Advertisement

De Economist

, Volume 103, Issue 1, pp 421–445 | Cite as

Monetair evenwicht en inkomensevenwicht

  • F. J. De Jong
Article

Keywords

International Economic Public Finance 
These keywords were added by machine and not by the authors. This process is experimental and the keywords may be updated as the learning algorithm improves.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 2).
    J. G. Koopmans: „Zum Problem des ‘Neutralen’ Geldes”, in de bundelBeiträge zur Geldtheorie onder redactie van F. A. von Hayek, Wenen 1933, p. 211/359.Google Scholar
  2. 3).
    Bestemd voor de serie „Inleiding tot de economische problematiek”, Oosthoek, Utrecht.Google Scholar
  3. 4).
    Deze term is van J. G. Koopmans: „De budgetvergelijking als verbindingsschakel tussen micro- en macro-economie”,De Economist CIII (1955), p. 81/116, inzh. p. 95/96 (in de afzonderlijke uitgave van deze inaugurcle rede: p. 15/16). Voegt men aan de kasvergelijking de externe transacties toe, die niet in de vorm van geld zijn afgewikkeld, dan ontstaat de betalingsbalansvergelijking. Voegt men er vervolgens bovendien de interne transacties aan toe, dan verkrijgt men de volledige begrotingsvergelijking (in het EnglesBudget equation genaamd). De kasvergelijking is volgens Koopmans een geschikt uitgangspunt voor demonetaire analyse.Google Scholar
  4. 5).
    Koopmans: „Zum Problem”, p. 270/271. — In mijn bovenstaande tekst wordt thans de terminologie vatgesteld, die ik in dit artikel zal volgen.Google Scholar
  5. 6).
    Het is duidelijk, dat vergelijking (7), die het karakter van evenwichtsvoorwaarde bezit, uit vegelijking (6) is afgeleid, door in de beide leden van (6) de grootheidC weg te schrappen. DezeC is in beide gevallen dezelfde grootheid; immers, in het linkerlid stelt deC een plan tot consumptieve aanwending van het verworven inkomen voor en in het rechterlid een plan tot consumptieve besteding, hetgeenuit de aard van de zaak dezelfde grootheid is. De opmerking, die Geodhart in het tweede gedeelte van zijn artikel op blz. 292 maakt, dat de evenwichtswoorwaarde (7) slechts wordt verkregen door „de kunst-greep toe te passen, de vraag naar consumptiegeoderen per definitie gelijk te stellen aan het aanbod van consumptiegoederen”, kan dan ook m.i. op de in mijn bovenstaande tekst gevolgde procedure geen betrekking hebben.Google Scholar
  6. 7).
    Koopmans: „Zum Problem”, p. 265: „Das bedeutet also, ... dass die endgültigen Lösungen (Wurzeln') des jeweils tatsächlich vorliegenden Systems ‘sukzessiver’ Gleichungen mit denen des entsprechenden idealtypischen sumultanen Gleichungssystems übereinstimmen”.Google Scholar
  7. 7).
    In het linkerlid steltS (t) een functiesymbool voor, op dezlfde wijze zoals iny=y(x) dey achter hetv teken=een functiesymbool is.Google Scholar
  8. 8).
    Koopmans: „Zum Problem”, p. 278, alinea 2; men lette op het woord „gleichzeitig”.Google Scholar
  9. 9).
    Koopmans: „Zum Problem”, p. 271.Google Scholar
  10. 10).
    Het overige gedeelte van ΔL t wordt blijkbaar geïnvesteerd; hiermede is de voorlopige vooronderstelling van een in mijn terminologieautonome 1 dus losgelaten, aanagezienI r nu eveneens een functie vanY r is.Google Scholar
  11. 11).
    Deze redenering is een Keynesiaans getintevariant van die, welke koopmans geeft in „Zum Problem”, p. 269/270. De „variant” schuilt hierin, dat Koopmans de geïnduceerde oppottingen op klassieke wijze niet laat afhangen van wijzigingen van het inkomenY, doch van het algemene prijsniveaup. In mijn uiteenzetting daarentegen ben ik er van uitgegaan, dat de marktvorm die van het homoeopolypolie-homoeopolyopsonie is, zodat subject 1 met zijn ontpotting geenmerk-bare invloed op de goederenprijze kan oefenen. Laat men deze vooronderstelling vallen, dan moetS (althans bij gelijkblijvende interest-voet) een functie zijn vanp ènY.Google Scholar
  12. 12).
    Men kan nu stellen, dat het homoeopolypolie kan medebrengen, dat het inkomen van ieder subjectk slechts zat toenemen met\(\frac{1}{{m - 1}} \times \) x en dat de subjectenk op zulk een kleine verandering van hun inkomen vermoedelijk niet zullen reageren (immersm nadert to ∞), met het gevolg, dat de waarde van vergelijking (12) nagenoeg nihil is, zodat tòch voor het volle bedrag autonome oppottingen zijn vereist. M.i. behoeft deze tegenwerping echte niet te gelden, indien — hetgeen waarschijnlijk is — het door subject 1 ontpotte bedrag voor de volle omvang bij slechts éen of weinigen der subjectenk terecht komt.Google Scholar
  13. 12).
    Hier treedt het in § 5 (zie fig. 2 en 3) nog te bespreken monetaire driehoekseffect op. Zoals Goedhart terecht aangeeft, stijgt nuY, zonder dat het monetaire evenwicht wordt doorbroken.Google Scholar
  14. 13).
    Daarom vormen de geïnduceerde oppottingen (volgens mijn terminologie)op zichzelf geen volledig „compenserend” of „neutraliserend” element tegenover de autonome ontpotting elders. Dit is m.i.voor het geval van ideaaltypische, d.i. in dit geval (aansluitend op de ruilverkeershuischouding in natura)simultane, vergelijkingen de zin van hetgeen Koopmans schrijft in „Zum Problem” op p. 268, bovenste helft. Gaat men van dynamische vergelijkingen (14) en (15)iuncto (11) uit, dan zijn de geïnduceerde oppottingen uiteraardin het geheel geen neutraliserend element; dan kancet. par. slechts op den duur, en dan bovendien op een ander (hoger) niveau, een nieuw monetair evenwicht worden hersteld.Google Scholar
  15. 14).
    Dit is kennelijk ook de mening van Koopmans: „De budgetvergelijking”, p. 116 (p. 36), die, handelenden over de grootheden uit de begrotingsvergelijking in deex-ante-analyse, spreekt over „de... relatie tussen de betrokken grootheden, welke door de algemene budgetver-gelijking wordt weergeven” en over de „de evenwichtsvoorwaarden, waaraan voldaan moet worden, opdat deze grootheden zowel in deze macro-budgetvergelijking als in de overige relaties van het stelsel passen”. De relatie tussen de betrokken grootheden, gennamd „budget-vergelijking”, gaat blijkbaar naar Koopmans' mening micro-economisch ook in deex-ante-versie altijd op.Google Scholar
  16. 15).
    J. M. Keynes: „The General Theory of Employment, Interest and Money”, Londen 1936, p. 25 e.v. Voor toelichting hierop zie men b.v. F. J. de Jong: „Supply Functions in Keynesian Economics,Economic Journal LXIV (1954), p. 3/24, met discussie tussen R. G. Hawtrey en schrijver dezes inE. J., Dec. 1954; de discussie zal in een van de komende nummers worden voortgezet door D. H. Robertson, waarop weer een antwoord van schrijver dezes zal volgen, met een aantekening over het begrip monetair evenwicht daaraan toegevoegd.Google Scholar
  17. 16).
    Aldus b.v. F. de Roos: „De betrekkingen tussen sparen en investeren”, Haarlem 1951, p. 26; evenzo mijn in the vorige voetnoot vermelde Engelse artikel. Zie voorts A. Barrère: „Théorie économique et impulsion Keynésienne”, Parijs 1952, p. 197iuncto p. 227 e. v. Het voornaamste punt van verschil tussen de neokeynesiaanse en de klassieke theorie is, dat in de eerstgenoemde theorieS als een functie van (0.a.) het reële nationalle inkomen wordt opgevat, terwijl in de laatstgenoemde theorieS enI functies van uitsluitend de interestvooet zijn.Google Scholar
  18. 17).
    Barr⪻re, p. 198. M.i. bedoelt hij hiermede, dat Keyne's evenwichts-voorwaardeD-Z moet impliceren — anders dan Keynes in 1936 zelf beweerde — dat de gelijkheid tussenS enI slechts als evenwichtsvoor-waasrde (bevattende louter spontane elementen) relevant is en niet, zoals Keynes juist wèl bedoelde, alsex-post-identiteit. Maarex ante S=I betekent in de idealtypisch-simultane interpretatie monetair evenwicht (koopmans).Google Scholar
  19. 18).
    D. H. Robertson: „Saving and Hoarding”,Economic Journal XLIII (1933), p. 399/413, herdrukt in zijn bundel „Essays in Monetary Theory”, Londen &c. 1940, p. 65/82, inzh. p. 65 en 77/78. Eerder reeds in zijn „Banking Policy and he Price Level”, Londen 1926, p. 59.Google Scholar
  20. 19).
    L. A. Metzler: „Three Lags in the Circular Flow of Income”, in de bundel „Income, Employment and Public Policy: Essays in Honor of alvin H. Hansen”, New York 1948, p. 11/32. Zie ook De Roos, p. 30.Google Scholar
  21. 20).
    Dit is depayment interval van J. W. Angell: „The components of the Circular Velocity of Money”,Quarterly Journal of Economics LI (1936/37), p. 224/271, inzh. p. 242; zie ook J. Zijlstra: „De omloopssnelheid van het geld en zijn betekenis voor geldwaarde en monetair evenwicht”, Leiden 1948, p. 40.Google Scholar
  22. 21).
    Zijlstra, p. 195. In mijn terminologie is „kringloopsnelheid”: identiek met „inkomensomloopsenhleid”.Google Scholar
  23. 22).
    Income-propagation period bij F. Machlup: „Period Analysis and Multiplier Theory”,Quarterly Journal of Economics LIV (1939/40), p. 1/27 herdrukt in de bundel „Readings in Business Cycle Theory” onder redactie van G. von Haberler, Philadelphia & Toronto 1944, p. 203/234, inzh. p. 208. Op deze opvatting is critiek geleverd door G. Ackely: „The Multiplier Time Period: Money, Inventories, and Flexibility”,American Economic Review XLI (1951), p. 350/368, en door R. Turvey: „Some Notes on Multiplier Theory”,American Economic Review XLIII (1953), p. 275/295, inzh. p. 295: ik geloof echter niet, dat deze critiek zeer relevant is. Een bespreking van deze kwestie zou mij te ver buiten het kader van dit artikel voeren. De lengte van de gemiddelde inkomens-periode zal voor Nederland in 1953 volgens een ruwe schatting ongeveer 2 1/2 maand hebeen bedrage.Google Scholar
  24. 23).
    The round volgens Joan Robinson: „Introduction to the Theory of Employment”, Londen 1937, herdruk van 1947, p. 16.Google Scholar
  25. 24).
    Zie ook De Roos, p. 37. De uitwerking voor een open volkshuis-houding vindt men bij F. Machlup: „International Trade and the National Income Multiplier”, Philadelphia 1943.Google Scholar
  26. 25).
    In deze eenvoudige versie zijn dus de overheidshuishoudingen evenmin als financiële instellingen van de PH noch ook van de CH afgesplitst.Google Scholar
  27. 26).
    Een gedeelte van de oppottingen kan weer worden bestemd voor geldvernietiging (betalingen aan geldscheppende huishoudingen). Omgekeerd is het 't gemakkelijkst, bij wijze van denkhulpmiddel aan te nemen, dat nieuw geschapen geld in eerste instantie in zijn geheel leidt tot opptting, terwijl uit de aldus vergrote kas (eventueel nog in dezelfde periode) kan worden ontpot.Google Scholar
  28. 27).
    De termen „beschikbaar” en „verdiend inkomen” worden hier dus in een enigszins andere betekenis gebezigd, dan waarin Robertson ze zelf heeft toegepast. Om te beginnen is de vertraging, waarmede het verdiende inkomen van periode (t) beschikbaar komt in periode (t+1), niet Robertsons „dag”, doch de inkomensperiode, doordat ook de vertragingen aan de productiezijde in de lengte van de periode zijn opgenomen. In de tweede plaats past Robertson de begrippen verdiend en beschikbaar inkomen toe op beide groepen individuen, waarover hij spreekt, nl., „ondernemers” en „publiek”. In mijn tekst is de onderscheiding tussen PH en CH daarentegen een onderscheiding tussensoorten van huishoudingen, waartssssen echter een personele unie bestaat, omdat de kostwinners van de CH in de PH werkzaam zijn; nu stelt uitsluitendY ru het verdiende enY cu het beschikbare inkomen voor. Laatstgenoemde edenering is ook gevolgd in „De werking van een volkshuishouding”, I, hst. II.Google Scholar
  29. 28).
    J. R. Hicks: „Mr. Keynes and the ‘Classics’: A Suggested Interpretation”Econometrica V (1937), p. 147/159, herdrukt in de bundel „Readings in the Theory of Income Distribution”, Philadelphia & Toronto 1946, p. 461/476; zie aldaar fig. 1 en 2 op p. 469; de in bovenstaande teskt geciteerde zin staat op p. 476. Zie voorts van dezelfde schrijver: „A Contribution to the Theory of the Trade Cycle”, Oxford 1950, p. 147, alwaar ook de termMonetary equilibrium voorkomt.Google Scholar
  30. 29).
    Indien de spontane investeringen bij stijgend nationaal inkomen van periode tot periode constant blijven dan wel minder sterk toenemen dan de spontane besparingen, heeft de „equatiecurve”S=I dezelfde vorm als die in onze fig. 1.Google Scholar
  31. 30).
    Koopmans: „Zum Problem”, p. 294 e.v.Google Scholar
  32. 31).
    Koopmans: „De budgetvergelijking”, p. 108 (p. 28).Google Scholar
  33. 31).
    D.w.z. het gewogen rekenkundige gemiddelde van de aantallen huschoudingen in alle partiële geldkringlopen met de omvangen van de geldstromen, die de partiële kringlopen doorlopen, als wegingscoëfficiënten. Zie hierover Zijlstra, p. 32/33.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1955

Authors and Affiliations

  • F. J. De Jong

There are no affiliations available

Personalised recommendations