Advertisement

1 Algemene inleiding

  • A. van Nieuw Amerongen
Chapter
  • 729 Downloads

Samenvatting

Uit deze algemene inleiding kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Speeksel heeft een grote verscheidenheid aan functies die vooral te maken hebben met de bescherming van de harde en zachte mondweefsels.

  • Speeksel is daarnaast betrokken bij groei en ontwikkeling van alle orale weefsels.

  • Bovendien speelt speeksel een essentiële rol bij smaakgewaarwording en spijsvertering.

  • Door de ontwikkelingen in de biotechnologie zijn nieuwe ontstekingsremmers, bloedstollingsremmers en antibiotica gesynthetiseerd op basis van speekseleiwitten, zoals histatinen.

  • Speekselanalyse kan gebruikt worden bij de diagnostiek van een aantal systemische aandoeningen.

  • Onderzoek van insectenspeeksels heeft verschillende farmacologische toepassingen opgeleverd voor antibloedstolling, bloedvatverwijding en remming van ontstekingen.

1.1 Inleiding

In een etymologisch woordenboek kunnen de herkomst en verwantschap van woorden worden nagezocht. Daarmee worden woorden in het Oudnederlands die verband houden met het woord ‘speeksel’ opgespoord. In het Middelnederlands worden voor speeksel de volgende woorden gebruikt: ‘spekele’ en ‘spedel’ en in het Oudsaksisch: ‘spekaldra’. In 1351 wordt speeksel gespeld als ‘speecsel’ en in het Duits als Speichel. Het woord ‘spugen’ heeft in de loop der eeuwen eveneens verschillende spellingen gehad: ‘spijen’, ‘spuigen’ en ‘spoegen’. Als zelfstandig naamwoord werd ‘spuug’ ook geschreven als ‘spog’ of ‘spoch’. In dialecten komen deze woorden soms nog voor. Het Engelse woord saliva is net als het Franse woord salive afgeleid van het Latijnse woord saliva. Het woord ‘speeksel’ heeft dezelfde stam als ‘spuwen’, ‘spijen’, ‘spietsen’ en ‘sputum’. Vroeger werden ‘spuug’ en ‘sputum’ als synoniem gebruikt voor speeksel, tegenwoordig wordt ‘sputum’ gebruikt om de longvloeistof aan te duiden.

Het woord ‘speeksel’ wordt vaak als synoniem gebruikt voor ‘mondvocht’ of ‘mondvloeistof’. Per definitie is speeksel echter alleen de vloeistof die door de speekselklieren wordt uitgescheiden in de mondholte, dat wil zeggen zonder bijmengingen. Elke speekselklier scheidt haar specifieke ‘klierspeeksel’ uit. Mondvloeistof is een optelsom van alle klierspeeksels plus het vocht dat via de sulcus gingivalis wordt uitgescheiden, de ‘creviculaire vloeistof’ . Bovendien bevat mondvloeistof ook enige bijmenging vanuit serum dat via een beschadigde mucosa binnenlekt, en daarnaast bestanddelen die afkomstig zijn van micro-organismen en in sommige gevallen uit de voeding.

Vroeger was het normaal dat tabakspruimers het speeksel uitspuugden, zodat in de huiskamers van weleer een spuwbak of een ‘kwispedoor’ aanwezig was, waarin de heren tijdens hun gesprekken aan community spitting konden doen. Nog altijd is het in China hier en daar een volksgewoonte om speeksel uit te spugen. Mogelijk komt in deze gewoonte nu toch verandering door meer contacten met de westerse wereld en ook door het groeiende besef dat besmettelijke virale aandoeningen zoals SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) via speeksel verspreid kunnen worden.

In spreekwoorden en gezegden wordt speeksel vaak in negatieve zin gebruikt (tabel 1.1). Bekend van onder andere de Gotische bouwkunst zijn de waterspuwers (gargouilles), vaak figuurtjes met een sinister uiterlijk van duivels of roofvogels, toegepast voor de afvoer van hemelwater.

Tabel 1.1

Negatieve uitspraken over speeksel en spuug .

gezegde

betekenis

Een spoog (= spuug) water.

Een beeld van iets gerings.

Hij kwat er niet in.

Hij lust graag een borreltje.

Dat moet je niet wegkwatten.

Dat is niet gering.

Lemand op zijn vestje kwatten.

Lemand in zijn eer aantasten; Lemand beschaamd maken

Die man is geen spoog (= spuug) water waard.

Zelfs het minste is die persoon niet waard.

Ze kan haar eigen boontjes doppen en ze hoeft geen dank je te zeggen voor een spoog water.

Ze is van niemand zelfs maar in het minst afhankelijk.

Spuuglelijk zijn.

Bepaald geen knap uiterlijk hebben.

Lemand op zijn spuug laten zitten.

Lemand op bezoek hebben en niets te drinken aanbieden.

Lets spuugzat zijn; vergelijkbaar met: Het zit me tot hier (mondopening), of: Het komt me mijn neus uit.

Zijn buik vol hebben van iets.

Het water stijgt tot aan de lippen.

De (financiële) nood is zeer groot.

Het loopt me de spuigaten uit.

Het gaat alle perken te buiten.

Vuur en vlam spuwen.

Vreselijk tekeer gaan.

Uit zijn mond spietsen.

Dun-waterig speeksel doelgericht met kracht uitspuwen.

Een slijmbal zijn.

Stroop om iemands mond smeren om diegene gunstig te stemmen.

Lemand op zijn vestje spuwen.

Lemand grof beledigen.

Zij is een afgelikte boterham.

Een meisje dat veel vrijers heeft gehad.

Wat een spraakwater.

Wat een woordenstroom.

Zie verder: Orofaciale gezegden en spreekwoorden; afscheid L.F.E. Michels, 1997.

Daarnaast zijn er ook uitdrukkingen waarin speeksel in positieve zin wordt gebruikt (tabel 1.2). Deze uitdrukkingen hebben vaak betrekking op de functies van speeksel, zoals smaakgewaarwording (lekker eten), of de heilzame, genezende werking ervan. In de Bijbelse gelijkenis van de arme Lazarus, die vol zweren aan de deur lag van de gierige, rijke man, werden de zweren gelikt door (straat)honden (Lukas 16). Hieruit wordt duidelijk dat ook al in die tijd bekend was dat hondenspeeksel een verzachtende en helende werking heeft, ondanks het feit dat een hond in die tijd een veracht dier was.

Tabel 1.2

Positieve uitdrukkingen met speeksel en spuug.

gezegde

betekenis

Een brandwond met spuug betten.

Verzachtend omgaan met een pijnlijk iets.

Zijn wonden likken.

Van aangedane kwetsingen herstellen.

Honden likten de zweren van Lazarus.

Met spuug een wond of zweer doen helen.

Likkebaarden van iets of: Zijn lippen aflikken.

Lets overheerlijk vinden.

Watertanden van iets.

Bij voorbaat van iets lekkers genieten.

Het water loopt me in de mond.

Bij het zien van iets lekkers gaan kwijlen.

Spijers zijn dijers.

Spugende kinderen zijn gezond.

Zie verder: Orofaciale gezegden en spreekwoorden; afscheid L.F.E. Michels, 1997.

In tabel 1.3 staan enkele Engelse, Duitse en Franse uitdrukkingen weergegeven die met speeksel te maken hebben en die niet in het Nederlands voorkomen.

Tabel 1.3

Enkele speekseluitdrukkingen in het Engels, Duits en Frans.

gezegde

betekenis

Spit and polish.

Lets poetsen.

Spit it out!

Spreek op!

It’s spitting.

Er valt een enkel druppeltje.

Spitting image (of ‘spit and image’) of his father at work; They are ‘a dead spit’.

In doen en laten het evenbeeld van zijn vader.

Zij lijken exact op elkaar.

Er ist ein Speichellecker.

Hij is een stroopsmeerder of een hielenlikker.

Dépenser beaucoup de salive.

Veel spraakwater hebben.

Avaler sa salive.

Zijn mond houden.

Perdre sa salive.

Voor dovemansoren praten.

1.2 Mondvloeistof

De mondvloeistof is voor het overgrote deel afkomstig uit de speekselklieren, maar bevat daarnaast bijdragen uit serum, weefselvloeistof, orale micro-organismen en de voeding. Weefselvloeistof kan de mondholte binnenlekken via de spleet tussen het tandoppervlak en het tandvlees (sulcus gingivalis). Bovendien kunnen bloed en serum de mondholte binnenkomen via kleine beschadigingen in de mucosa en het tandvlees. De hoeveelheid en samenstelling van de mondvloeistof kunnen van grote invloed zijn op het orale welbevinden.

Vooral vanuit de orale pathologie blijkt het grote belang van de mondvloeistof ten aanzien van de biologische processen die zich in de mondholte afspelen (figuur 1.1). Wanneer een verschuiving optreedt in de eigenschappen van speeksel, kan dit leiden tot veranderingen in verschillende processen waarbij speeksel betrokken is (tabel 1.4):

Tabel 1.4

Speekselfuncties en speekselcomponenten.

bufferende werking

bicarbonaat

fosfaat

eiwit

glijbaarheid (lubricatie)

mucinen : MUC5B en MUC7

basisch prolinerijk glycoproteïne (PRG)

remineralisatie

statherine

prolinerijke eiwitten (PRP’s)

Ca- en fosfaationen

antibacteriële werking

S-IgA, IgG, IgM

lysozym

lactoferrine

lactoperoxidase

cystatinen

histatinen

EP-GP

defensinen

cathelicidine (LL37)

VEGh

antischimmelwerking

histatinen

defensinen

cathelicidine (LL-37)

lactoferrine

mucinen

S-IgA

antivirale werking

cystatinen

mucinen

lactoferrine

S-IgA

SLPI

spijsvertering

voedselafbraak

alfa-amylase

DNase, RNase

proteïnasen

lipase

bolusvorming

mucinen

vloeistof

smaak

gustine, Zn2+

vloeistof

differentiatie en groei van weefsels

groeifactoren: NGF, EGF en histatinen

Naar: Frontiers in Oral Physiology 1987:6;126-134, Baum.

Figuur 1.1

Venn-diagram van factoren die van belang zijn voor de mondgezondheid. Speeksel is naast andere factoren, zoals goede mondhygiëne en voeding, noodzakelijk om de orale weefsels gezond te houden. Ook erfelijke factoren spelen daarbij een belangrijke rol.

  • bescherming van de orale oppervlakken, zowel van de mucosa als van de gebitselementen;

  • regulatie van de waterhuishouding;

  • uitscheiding van bijvoorbeeld virussen en metabole producten van het organisme zelf en van micro-organismen;

  • spijsvertering en smaakgewaarwording;

  • differentiatie en groei van huid-, epitheel- en zenuwcellen.

Elk van deze processen wordt hierna globaal beschreven; voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de diverse hoofdstukken.

1.3 Bescherming van de orale weefsels

De hoofdfunctie van speeksel is bescherming van mondweefsels. Een groot aantal beschermende processen kan hierbij worden onderscheiden (figuur 1.2):

Figuur 1.2

Schematische weergave van de verschillende functies van speeksel. Bij elke functie staan de verschillende componenten van speeksel die daarbij betrokken zijn. Duidelijk is dat een aantal speekseleiwitten meer dan één functie heeft.

  • bufferende werking : speeksel buffert veranderingen in de zuurgraad (pH ) in de mondholte. Veranderingen in de zuurgraad worden veroorzaakt door zuur voedsel of door de metabole zuren die worden uitgescheiden door orale micro-organismen (hoofdstuk  5,  20 en  21);

  • mechanische reiniging : door het spoelen en verdunnen met speeksel hebben de orale micro-organismen minder gelegenheid om te koloniseren in de mondholte (hoofdstuk  3 en  4);

  • bescherming tegen slijtage: het eiwitlaagje op de gebitselementen (acquired pellicle) biedt bescherming tegen slijtage van de occlusale vlakken van de gebitselementen veroorzaakt door de normale kauwkrachten. Bij intensief tandenknarsen (bruxeren) treedt wel slijtage op (hoofdstuk  8,  10 en  21);

  • de- en remineralisatie: de aanwezigheid van calcium en fosfaat in speeksel vormt een belangrijke bescherming tegen de ontkalking van het tandglazuur in een zuur milieu (demineralisatie), terwijl deze ionen de remineralisatie van licht geëtst tandoppervlak mogelijk maken (hoofdstuk  10);

  • antibacteriële activiteit : in speeksel zijn verschillende anorganische en organische componenten aanwezig met antibacteriële, antischimmel- en antivirale werking, zoals thiocyanaat , waterstofperoxide , de enzymen lysozym en lactoperoxidase, het eiwit lactoferrine en de immuunglobulinen (hoofdstuk  6,  7 en  9);

  • aggregatie van orale micro-organismen: speekselcomponenten, onder andere de immuunglobulinen, agglutininen en mucinen, zijn in staat bepaalde bacteriën te aggregeren. Hierdoor wordt hun kolonisatie in de mondholte geremd en hun afvoer naar de maag bevorderd, waar zij veelal worden geïnactiveerd door de lage pH van het maagzuur (hoofdstuk  6 t/m  10).

1.4 Regulatie van de vochthuishouding

Dagelijks wordt door een volwassene ongeveer een halve tot een hele liter speeksel gesecreteerd en doorgeslikt. De speekselsecretie is nauw gerelateerd aan de vochthuishouding: uitdroging resulteert in een verlaagde speekselsecretie en dorstgevoelens (hoofdstukken  3 en  22). De bevochtiging van de orale oppervlakken is noodzakelijk voor hun bescherming tegen infecties door micro-organismen en tegen inwerking van zuur. Bij dieren zoals honden, die geen zweetklieren bezitten, is de verdamping van speeksel via het tongoppervlak het belangrijkste middel om overmatige warmte af te voeren.

1.5 Virussen en stofwisselingsproducten in speeksel

Bepaalde alkaloïden, antibiotica, alcohol en steroïdhormonen maar ook virussen kunnen vanuit serum in de mondholte komen. Enkele van deze stoffen kunnen in het spijsverteringskanaal worden geresorbeerd. Bekend is dat het hepatitis B-virus in het speeksel van een patiënt aanwezig kan zijn. Tandheelkundige gezondheidswerkers lopen daarom een verhoogd risico op hepatitis B-infectie.

Door de uitscheidingsfunctie van speeksel kan de mondvloeistof worden gebruikt als diagnostische vloeistof bij een aantal ziekteprocessen, zoals het syndroom van Sjögren , tay-sachs-syndroom, hyperaldosteronisme en digitalisvergiftiging (hoofdstuk  16 en  25).

1.6 Smaakgewaarwording en spijsvertering

Alfa-amylase is het belangrijkste speekselenzym dat betrokken is bij de spijsvertering (hoofdstuk  12). Het is in staat zetmeel- en glycogeenbevattend voedsel, zoals brood en aardappelen, voor een deel af te breken en daardoor op te lossen in speeksel en vervolgens af te voeren. De muceuze mondvloeistof speelt daarnaast een belangrijke rol in de textuur van voedsel, het kauwproces, het doorslikken van voedsel en het articulatieproces bij het spreken (Engelen en Van der Bilt, 2008). Het speeksel is als oplosmiddel ook noodzakelijk voor de smaakgewaarwording. Daarnaast zijn de speekselcomponenten zink en het eiwit gustine van belang bij de smaakgewaarwording (hoofdstuk  13).

1.7 Differentiatie en groei van epitheel- en zenuwcellen

Door de glandula submandibularis en de gl. parotidea worden groeifactoren gesecreteerd, vooral de zenuwgroeifactor β-NGF, die als hormoon noodzakelijk is voor de differentiatie en groei van adrenerge zenuwcellen , en de epidermale groeifactor (EGF), die een rol speelt bij de ontwikkeling van de huid- en epitheelweefsels en de doorbraak van de gebitselementen. Beide speekseleiwitten worden via het maag-darmkanaal geresorbeerd of worden direct aan de bloedbaan afgegeven. Vervolgens kunnen ze als hormoon werkzaam zijn op hun doelcellen (hoofdstuk  11).

1.8 Ontwikkelingen in speekselonderzoek

In de jaren negentig van de vorige eeuw betrad de biotechnologie het terrein van speeksel en speekseleiwitten, resulterend in een toename van commerciële toepassingen van speeksel voor therapeutische en diagnostische doeleinden. Gevolgen zijn onder andere de ontwikkeling van nieuwe speekselsubstituten en nieuwe antibiotica op basis van speekseleiwitten, alsmede een vergroting van de kennis van de speekselklieren, die bijvoorbeeld wordt toegepast voor de ontwikkeling van verbeterde sialagoga – farmaca die de speekselsecretie stimuleren – enzovoort (hoofdstuk  7,  15,  19,  22 en  27). Door ontwikkeling van nieuwe technieken, zoals micro-array, is de kennis van de eiwitsamenstelling (proteomics) en DNA- en RNA-samenstelling (genomics ) van speeksel sterk toegenomen. Deze kennis kan potentieel toegepast worden voor de vroegdiagnostiek van een aantal ziekten, waaronder kanker en auto-immuunaandoeningen.

Uit het voorafgaande moge duidelijk zijn dat speeksel niet alleen van essentieel belang is voor het gezond houden van de orale weefsels, maar dat speekselcomponenten ook van belang zijn voor processen die elders in het lichaam plaatsvinden, zoals de spijsvertering en groei- en ontwikkelingsprocessen.

De hoofdaccenten in elk hoofdstuk zijn vooral geplaatst op de biochemische processen waarbij speekselcomponenten betrokken zijn, zowel onder gezonde (hoofdstuk 1 t/m  15) als pathologische (hoofdstuk  16 t/m  27) omstandigheden. Als bijzonderheid worden in hoofdstuk  28 de bioactieve stoffen beschreven die aanwezig zijn in insectenspeeksels en die farmacologisch van belang zijn.

Hoewel bij het beschrijven van de belangrijkste processen gestreefd is naar volledigheid, wordt dit beperkt door de maximale omvang van dit boek. Ter verdere bestudering is daarom aan elk hoofdstuk een uitgebreide lijst met overzichtsliteratuur toegevoegd.

1.9 Chromosomale lokalisatie

De chromosomale lokalisatie van de genen van een aantal speekseleiwitten (tabel 1.5) is inmiddels bekend geworden. Dit maakt het mogelijk met behulp van genklonering en recombinant-DNA-techniek een aantal speekseleiwitten te synthetiseren. Hierdoor zijn bepaalde speekseleiwitten beschikbaar gekomen voor medische toepassing.

Tabel 1.5

Chromosomale lokalisatie van de genen van een aantal speekseleiwitten.

chromosoomnummer

speekseleiwit

1p21

alfa-amylase

secretiecomponent

zenuwgroeifactor (NGF)

koolzuuranhydrase

1q42

renine

3

cystatine A

3p21.3

lactoferrine

3p21.3

cathelicidine (LL-37)

4q11-13

statherine

4q13.3

histatinen

4q13.3

caseïne

4q13.3

prolinerijke eiwitten (bPRP’s)

4q13.3

ameloblastine

4q13.3

enameline

4q13-21

MUC7 = MG-2 (laagmoleculair mucine)

4q21

J-keten (joining chain)

4q21.3

dentine-phosphophoryne

4q21.3

dentine sialoproteïne

4q21.3

osteopontine

4q25

epidermale groeifactor (EGF)

7

CFTR (cystische fibrose chloridekanaaleiwit)

7p13-q22

EGF-receptor (EGFR)

7q32-36

EP-GP = GCDFP-15 = SABP = PIP

8

alfa- en bètadefensinen

9q34

von ebner-eiwit (VEGh)

10q25.3-26.1

agglutinine

11p15.5

MUC5B = MG-1 (hoogmoleculair mucine)

12

lysozym

12p13.2

prolinerijke eiwitten (aPRP’s)

12p13.2

prolinerijk glycoproteïne (PRG)

14q32.33

IgA, IgG, IgM

19q13.4

kallikreïne

fucosyltransferase (secretorstatus)

20p11.2

cystatinen S, SA, SN en C

20p13

verschillende defensinen

20q11.1

verschillende defensinen

20q11.2

PLUNC (PSP)

1.10 Bloedstolling en wondsluiting

Een bloedende huidwond blijft doorbloeden, wanneer deze onder de waterkraan wordt schoongespoeld om infectie te voorkomen. Maar een bloedende wond in de mond na een gebitsextractie, omringd door het waterige milieu van speeksel, stopt vrij snel. Ook wordt de wondpijn snel minder. Bovendien treedt in korte tijd wondheling op. Nog opmerkelijker is het dat doorgaans geen infectie in de wond optreedt, hoewel er miljoenen bacteriën in speeksel aanwezig zijn. Daarnaast is het opvallend dat er nauwelijks littekenvorming na mondverwonding optreedt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in speeksel bioactieve stoffen aanwezig zijn die de bloedstolling, de wondsluiting en de wondheling bevorderen. Vooral onderzoek van insectenspeeksel heeft hierbij aangetoond dat speeksel een groot aantal eiwitten bevat die betrokken zijn bij herstel van cellulaire mondweefsels (hoofdstuk  6 t/m  11 en  28).

1.11 Concluderende opmerkingen

Uit deze algemene inleiding kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Speeksel heeft een grote verscheidenheid aan functies die vooral te maken hebben met de bescherming van de harde en zachte mondweefsels.

  • Speeksel is daarnaast betrokken bij groei en ontwikkeling van alle orale weefsels.

  • Bovendien speelt speeksel een essentiële rol bij smaakgewaarwording en spijsvertering.

  • Door de ontwikkelingen in de biotechnologie zijn nieuwe ontstekingsremmers, bloedstollingsremmers en antibiotica gesynthetiseerd op basis van speekseleiwitten, zoals histatinen.

  • Speekselanalyse kan gebruikt worden bij de diagnostiek van een aantal systemische aandoeningen.

  • Onderzoek van insectenspeeksels heeft verschillende farmacologische toepassingen opgeleverd voor antibloedstolling, bloedvatverwijding en remming van ontstekingen.

Literatuur

  1. Aps J.K.M. en L.C. Martens. Review: The physiology of saliva and transfer of drugs into saliva. For Sci Int. 150, (2005)119–131.Google Scholar
  2. Aspecten van speeksel. Ned Tijdschr Tandh. 1992. Vol. 99, pp.77–112. Themanummer.Google Scholar
  3. Baum B.J. Saliva secretion and composition. In: D.B. Ferguson, Ed. The aging mouth. Karger, Basel. Frontiers Oral Physiol. 6, (1987) pp. 126–134.Google Scholar
  4. Edgar W.M. en D.M. O’Mullane. Saliva and dental health. Latimer Trend and Co., Plymouth, 1990.Google Scholar
  5. Engelen L. en A. van der Bilt. Oral physiology and texture perception of semisolids. J. Texture Studies 39, (2008)83–113.CrossRefGoogle Scholar
  6. Ferguson D.B., Ed. (1981). The environment of the teeth. Karger, Basel. Frontiers Oral Physiol. 3, pp. 125–161.Google Scholar
  7. Ferguson D.B., Ed. (1991). Aspects of oral molecular biology. Karger, Basel. Frontiers Oral Physiol. 8, pp. 77–140.Google Scholar
  8. Huq N.L., K.J. Cross, M. Ung en E.C. Reynolds. A review of protein structure and gene organization for proteins associated with mineralized tissue and calcium phosphate stabilization encoded on human chromosome 4. Archs Oral Biol. 50, (2005)599–609.CrossRefGoogle Scholar
  9. Mandel I.D. The functions of saliva. J. Dent. Res. 66, (1987)623–627.PubMedGoogle Scholar
  10. Mandel I.D. A contemporary view of salivary research. Crit. Rev. Oral Biol. Med. 4, (1993)599–604.PubMedGoogle Scholar
  11. Nieuw Amerongen A. van en E.C.I. Veerman. Saliva – the defender of the oral cavity. Oral Dis. 8, (2002)12–22.Google Scholar
  12. Nikiforuk G. Saliva and dental caries. In: Understanding Dental Caries. Karger, Basel. 1985. pp. 236–260.Google Scholar
  13. Orofaciale gezegden en spreekwoorden. Ter gelegenheid van het afscheid van L.F.E. Michels, 6 juni 1997. Afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie, St. Catharina-Ziekenhuis, Eindhoven.Google Scholar
  14. Ribeiro J.M.C., J. Andersen, M.A.C. Silva-Neto, V.M. Pham, M.K. Garfield en J.G. Valenzuela. Exploring the sialome of the blood-sucking bug Rhodnius prolixus. Insect Biochem Mol Biol. 34, (2004)61–79.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  15. Sreebny L.M. The salivary system. CRC Press, Boca Raton, 1987.Google Scholar
  16. Tenovuo J.O. Human Saliva: Clinical Chemistry and Microbiology. Vol. I en II. CRC Press. Boca Raton, 1989.Google Scholar
  17. Tu A.T., T. Motoyashiki en D.A. Azimov. Bioactive compounds in tick and mite venoms (saliva). Toxin Rev. 24, (2005)143–174.CrossRefGoogle Scholar
  18. Valenzuela J.G. Exploring tick saliva: from biochemistry to ‘sialomes’ and functional genomics. Parasitology 129, (2004)S83–S94.PubMedCrossRefGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2008

Authors and Affiliations

  • A. van Nieuw Amerongen
    • 1
  1. 1.Sectie Orale BiochemieAcademisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), Vrije Universiteit en Universiteit van AmsterdamAmsterdam

Personalised recommendations