Een groep van ongeveer zestig promovendi, copromotoren en promotoren uit Nederland en België, bezochten op 6 oktober 2006 de eerste Promovendidag Medisch Onderwijs in het UMC te Utrecht. Met enkele feiten liet Olle ten Cate in zijn openingswoord zien hoe het onderzoek naar medisch onderwijs de afgelopen jaren is gegroeid. Hij zette kort het doel van de promovendidag uiteen: overzicht krijgen waar promovendi mee bezig zijn, zodat onderling contact gelegd kan worden om verder ervaringen uit te wisselen. Het is een dag waarop de promovendi en hun onderzoek centraal staan.

Lezingen

Ten Cate lichtte tijdens een korte lezing de plaats van de probleemstelling in het onderzoek toe. Verschillende valkuilen bij het formuleren van een probleemstelling werden besproken: de probleemstelling is te veel gericht op de lokale context, de formulering en definiëring zijn onduidelijk, de relevantie komt niet voldoende naar voren. Een daaropvolgende discussie met de zaal spitste zich toe op verschillen tussen medisch en medisch-onderwijskundig onderzoek en op het gebruik van hypothesen in beide tradities.

De tweede lezing werd verzorgd door Cees van der Vleuten. Hij gaf een overzicht van de trends en ontwikkelingen in het medisch onderwijs. Deze worden mede gevormd door het veranderde tijdschriftaanbod, de wijzigingen in onderzoeksmethoden en de verschuivingen in de onderzoekscontext: het praktijkleren komt nu opzetten.

Parallelle sessies

In een tweetal parallelle sessies lichtten dertig promovendi hun onderzoek toe. Na elke presentatie was er gelegenheid tot het beantwoorden van vragen en discussie. De presentaties waren gegroepeerd rond zes thema’s.

  1. 1.

    Leren in de klinische omgeving: In deze sessie lag de nadruk op het praktijkleren. Tijdens de presentaties werd onder andere ingegaan op de vraag door welke elementen de leeromgeving van co-assistenten en arts-assistenten in het klinisch onderwijs wordt bepaald, en hoe het leerproces en de leerstrategie van arts-assistenten en co-assistenten eruit ziet tijdens hun klinische werkzaamheden.

  2. 2.

    Technologie in het medisch onderwijs: In deze bijeenkomst kwamen thema’s aan de orde die betrekking hadden op bijvoorbeeld computer supported collaborative learning (CSCL) tijdens co-schappen, en op het verloop van de transfer van training in virtual reality naar het gebruik van technieken in de dagelijkse praktijk.

  3. 3.

    Curriculum en toetsing: Onderwerpen gerelateerd aan de evaluatie van curricula (“Zijn onze gestelde doelen behaald?”; “Is het uitvoeringsniveau van de klinische vaardigheden verbeterd?”) en toetsing (zoals open boek-tentamens) waren onderwerp van deze sessie.

  4. 4.

    Reflectie en cognitie: Hoe meet en operationaliseer je reflectie op professioneel gedrag in de praktijk? Is dit aan te leren? Dit type vragen werd in deze bijeenkomst besproken. Daarnaast werd ingegaan op de rol van authentieke taken bij klinisch probleemoplossen en een instrument dat behulpzaam kan zijn bij het structureren van informatie bij het uitvoeren van klinisch probleemoplossen.

  5. 5.

    Selectie en determinanten van persoonlijkheid, keuze en succes: Het verschil in studieprestaties van decentraal geselecteerde en ingelote studenten, de validiteit en betrouwbaarheid van het selectiesysteem dat bij een faculteit diergeneeskunde wordt gebruikt en determinanten die de keuze van een medische carrière bepalen, stonden in deze sessie centraal.

  6. 6.

    De docent: De centrale thema’s over de docent in het medisch onderwijs handelden over: de toetsing van docentvaardigheden, strategieën waarmee de omgang met nieuwe onderwijsmethoden wordt gestimuleerd, de ontwikkeling van een instrument om docenten van feedback te voorzien en het proces van feedback geven door een docent.

Afsluiting

Als afsluiting gaven Albert Scherpbier en Monica van de Ridder een terugblik op de dag. Van de Ridder lichtte het ontstaan van het initiatief, een platform voor promovendi, toe: een ontmoetingspunt voor medici die onderwijsonderzoek doen en sociaalwetenschappers die onderzoek in de medische context doen, leek er niet te zijn, terwijl deze disciplines elkaar juist veel kunnen bieden.

Scherpbier blikte terug op de afgelopen dag en leidde de evaluatie. Hij merkte op dat het creëeren van een netwerk voor promovendi in elk geval bereikt is en dat daarmee één van de doelen van deze dag behaald is. Uit de evaluatie met de aanwezigen kwam naar voren dat er tijdens de promovendidag meer tijd moest zijn voor discussie en netwerken. Verschillende suggesties voor de toekomst werden gedaan: de promovendidag moest niet gekoppeld worden aan het NVMO-congres, een digitaal platform met de projecten van promovendi en een discussieforum kunnen behulpzaam zijn bij het verder vormgeven van dit promovendinetwerk. Voorgesteld werd om een volgende promovendidag in het voorjaar van 2007 te plannen.

De dia’s van de lezingen en de titels van de bijdragen van de promovendi zijn terug te vinden op de NVMO-website.