Sociaal Bestek

, Volume 79, Issue 5, pp 51–51 | Cite as

Een kwestie van gezondheid, regie houden en stevig sociaal netwerk: Hoe blijven ouderen langer zelfstandig?

  • Cretien van Campen
zorg
  • 123 Downloads

Samenvatting

In Nederland woont van de 85 tot 89-jarigen driekwart nog zelfstandig, van de 90 tot 95-jarigen nog zestig procent. In een studie laat het Sociaal en Cultureel Planbureau zien welke hulpbronnen ouderen in staat stellen langer zelfstandig te blijven.

In deze studie hebben we een groep van 1768 65-plussers veertien jaar lang gevolgd; ouder worden gaat in de tijd. Om inzicht te krijgen hoe ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen hebben we naar ontwikkelingen in de levensloop in de derde (vitale) en vierde (kwetsbare) levensfasen gekeken, die overigens niet zo scherp te onderscheiden zijn. De longitudinale benadering levert inzichten op over de duur van zelfstandig wonen, de duur van het zorggebruik, de veranderingen in het gebruik van typen zorgvoorzieningen en de invloeden van persoonlijke achtergronden, fysieke en sociale hulpbronnen in de omgeving, ingrijpende levensgebeurtenissen zoals het overlijden van een partner. Door met een brede blik over een lange periode te kijken, levert deze studie nieuwe inzichten op over hoe burgers ouder worden met zorg in Nederland.

Factoren

Er is een aantal bepalende factoren voor langer zelfstandig wonen aan te wijzen. Ten eerste de gezondheid: gezondheidsproblemen hebben het grootste effect op het zelfstandig blijven wonen. Van de 65-plussers zonder chronische aandoening woont driekwart na veertien jaar zelfstandig; van de groep met meer dan een chronische aandoening is dat slechts de helft, en van de mensen met dementie nog maar een derde. De anderen zijn verhuisd naar een verzorgings- of verpleeghuis of zijn overleden.

Daarnaast zijn materiële, mentale en sociale hulpbronnen relevante factoren. Van de 65-plussers met een laag inkomen woont na veertien jaar vijftig procent nog zelfstandig en van degenen met een hoog inkomen zestig procent. Psychische en sociale hulpbronnen tonen vergelijkbare effecten. Zo woonde van de 65-plussers die weinig regie ervaren, na veertien jaar tien procent minder zelfstandig dan van degenen die meer regie ervaren. Van de 65-plussers met een groot sociaal netwerk woonde na veertien jaar twee derde nog zelfstandig, tegen minder dan de helft van degenen met een klein sociaal netwerk.

De levenslopen van individuele ouderen zijn niet maakbaar, maar op de grote schaal van groepen zijn wel momenten waarop geïntervenieerd kan worden.

Interventies

In deze studie hebben we groepsver- schillen in mogelijke trajecten beschreven. De diversiteit komt tot uiting tussen bijvoorbeeld mannen en vrouwen, tussen mensen met een klein en groot sociaal netwerk en tussen mensen met en zonder dementie. Hoewel de levenslopen van individuele ouderen niet maakbaar zijn, zijn er op de grote schaal van de zorgtrajecten van groepen wel momenten aan te geven waar geïntervenieerd kan worden. Het verlies van de partner betekent bijvoorbeeld vaak ook een verlies van een deel van het netwerk, een verminderd gevoel van regie en een toename van mentale klachten. Met deze studie hebben we willen laten zien wat de mogelijke effecten van interventies op deze momenten kunnen zijn. Beleidsmakers kunnen met dit model verschillende alternatieven kwantitatief afwegen en hun beslissingen onderbouwen.

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V. 2017

Authors and Affiliations

  • Cretien van Campen
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations