Netherlands Journal of Plant Pathology

, Volume 71, Supplement 1, pp 1–20 | Cite as

Some experiments and considerations on the identification of witches' broom viruses, especially in clovers, in the Netherlands and Italy

Enige proeven en beschouwingen over de identificatie van heksenbezemvirussen, in het bijzonder van klavers, in Nederland en Italië

  • L. Bos
  • P. Grancini
Article

Abstract

Witches' broom phenomena (witches' broom growth + antholysis) observed inTropaeolum majus and in clovers in the Netherlands and in several wild and cultivated plants in Italy were demonstrated to be due to virus infection. The virus(es) could be transmitted by grafting, through dodder and by means of leaf-hoppers (Euscelis spp. primarily). The virus isolates found in both countries did not differ appreciably in the symptoms they caused. Many of the deviations concerned have been known for a long time as teratological phenomena. In the extensive literature considerable confusion exists concerning the identity of several witches' broom virus diseases. They constitute a good example of the problem of virus variability. A continuous splitting of witches' broom viruses on the basis of slight differences in symptom expression or of vector specificity does not seem justified. Since no intrinsic properties of the virus(es) concerned are known, the only conclusion that can be drawn from the information available is that the Dutch and the Italian isolates show a great similarity to aster yellows virus as well as to tomato big bud, stolbur and other witches' broom viruses.

Samenvatting

Aangetoond werd dat de in Nederland incidenteel voorkomende heksenbezemverschijnselen-bestaande uit heksenbezemgroei en bloemoplossingsverschijnselen—in Oostindische kers, een aantal andere soorten kruidachtige sierplanten (fig. 3) en in klaversoorten (fig. 1, 2) optreden als gevolg van virusinfectie. Hetzelfde geldt voor geheel identieke verschijnselen, welke in Italië veelvuldig werden waargenomen in 38 wilde en gekweekte plantesoorten, behorende tot 13 plantenfamilies (fig. 4, 5, 6, 7).

De virusisolaties konden kunstmatig door enting, met warkruid en door cicaden (voornamelijkEuscelis spp). worden overgebracht op een groot aantal uiteenlopende plantesoorten (tabel 2). Op grond van de in de natuur zowel als in kunstmatig geïnfecteerde planten (fig. 8–20) bestudeerde afwijkingen werd geen belangrijk verschil geconstateerd tussen de Nederlandse en de Italiaanse isolaties. Verondersteld wordt dat de verschijnselen door één, hoogstens uit een aantal stammen bestaand virus werden veroorzaakt. In Italië komt het virus veelvuldig voor in aardappel en tomaat, terwijl het in Nederland waarschijnlijk éénmaal werd geïsoleerd uit aardappel (fig. 12, 14).

Op grond van de verkregen resultaten mag worden aangenomen, dat vele in de teratologische literatuur beschreven gevallen van bloemvergroening en fyllodie eveneens toegeschreven kunnen worden aan infectie met virus. Dit geldt vrijwel zeker voor de doorde Vries in 1896 te Amsterdam beschreven “epidemie van vergroeningen”.

Uit de literatuur blijkt dat in nagenoeg alle Europese landen heksenbezemvirusziekten voorkomen (o.a. tabel 1). Vooral in Zuid-, Centraal- en Oosteuropese landen wordt vaak aanzienlijke schade veroorzaakt aan uiteenlopende gewassen. In Centraal- en Oost-Europa treedt vooral “stolbur” van Solanaceëen op de voorgrond. In West-Europa daarentegen valt de aandacht meer op aantasting van witte klaver.

In de betrokken publikaties, zowel als die over verwante ziekten elders ter wereld, bestaat grote verwarring ten aanzien van de identiteit der onderhavige virussen. Ze vormen een goed voorbeeld van het probleem der virusvariabiliteit. Een voortdurend afsplitsen van nieuwe heksenbezemvirussen op grond van kleine verschillen in symptomen of van vectorspecificiteit lijkt niet verantwoord. Daar de symptomen en virus-vector-relaties niet zeer specifiek zijn, vormen deze geen basis voor een gemakkelijke en snelle herkenning van de aldus beschreven virussen.

De heksenbezemvirussen kunnen niet met sap worden overgebracht. Daarom zijn nog geen intrinsieke eigenschappen bekend en is de enige thans te trekken conclusie, dat de Nederlandse en de Italiaanse isolaties niet alleen een grote onderlinge overeenkomst vertonen, maar tevens zeer veel gelijken op het Amerikaanse “aster-yellows”-virus, het Australische “tomato big bud”-virus en het Oosteuropese “stolbur”-virus, zowel als op talrijke andere heksenbezemvirussen.

Keywords

Broom White Clover Aster Yellow Italian Isolate White Clover Plant 

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. Becker, R., — 1941. Untersuchungen über die Blüh- und Befruchtungsverhältnisse und die Blütenmissbildungen des Weissklees (Trifolium repens L.). Futtersaatbau 1: 33–117.Google Scholar
  2. Bojňanský, V. &C. Blattný, — 1953. Virozne žltenky a bezsemennosti vo svetle sovietskych a našich výskumov (Virose Gelbsucht und Samenlosigkeit im Lichte Sowietischer und unserer Forschungen). Biologia 8: 538–560.Google Scholar
  3. Bos, L., — 1957. Heksenbezemverschijnselen, een pathologisch-morfologisch onderzoek (Witches' broom phenomena, a patho-morphological study). Meded. LandbHogesch., Wageningen 57: 1–79.Google Scholar
  4. Bos, L., — 1957. Plant teratology and plant pathology. Tijdschr. PlZiekt. 63: 222–231.CrossRefGoogle Scholar
  5. Bos, L., — 1959. De heksenbezemvirusziekte van witte klaver. Natura, Amst. 6: 74–80.Google Scholar
  6. Bos, L., — 1960. A witches'broom virus disease of Vaccinium myrtillus in the Netherlands. Tijdschr. PlZiekt. 66: 259–263.CrossRefGoogle Scholar
  7. Bovey, R., — 1956. Une nouvelle maladie à virus de la tomate en Suisse romande. Ann. agric. Suisse 70 (NS 5): 599–611.Google Scholar
  8. Bovey, R., — 1957. Une anomalie des fleurs du trèfle causée par un virus transmis par des cicadelles. Revue romande Agric. Vitic. Arboric. 13: 106–108.Google Scholar
  9. Carr, A. J. H., — 1961. The significance of virus diseases in herbage crops. Proc. 8th Int. Grassl. Congr. Reading, England 1960: 200–204.Google Scholar
  10. Carr, A. J. H. &E. C. Large, — 1963. Surveys on phyllody in white clover seed crops 1961–62. Pl. Path. 12: 121–127.Google Scholar
  11. Caudwell, A. & J. C. Bachelier, — 1963. Premiers résultats de transmission de la flavescence dorée à des plantes herbacées. Acad. d'Agric. France Proc. Verb. 23 Janv. 1963: 144–150.Google Scholar
  12. Chiykowski, L. N., — 1962. Clover phyllody and strawberry green petal diseases caused by the same virus in eastern Canada. Can. J. Bot. 40: 1615–1617.CrossRefGoogle Scholar
  13. Ciccarone, A., — 1949. Sintomi di “virescenza ipertrofica” (big bud) del pomodore nei pressi di Roma. Nota preliminare. Boll. Staz. Patol. veg. Roma, ser. III, 7: 193.Google Scholar
  14. Duffus, J. E., — 1964. Beet yellow stunt virus. Phytopathology 54: 1432.Google Scholar
  15. Evenhuis, H. H., — 1958. Investigations on a leafhopper-borne clover virus. Proc. 3rd Conf. Potato Virus Dis., Lisse-Wageningen 1957: 251–254.Google Scholar
  16. Evenhuis, H. H., — 1958. De vectoren van het bloemvergroeningsvirus van klaver. Tijdschr. PlZiekt. 64: 335–336.CrossRefGoogle Scholar
  17. Fluiter, H. J. de &T. H. Thung, — 1951. Waarnemingen omtrent de dwergziekte bij framboos en wilde braam. Tijdschr. PlZiekt. 57: 108–114.CrossRefGoogle Scholar
  18. Frazier, N. W. &A. F. Posnette, — 1956. Leafhopper transmission of a clover virus causing green petal disease in strawberry. Nature, Lond. 177: 1040–1041.CrossRefGoogle Scholar
  19. Frazier, N. W. &A. F. Posnette, — 1957. Transmission and host-range studies of strawberry green-petal virus. Ann. appl. Biol. 45: 580–588.Google Scholar
  20. Freitag, J. H., — 1964. Interaction and mutual suppression among three strains of aster yellows virus. Virology 24: 401–413.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  21. Gigante, R., — 1956. La virescenza ipertrofica del tabacco. Tabacco 679: 167–178.Google Scholar
  22. Glaser, T. &Z. Sosna, — 1957. Zielenienie i prolifikacja kwiatów u katrann abisynskiego (Crambe abyssinica L.) i rzepaku oziniego (Brassica napus L.) (The chlorantio and the prolificatio of flowers with Crambe abyssinica L. and Brassica napus L.). Acta agrobot. 6: 3–16.Google Scholar
  23. Grancini, P., — 1958. Un gruppo di virus delle piante importanti ma poco noti. Boll. Agric., Milano 92, nr. 36 and 37: 22 pp.Google Scholar
  24. Grancini, P., — 1959. I virus del gruppo delle virescenze I. Virescenza del trifoglio. Infme fitopatol. 9: 18–21.Google Scholar
  25. Grancini, P., — 1959. Il virus dello stolbur. Infme fitopatol. 15–16: 310–313.Google Scholar
  26. Grancini, P., — 1963. I virus del gruppo “witches' broom” (tipo “aster yellows”) in Italia. Agricoltura ital. 9: 17–41.Google Scholar
  27. Halisky, P. M., J. H. Freitag, B. R. Houston &A. R. Magie, — 1958. Occurrence of aster yellows on clover in California. Pl. Dis. Reptr 42: 1342–1347.Google Scholar
  28. Helms, K., — 1962. Strawberry, clover and pea as hosts of big bud virus. Aust. J. biol. Sci. 15: 278–280.Google Scholar
  29. Hill, A. V., — 1943. Insect transmission and host plants of virescence (big bud of tomato). J. Coun. Scient. ind. Res. aust. 16: 85–90.Google Scholar
  30. Hjelmqvist, H., — 1962. A case of virescence in Trifolium hybridum. Bot. Notiser 115: 429–436.Google Scholar
  31. Hungerford, C. W., &B. F. Dana, — 1924. Witches' broom of potatoes in the Northwest. Phytopathology 14: 372–383.Google Scholar
  32. Hutton, E. M. &N. E. Grylls, — 1956. Legume “little leaf”, a virus disease of subtropical pasture species. Aust. J. agric. Res. 7: 85–97.CrossRefGoogle Scholar
  33. Jaczewski, A. A., — 1926. Ved'miny metly kartofela (Witches'broom of the potato). Mater. Mikol. Fitopat. Ross. 5: 117–128.Google Scholar
  34. Kilpatrick, R. A. &K. W. Kreitlow, — 1961. Incidence of clover phyllody in relation to potato culture. Pl. Dis. Reptr 45: 717–719.Google Scholar
  35. Klinkowski, M., — 1958. Beiträge zur Kenntnis der Solburkrankheit der Kartoffel. Proc. 3rd Conf. Potato Virus Dis., Lisse-Wageningen 1957: 264–277.Google Scholar
  36. Kochman, J. &T. Stachyra, — 1957. Beiträge zur Kenntnis der pflanzlichen Viruskrankheiten und virusverdächtigen Erscheinungen in Polen. NachrBl. dt. PflSchdienst, Berl. NF 12: 41–50.Google Scholar
  37. Kostoff, D., — 1933. Virus diseases causing sterility. Phytopath. Z. 5: 593–602.Google Scholar
  38. Kovachevsky, I. C., — 1954. Die Stolburkrankheit der Solanaceen. NachrBl. dt. PflSchdienst, Berl. 8: 161–166.Google Scholar
  39. Kovachevsky, I. C., — 1958. Die Stolburkrankheit der Solanaceen in Bulgarien. Proc. sci. Conf. Stolbur, Smolenice 1956: 119–138.Google Scholar
  40. Krczal, H. — 1960. Eine vom Weiszklee auf Fragaria vesca (L.) übertragbare Virose. Z. PflKrankh. PflSchutz 67: 599–602.Google Scholar
  41. Kreitlow, K. W., — 1963. Phyllody virus infection permits rooting of clover flower heads. Pl. Dis. Reptr 47: 453–454.Google Scholar
  42. Kunkel, L. O., — 1926. Studies on aster yellows. Contr. Boyce Thompson Inst. Pl. Res. 1: 181–240.Google Scholar
  43. Kunkel, L. O., — 1930. Transmission of aster yellows to the tomato. Phytopathology 20: 129.Google Scholar
  44. Kunkel, L. O., — 1931. Studies on aster yellows in some new host plants. Contr. Boyce Thompson Inst. Pl. Res. 3: 85–123.Google Scholar
  45. Kunkel, L. O., — 1932. Celery yellows of California not identical with the aster yellows of New York. Contr. Boyce Thompson Inst. Pl. Res. 4: 405–414.Google Scholar
  46. Mišiga, S., M. Musil &V. Valenta, — 1960. Some host plants of the clover phyllody virus. Biologia, Bratisl. 15: 538–542.Google Scholar
  47. Mišiga, S. &V. Valenta, — 1957. Prenos virusu stolburu prostrednictvom niektorých drunov kukričin (Transmission of stolbur by dodder). Biologia, Bratisl. 12: 652–660.Google Scholar
  48. Morvan, G., — 1958. La chloranthie, maladie a virus du colza. P.-v. Séanc. 4 Juin 1958 Acad. Agric. France: 3 pp.Google Scholar
  49. Mulder, D., — 1953. De proliferatieziekte van appel, een virusziekte (Proliferation disease of apple, a virus disease). Tijdschr. PlZiekt. 59: 72–76.CrossRefGoogle Scholar
  50. Musil, M., — 1960. Uebertragung des Stolbur-, Kleeverzwergungs- und Kleeverlaubungsvirus durch die Zikade Aphrodes bicinctus (Schrk.). Biologia, Bratisl. 15: 721–728.Google Scholar
  51. Musil, M., &V. Valenta, — 1958. Prenos stolburu a príbuzných vírusov pomocou niektorých cikád (Transmission of the stolbur and related viruses by some leafhoppers). Biologia, Bratisl. 13: 133–136.Google Scholar
  52. Novák, J. B., — 1961. Onemocněni cibulové, ko renové, koštálové zeleniny a hlávkovélo salátu žloutenkou ze skupiny virových bezsemenosti (Vergilbungserkrankungen beim Zwiebel-, Wurzel- und Stielgemüse und beim Kopfsalat). Rostl. Výr. (Sb. čsl. Akad. zeměd. Věd Rada C.) 7: 855–870.Google Scholar
  53. Panjan, M., — 1958. Stolbur in Yugoslavia. Proc. sci. Conf. Stolbur, Smolenice 1956: 102–108.Google Scholar
  54. Penzig, O., — 1921–1922. Pflanzen-Teratologie. 2nd ed., 3 volumes, Berlin, 1921–1922.Google Scholar
  55. Posnette, A. F., — 1953. Green petal — a new virus disease of strawberries. Pl. Path. 2: 17–18.Google Scholar
  56. Posnette, A. F. &C. A. Ellenberger, — 1963. Further studies of green petal and other leafhopper-transmitted viruses infecting strawberry and clover. Ann. appl. Biol. 51: 69–83.CrossRefGoogle Scholar
  57. Prentice, I. W., — 1950. Rubus-stunt: a virus disease. J. Hort. Sci. 26: 35–42.Google Scholar
  58. Proceedings, — 1958. Stolbur a príbuzné vírusové bezsemenosti rastlín (Stolbur and similar virus diseases causing seedlessness of plants). Proc. Sci. Conf. Stolbur, Smolenice 1956: 244 pp.Google Scholar
  59. Prozenko, A. E., — 1957. Virus and virus-like plant diseases of the Central Botanical Garden. Bull. Bot. Gdn Moscow 27: 98–107.Google Scholar
  60. Quantz, L., — 1958. Die Virosen der Leguminosen. In:Klinkowski, M.: Pflanzliche Virologie II. Die Virosen des europäischen Raumes. Berlin 44–74.Google Scholar
  61. Raymer, W. B. &J. A. Milbrath — 1960. The identity and host relations of the potato latebreaking virus. Phytopathology 50: 312–319.Google Scholar
  62. Richter, H., — 1936. Die Gelbsucht der Sommerastern. NachrBl. dt. PflSchutzdienst, Berl. 16: 66–67.Google Scholar
  63. Rischkov, V. L., — 1943. Kok-saghyz yellows. Dokl. (Proc.) Acad. Sci. U. S.S.R. 41: 90–92.Google Scholar
  64. Rischkov, V. L., I. Koratschevsky &P. Michailova, — 1933. Ueber die Fruchtverholzung bei Tomaten. Z. Pflanzenkrankh. Pflanzensch. 43: 496–498.Google Scholar
  65. Rui, D., — 1950. Una malattia inedita: la virosi a scopazzi del melo. Humus 6: 7–10.Google Scholar
  66. Ryshkow, V., — 1961. Fortschritte in der Systematik der Viren. Tagungsber. Dtsch. Akad. LandwSchWissensch. Berlin 33: 17–32.Google Scholar
  67. Sävulescu, A. &I. Pop, — 1957. Contributions à l'étude de la virose “stolbur” en Roumanie. Revue Biol. Buc. 2: 33–46.Google Scholar
  68. Šavulescu, A. &P. Ploaie, — 1961. Phyllodia trifoïului în R.P.R.: 0 viroz a din grupa stolburului? (Phyllody of clover in the Romanian people's Republic: a virosis from the stolbur group?). Comunle Acad. Rep. pop. rom. 11: 1357–1363.Google Scholar
  69. Schmelzer, K., — 1961. Vorläufige Ergebnisse der Analyse verwandtschaftlicher Beziehungen bei Vergrünungsviren. Proc. 4th Conf. Potato Virus Dis., Braunschweig 1960: 146–152.Google Scholar
  70. Schmelzer, K. & H. O. Schmidt, — 1960. Blütenvergrünungen an Zierpflanzen und Unkräutern. Dte Gartenb. 60: 4 pp.Google Scholar
  71. Schmelzer, K. &H. O. Schmidt, — 1961. Blütenvergrünungen und Triebvermehrungen an Kultur- und Wildpflanzen. Gartenwelt 61: 124–126.Google Scholar
  72. Severin, H. H. P. &J. H. Freitag, — 1945. Additional ornamental flowering plants naturally infected with California aster yellows. Hilgardia 16: 599–609.Google Scholar
  73. Sprau, F., — 1951. Ueber das Auftreten einer neuen Viruskrankheit: Zwergstrauchvirose an Kartoffeln. Pflanzenschutz 3: 125–126.Google Scholar
  74. Suchov, K. S., &A. M. Vovk, — 1945. On the identity between yellows of kok-saghyz and yellows of aster and its possible relation to big bud in tomato. C. R. (Dokl.) Acad. Sci. U.R.S.S. 48: 365–368.Google Scholar
  75. Suchov, K. S. & A. M. Vovk, — 1949. Stolbur paslyonovykh (Stolbur of the Solanaceae). Moscow-Leningrad.Google Scholar
  76. Suringar, W. F. R., — 1882. Observations sur une monstruosité de Sisymbrium alliaria avec phyllodie des carpelles et des ovules. Ass. Franç. Avancem. Sci.: 444–449.Google Scholar
  77. Szirmai, J., — 1958. Stolbur in Hungary. Proc. sci. Conf. Stolbur, Smolenice 1956: 109–118.Google Scholar
  78. Tahon, J., — 1963. Découverte en Belgique de plantes de Trifolium repens atteintes de phyllodie. Parasitica 19: 172–175.Google Scholar
  79. Todd, J. M., — 1954. Potato wildings and witches'broom in Scotland. Pl. Path. 3: 17–20.Google Scholar
  80. Todd, J. M., — 1958. Witches' broom of potatoes and similar diseases in Great Britain. Proc. sci. Conf. Stolbur, Smolenice 1956: 77–101.Google Scholar
  81. Valenta, V., — 1956. Virus metlovitosti zemiakov v Československu; Príspevok k otázke “severného” stolburu (Potato witches' broom in Czechoslovakia; a contribution to the question of “north-stolbur”). Biologia, Bratisl. 11: 449–456.Google Scholar
  82. Valenta, V., — 1958. A new yellows virus causing flower proliferations in the dodder, Cuscuta campestris Yunck. Phytopath. Z. 33: 316–318.Google Scholar
  83. Valenta, V., — 1959. Zwei bisher unbekannte, Kartoffelwelke verursachende Viren aus Mitteleuropa. Phytopath. Z. 35: 271–276.Google Scholar
  84. Valenta, V. &M. Musil, — 1963. Investigations on European yellows-type viruses II. The clover dwarf and parastolbur viruses. Phytopath. Z. 47: 38–65.Google Scholar
  85. Valenta, V., M. Musil &S. Mišiga, — 1961. Investigations on European yellows-type viruses I. The stolbur virus. Phytopath. Z. 42: 1–38.Google Scholar
  86. Venema, H. J., — 1930. Analyse eener monstruositeit van Sisymbrium alliaria Scop. Diss. Leiden: 119 pp.Google Scholar
  87. Vries, H. de, — 1896. Een epidemie van vergroeningen. Bot. Jaarb. Gent 8: 66–91.Google Scholar
  88. Wenzl, H., — 1956. Die Stolbur-Virose in Oesterreich. Pflanzenschutzberichte, Wien 16: 159–162.Google Scholar
  89. Wenzl, H., — 1964. Die Welkekrankheit der Kartoffel. Pflanzenschutzberichte, Wien 31: 161–178.Google Scholar

Copyright information

© Koninklijke Nederlandse Planteziektenkundige Vereniging 1965

Authors and Affiliations

  • L. Bos
    • 1
    • 2
  • P. Grancini
    • 1
    • 2
  1. 1.Institute of Phytopathological Research (I.P.O.)Wageningenthe Netherlands
  2. 2.Stazione Sperimentale di MaiscolturaBergamoItaly

Personalised recommendations