Advertisement

Mictie, moeilijke

  • R. J. C. Norg
  • R. A. G. Winkens
  • C. P. van Schayck
  • J. A. Knottnerus

Voor de meeste mensen is plassen iets vanzelfsprekends. Toch komt er fysiologisch en psychologisch heel wat bij kijken. Verscheidene processen in het lichaam moeten op elkaar worden afgestemd en voor menigeen is ook een ‘veilige’ omgeving nodig. Uiteenlopende oorzaken kunnen het moeilijk maken te plassen. De moeilijkheden bij het plassen hebben voor iedere patiënt weer een eigen inhoud en betekenis. Bij sommige mensen staat het moeilijk op gang komen van de urine voorop, bij andere de moeilijkheid om de blaas leeg te plassen, of dat de straal zo zwak is, dat de urine eruit druppelt in plaats van eruit stroomt. In het uiterste geval kan moeilijk plassen leiden tot een acute urineretentie. De genoemde onderdelen van de klacht moeilijk plassen komen vaak samen voor, maar niet altijd. Dezelfde klacht kan op verschillende manieren worden gepresenteerd. De beleving van de klacht speelt daarbij een grote rol.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatuur

  1. 1.
    Chai TC, Belville WD, McGuire EJ, et al. Specificity of the American Urological Association voiding symptom index: comparison of unselected and selected samples of both sexes. J Urol 1993; 150(5 Pt 2): 1710–1713PubMedGoogle Scholar
  2. 2.
    Chancellor MB, Rivas DA. American Urological Association symptom index for women with voiding symptoms: lack of index specificity for benign prostate hyperplasia. J Urol 1993; 150(5 Pt 2): 1706–1709PubMedGoogle Scholar
  3. 3.
    Groutz A, Blaivas JG. Non-neurogenic female voiding dysfunction. Curr Opin Urol 2002; 12(4): 311–316PubMedCrossRefGoogle Scholar
  4. 4.
    Koning M, Streefkerk JG. Kleine kwalen in de huisartsgeneeskunde; smegma en fysiologische fimose. Ned Tijdschr Geneeskd 1995; 139(32): 1632–1634PubMedGoogle Scholar
  5. 5.
    Wolfs GGMC, Knottnerus JA, Janknegt RA. Prevalence and detection of micturition problems among 2,734 elderly men. J Uro 1994; 152(5 Pt 1): 1467–1470Google Scholar
  6. 6.
    Lagro-Janssen ALM, Breedveldt Boer HP, Dongen JJAM van, et al. NHG-Standaard Incontinentie voor urine. Huisarts Wet 1995; 38(2): 71–80Google Scholar
  7. 7.
    Shvartzman P, Borkan JM, Stoliar L. Second-hand prostatism: effects of prostatic symptoms on spouses’ quality of life, daily routines and family relationships. Fam Pract 2001; 18(6): 610–613PubMedCrossRefGoogle Scholar
  8. 8.
    Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Bussum: Coutinho; 1998.Google Scholar
  9. 9.
    Linden MW van der, Wester GP, Bakker DH de, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM; 2004.Google Scholar
  10. 10.
    Jacobsen SJ, Girman CJ, Guess HA. Natural history of prostatism: factors associated with discordance between frequency and bother of urinary symptoms. Urology 1993; 42(6): 663–671PubMedCrossRefGoogle Scholar
  11. 11.
    Wolters RJ, Spigt MG, Reedt Dortland PFH van et al. NHG-Standaard Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen. Huisarts Wet 2004; 47 (12): 571–586Google Scholar
  12. 12.
    Nguyen JK. Diagnoses and treatment of coiding dysfunction caused by urethral obstruction after antiincontinence surgery. Obstet Gynecol Surv 2002; 57(7): 468–475PubMedCrossRefGoogle Scholar
  13. 13.
    Reynard JM, Peters TJ, Lamond E, et al. The significance of abdominal straining in men with lower urinary tract symptoms. Br J Urol 1995; 75(2): 148–153PubMedCrossRefGoogle Scholar
  14. 14.
    Reynard J, Lim C, Abrams P, et al. The significance of intermittency in men with lower urinary tract symptoms. Urology 1996; 47(4): 491–496PubMedCrossRefGoogle Scholar
  15. 15.
    Reynard JM, Lim C, Peters TJ, et al. The significance of terminal dribbling in men with lower urinary tract symptoms. Br J Urol 1996; 77(5): 705–710PubMedGoogle Scholar
  16. 16.
    Bentvelsen FM, Schröder FH. Modalities available for screening for prostate cancer. Eur J Cancer 1993; 29A: 804–811PubMedCrossRefGoogle Scholar
  17. 17.
    Bangma CH (red). Urologie. Houten, Mechelen: Bohn Stafleu Van Loghum; 2002.Google Scholar
  18. 18.
    Timmermans AE, Baselier PJAM, Winkens RAG, et al. NHG-Standaard Urineweginfecties (eerste herziening). Huisarts Wet 1999; 42(13): 613–622Google Scholar
  19. 19.
    Winkens RAG, Leffers P, Trienekens TAM, Stobberingh EE. The validity of urine examination for urinary tract infections in daily practice. Fam Pract 1995; 12: 290–293PubMedCrossRefGoogle Scholar
  20. 20.
    Nelissen-Arets JHG, Stobberingh EE, Winkens RAG. Plaatsbepaling van de dipslide in de dagelijkse huisartspraktijk. Huisarts Wet 2002; 45(2): 62–66Google Scholar
  21. 21.
    Catalona WJ, Beiser JA, Smith DS. Serum free prostate specific antigen and prostate specific antigen density measurements for predicting cancer in men with prior negative prostatic biopsies. J Urol 1997; 158(6): 2162–2167PubMedCrossRefGoogle Scholar
  22. 22.
    Catalona WJ, Parin AW, Slawin KM, et al. Use of the percentage of free prostate-specific antigen to enhance differentiation of prostate cancer from benign prostatic disease: a prospective multicenter clinical trial. JAMA, 1998; 279(19): 1542–1547PubMedCrossRefGoogle Scholar
  23. 23.
    Catalona WJ, Partin AW, Finlay JA, et al. Use of percentage of free prostate-specific antigen to identify men at high risk of prostate cancer when PSA levels are 2,51 to 4 ng/ml and digital rectal examination is not suspicious for prostate cancer: an alternative model. Urology 1999; 54(2): 220–224PubMedCrossRefGoogle Scholar
  24. 24.
    McConnell JD, Barry MJ, Bruskewitz RC, et al. Benign Prostatic Hyperplasia: Diagnosis and Treatment. Clinical Practice Guidelines No. 8 AHCPR Publ. No. 94-0582. Rockville, MD: Agency for Health Care Policy and Research, U.S. Dept. Health Human Service, 1994.Google Scholar
  25. 25.
    Waart TH van der, Boender H, Beek C van de, et al. Utility of ultrasound of the upper urinary tract in elderly men with indicators of obstructive symptoms or abnormal flow: how often can silent hydronephrosis be detected in general practice? Fam Pract 1998; 15(6): 534–536PubMedCrossRefGoogle Scholar
  26. 26.
    Griffiths D. Basics of pressure-flow studies. World J Urol 1995; 13(1): 30–33PubMedCrossRefGoogle Scholar
  27. 27.
    Griffiths DJ. Pressure-flow studies of micturition. Urol Clin North Am 1996; 23(2): 279–297PubMedCrossRefGoogle Scholar
  28. 28.
    Abrams PH, Griffiths DJ. The assessment of prostatic obstruction from urodynamic measurements and from residual urine. Br J Urol 1979; 51(2): 129–134PubMedCrossRefGoogle Scholar
  29. 29.
    Schäfer W. Analysis of bladder-outlet function with the linearized passive urethral resistance relation, linPURR, and a disease-specific approach for grading obstruction: from complex to simple. World J Urol 1995; 13(1): 47–58PubMedCrossRefGoogle Scholar
  30. 30.
    Knottnerus JA, Wolfs GGMC, Muyrers PEM. Benigne prostaathyperplasie: een probleem voor patiënt en huisarts. Huisarts Wet 1989; 32(11): 420–427Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2007

Authors and Affiliations

  • R. J. C. Norg
    • 1
  • R. A. G. Winkens
    • 2
  • C. P. van Schayck
    • 3
  • J. A. Knottnerus
    • 4
  1. 1.Universiteit MaastrichtMaastricht
  2. 2.Academisch Ziekenhuis MaastrichtMaastricht
  3. 3.Universiteit MaastrichtMaastricht
  4. 4.Hoogleraar HuisartsgeneeskundeUniversiteit MaastrichtMaastricht

Personalised recommendations