De Economist

, Volume 117, Issue 6, pp 695–698 | Cite as

Opmerkingen en aantekeningen

De inconsistentie in professor heertjes aanbodvariant van het model van harrod en domar
  • S. K. Kuipers
Article
  • 9 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1.
    A. Heertje, „Enkele opmerkingen over groeimodellen”,De Economist, jg. 117, (1969), nr 4 pp. 361–380.CrossRefGoogle Scholar
  2. 2.
    Deze aanduiding is naar mijn mening niet gelukkig. Hoewel de modellen wat betreft hun uiterlijke verschijningsvorm grote overeenkomst vertonen, zijn ze wat hun inhoud betreft niet gelijk. De in beide modellen veronderstelde vaste kapitaalcoëfficiënt wordt nl. volgens Harrod bij afwezigheid van technische voorutgang veroorzaakt door een vaste interestvoet, terwijl deze vaste kapitaalcoëffiënt in het model van Domar veeleer een technologisch gegeven is Men zie: R. F. Harrod,Towards a Dynamic Economics, Londen 1948. pp. 82 en 83; E. D. Domar, „Expansion and Employment”Essays in the Theory of Economic Growth, New York 1957, pp. 83–108, inz. p. 90. Dit artikel is een herdruk uitThe American Economic Review, jg. 37 (1949), pp. 34–55.Google Scholar
  3. 3.
    Heertje p. 367.Google Scholar
  4. 5.
    De groeivoet vansa, zoals deze uit het model voortveloeit, is een grootheid met als dimensie [T −1]. Daar 1 dimensieloos is, is het niet mogelijksa bij 1 op te tellen, zoals in de vergelijkingen (2.15) t.e.m. (2.17) is gedaan. Deze moeilijkheid kan worden verholpen door de investeringen te definiëren op de wijze als in de vorige voetnoot is gedaan. De groeivoet van de kapitaalgoederenvoorraad is dansat 0 ∈ [1] en deze groeivoet kan inderdaad bij het getal 1 worden opgeteld.Google Scholar
  5. 6.
    Op het tijdstipt=0 is volgens vergelijking (2.9) het aanbod gelijk aan de vraag.Google Scholar
  6. 7.
    Het zal duidelijk zijn, dat hij eveneens de gelijkheidS=I zou hebben kunnen vervangen door de gelijkheidas=n.Google Scholar
  7. 8.
    De economische relevantie van een dergelijk model is echter beperkt, zolang men niet heeft aangegeven, hoe de gelijkheid tussensa enn wordt bereikt. Aan dit bezwaar kan worden tegemoet gekomen door een aanpassingsmechanisme in het model op te nemen. In de literatuur zijn een drietal mechanismen ontwikkeld: het neoklassieke mechanisme via veranderingen in de kapitaalcoëfficiënt, het Kaldoriaanse mechanisme via veranderingen in de spaarquote en het klassieke mechanisme via veranderingen in de groeivoet van de werkende bevolking.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1969

Authors and Affiliations

  • S. K. Kuipers

There are no affiliations available

Personalised recommendations