorgehouden – hadden laten overhalen medewerking te verlenen aan abortus provocatus. Daarnaast was er het medische tuchtrecht, waar een fatsoenlijke en bekwame arts evenmin spoedig mee in aanraking kwam. Dat was eerder het forum waar de normen van de professie tot gelding werden gebracht jegens de (weinige) onverbeterlijke brokkenmakers en brekebenen, de verslaafden aan alcohol en narcotica en de zwakke broeders die de grenzen der betamelijkheid niet in acht namen. Het privaatrechtelijke aansprakelijkheidsrecht was evenmin een levende realiteit waar het de beroepsuitoefening van de arts betrof. Complicaties en teleurstellende behandelingsresultaten werden door patiënten en hun nabestaanden uiteraard betreurd, maar leidden zelden tot de overtuiging dat – gelet op de uitkomst – jegens de patiënt wanprestatie was gepleegd of onrechtmatig was gehandeld. Het gebeurde dan ook zelden dat een eis tot schade schadevergoeding werd gericht tot de arts of de instelling. Het was een door velen gedeelde overtuiging in brede lagen van de bevolking: hoe beroerd de afloop ook was, aan de dokter had het niet gelegen.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatuur

  1. Bersee APM, Pluimaker WHMA. De Wet BIG. De betekenis van de wet voor de beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. 4e druk. Lelystad: Vermande; 1998.Google Scholar
  2. Engberts DP. Met permissie. Morele argumentatie inzake het toestemmingsbeginsel bij de totstandkoming van de Wet Geneeskundige Behandelings-Overeenkomst. Deventer: Kluwer; 1997.Google Scholar
  3. Engberts DP, et al. (red). Ethiek & recht in de gezondheidszorg (losbl.). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum; 1989.Google Scholar
  4. Keurentjes RBM. De Wet BOPZ. De betekenis voor de beoefenaren in de geestelijke gezondheidszorg. 3e druk. Lelystad: Vermande; 1999.Google Scholar
  5. Leenen HJJ. Handboek Gezondheidsrecht. Deel I. Rechten van mensen in de gezondheidszorg. 4e druk. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum; 2000.Google Scholar
  6. Leenen HJJ. Handboek gezondheidsrecht. Deel II. Gezondheidszorg en recht. 4e druk. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum; 2002.Google Scholar
  7. Mulder HC. Het medisch kunnen. Technieken, keuzen en zeggenschap in de moderne geneeskunde. Assen: Van Gorcum; 1996.Google Scholar
  8. Rang JF. Patiëntenrecht. Inaugurele rede Rijksuniversiteit Leiden. Leiden: Stafleu; 1973.Google Scholar
  9. Schuyt CJM. Tussen witte jassen en zwarte toga’s. De plaats van het gezondheidsrecht in de moderne samenleving. In: Hubben JH, Roscam Abbing HDC (red). Gezondheidsrecht in perspectief. 25 jaar Vereniging voor Gezondheidsrecht. Utrecht: De Tijdstroom; 1993. p. 156–168.Google Scholar
  10. Sluijters B, Biesaart MCIH. De geneeskundige behandelingsovereenkomst. 2e druk. Deventer: Kluwer; 2005.Google Scholar
  11. Stolker CJJM. De relatie tussen artsen en juristen. MC 1994;49:1361–1364.Google Scholar
  12. Weyers H. Euthanasie: het proces van rechtsverandering. Amsterdam: AUP; 2004.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2006

Authors and Affiliations

  • A. C. Hendriks
  • W. Kool
  • A. Oosterlee
  • Y. M. Reidsma
  • L. S. Rieter

There are no affiliations available

Personalised recommendations