De Economist

, Volume 103, Issue 1, pp 685–707 | Cite as

De determinanten van de inkomensverdeling: Een formule ten behoeve van de practijk

Article
  • 12 Downloads

Keywords

International Economic Public Finance 

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 1).
    Een uitzondering vormen de door Pigou geïnspireerde bespiegelingen van Dalton e.a. over de vraag, wat er met het aandeel van een factor gebeurt wanneer het aanbod ervan toeneemt.Google Scholar
  2. 2).
    M. Kalecki, The Distribution of National Income, in: Essays in the Theory of Economic Fluctuations, 1939. Zie ook The Theoriy of Economic Dynamics, 1954, biz. 28 e. v.Google Scholar
  3. 3).
    A. Mitra. The Share of Wages in National Income, 1954.Google Scholar
  4. 4).
    Vgl. „Het nominale loon als instrument van de politiek der inkomensverdeling”. E.S.B. van 20 April 1955, blz. 309 e.v.Google Scholar
  5. 5).
    Op. Cit. Vgl. „Het nominale loon als instrument van de politiek der inkomensverdeling”. E.S.B. van 20 April 1955, blz. 28 e.v.Google Scholar
  6. 6).
    The British Economy in the Nineteenth Century, blz. 228.Google Scholar
  7. 7).
    A Note Monopoly, Economica Mei 1941.Google Scholar
  8. 8).
  9. 9).
    Op. Cit., blz. 31.Google Scholar
  10. 10).
    Blz. 56 e.v.Google Scholar
  11. 11).
    Dat ook l en r in de formule voorkomen wordt door de schrijver verder veronachtzaamd.Google Scholar
  12. 12).
    Al vermeldt de schrijver dit niet. Hij introduceert op blz. 57 zeer terloops.Google Scholar
  13. 13).
    Mitra, t.a.p. blz. 71. „... changes in the elasticity of demand with consequent simultaneous changes in the magnitudes of the „number” of competitors and the zero-demand price do not lead to any significant variation in the wage-share ...”.Google Scholar
  14. 14).
    Mitra, blz. 67.Google Scholar
  15. 15).
    Waarbij wij de door Mitra verwaarloosde r (het invoerprijspeil) weer hebben ingevoerd; de verwaarlozing heeft geen enkele redelijke grond. De factor 1 (de loonvoet) die ook in Mitra's algemene formule voorkomt, behoeft niet afzonderlijk vermeld te worden; zij is impliciet is s (de reële loonvoet).Google Scholar
  16. 16).
    Vergelijk een aantekening van onze hand in de E.S.B. van 4 Juli 1951: „Het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen”.Google Scholar
  17. 17).
    Men zou kunnen menen, dat hetzelfde geldt voor prijswijzigingen van consumptiegoederen, die niet in de loonvoet worden doorgegeven. In onze formule wordt dit verschijnsel echter reeds uitgedrukt door de reële loonvoet.Google Scholar
  18. 18).
    Daarmede vindt Kalecki's monopoliegraad indirect een plaats in onze theorie; hij is immers ten naastebij gelijk aan de nominale brutowinstmarge.Google Scholar
  19. 19).
    In de geldtheorie is een soortgelijk begrip geïntroduceerd door M. W. Holtrop (De omloopsnelheid van het geld, Amsterdam 1928); het wordt ook gebruikt door J. Zijlstra (De omloopsnelheid van het geld en zijn betekenis voor geldwaarde en monetair evenwicht, Leiden 1948).Google Scholar
  20. 20).
    Dat is ook uit anderen hoofde zoals het moet zijn. Want als in alle vier aandelen de factora voorkwam zou hun onderlinge verhouding, en daarmede de inkomensverdeling invariant zijn ten opzichte van de voortplanting van ruilvoetwijzigingen. Onze stelling is juist, dat de ruilvoetvoortplanting de inkomensverhoudingen beïnvloedt, en daarmede is in overeenstemming dat zij in de bepaling van het winstaandeel niet expliciet als correctiefactor voorkomt.Google Scholar
  21. 21).
    De correctiefactor is over langere perioden bezien doorgaans minder relevant.Google Scholar
  22. 22).
    18 November 1954.Google Scholar
  23. 23).
    Men kan dit nog als volgt toelichten. Bij gegeven omvang van de afhankelijke beroepsbevolking bepaalt de arbeidsproductiviteit het nationale inkomen zoals dat er uit zou zien zonder internationale handel (in de statistische terminologie: „voor de ruil”). De ruilvoet geeft aan, hoeveel daarvan moet worden afgestaan in het internationale verkeer. Samen bepalen arbeidsproductiviteit en ruilvoet dus hoe groot het inkomen is van de gemiddelde inkomenstrekker. Door het gemiddelde loon per arbeider te vergelijken met dit gemiddelde nationale inkomen, vindt men, bij gegeven verhouding tussen totale beroepsbevolking en afhankelijke beroepsbevolking, andermaal het arbeidsaandeel in het nationale inkomen. De laatste methode, waarbij het gemiddelde loon vergeleken wordt met het gemiddelde nationale inkomen, is gevolgd door de Sociaal-Economische Raad in zijn „Nota betreffende het vraagstuk van eventuele loonsverhogingen” (27 Augustus 1954). Deze methode laat alleen conclusies toe over het arbeidsaandeel, indien men aanneemt dat de genoemde verhouding tussen totale beroepsbevolking en afhankelijke beroepsbevolking constant is.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1955

Authors and Affiliations

  • J. Pen

There are no affiliations available

Personalised recommendations