De Economist

, Volume 103, Issue 1, pp 81–116 | Cite as

De budgetvergelijking als verbindingsschakel tussen micro- en macro-economie

  • J. G. Koopmans
Article
  • 16 Downloads

Keywords

International Economic Public Finance 

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 1).
    Linear Aggregation of Economic Relations, Amsterdam, 1954.Google Scholar
  2. 2).
    Ingeluid door Pareto en verder uitgewerkt o.m. door J. R. Hicks en R. G. D. Allen in hun bekende artikel „A Reconsideration of the Theory of Value”, Economica, 1934.Google Scholar
  3. 3).
    Aldus o.m. in de bekende „vereenvoudigde” weergave, welke G. Cassel in zijn „Theoretische Sozialökonomie” van het vergelijkingenstelsel van Walras heeft gegeven, en in het algemeen bij al die schrijvers, welke het gedrag van een economisch subject met betrekking tot n gevraagde en/of aangeboden soorten objecten bepaald achten door de reactie van dit subject — al dan niet op grond, van een als gegeven aangenomen preferentieschaal — op de n prijzen of (n−1) prijsverhoudingen van deze objecten, alsmede op de gegeven aanvangsvoorraad van elk van deze objecten, zonder dat hierbij explicite van hettotale inkomen of detotale beschikbare koopkracht als begrenzende factor melding wordt gemaakt. In feite is deze totale koopkracht echter implicite gegeven door de aanvangshoeveelheden van de n objecten, waarover het subject beschikt, vermenigvuldigd met de n prijzen of de (n−1) prijsverhoudingen (in het eerste geval is de nominale èn de reële, in het laatste geval alleen de reële koopkracht bepaald). Het subject kan derhalve ten aanzien van de door hem bij deze prijsverhoudingen te vragen of aan te bieden hoeveelheden hoogstens (n−1) maal een keuzehandeling verrichten, maar ten aanzien van de hoeveelheid van het n-de object heeft hij dan geen keuzevrijheid meer, aangezien dit een restgrootheid is, welke wordt bepaald door de budgetvergelijking p1.(q1−Q1).+p2. (q2−Q2)+......pn.(qn−Qn)=0, waarin p1 etc. de prijzen van de n objecten, Q1 etc. de gegeven aanvangshoeveelheden, en q1 etc. de hoeveelheden na de door het subject beoogde ruilhandelingen voorstellen. Deze n-de vergelijking drukt dus eenbeperking van de keuzevrijheid voor het subject uit; vgl. de in de Angelsaksische literatuur voorkomende uitdrukking „budgetrestraint”.Google Scholar
  4. 4).
    Genoemd kan in dit verband worden de zgn. „input-output” analyse van Leontieff en anderen, waarvan de uitwerking echter in andere richting gaat dan de hierna door mij te ontwikkelen gedachtengang.Google Scholar
  5. 5).
    Dit vindt trouwens ook zijn weerspiegeling in de internationale literatuur over ons onderwerp: in Volume XII van de serie „Studies in Income and Wealth” van het National Bureau of Economic Research in de Verenigde Staten, verschenen in het jaar 1950, wordt uitdrukkelijk geconstateerd, dat tot dat tijdstip, enkele incidentele uitzonderingen daargelaten, de bestudering van het „Wealth”-aspect een niet onbelang-rijke achterstand vertoonde bij dat van het inkomensaspect, en dat men in dit deel van de bedoelde reeks publicaties er voor het eerst bewust naar streefde om deze onevenwichtigheid enigszins te herstellen.Google Scholar
  6. 6).
    Met dien verstande, dat men hier bij „qualiteiten” zelfs niet aan verschillende juridische hoedanigheden — zoals bijv. de vertegenwoordiging van meer dan één lastgever—heeft te denken.Google Scholar
  7. 7).
    Het criterium voor hetgeen een zelfstandigehuishouding, is kan dan blijven corresponderen met hetgeen hieronder meestal en doelmatigerwijze wordt verstaan: n.l. een eenheid, waarvan het economisch gedrag van een centraal punt uit wordt geleid; dus bijvoorbeeld een gezin (maar ook een gezin met annex een éénmansbedrijf), een ondernerming (in de vorm van een firma of een N.V.), een groep ondernemingen (moedermaatschaappij met onzelfstandige dochtermaatschappijen), een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, of een overheidslichaam met zelfstandige besluitbevoegdheid (dus o.m. ook een overheidsbedrijf).Google Scholar
  8. 8).
    Dit geval kan n.l. doelmatiger als een overdracht om niet worden beschouwd.Google Scholar
  9. 9).
    Inderdaad is dit het omgekeerde geval van het „monetiseren”, n.l. het (door tussenkomst van een geldscheppende instelling) in geld omzetten van een langlopende vordering.Google Scholar
  10. 10).
    Aan het naast elkaar noemen van deze beide laatste categoriën behoeft men niet al te zeer aanstoot te nemen; wie enigszins met de geschiedenis van het geldwezen op de hoogte is, weet, dat de activiteit van de voorlaatste groep in vele gevallen praktisch nauwelijks van die van de laatstgenoemde te onderscheiden is geweest, behalve dan wat de omvang betreft! Geldtheoretisch bezien staan zij in ieder geval op één lijn, zolang althans, wat de valse munter betreft, diens product niet als zodanig herkend wordt; ook dit is, terloops opgemerkt, een verschilpunt tussen de economische en de juridische beschouwingswijze.Google Scholar
  11. 11).
    In een gesloten macro-groep is dientengevolge het totaal van alle uitgaven noodzakelijkerwijze gelijk aan dat van alle ontvangsten, en welzonder enig voorbehoud voor geldschepping of geldvernietiging. Goudriaan, „Economie in Zestien Bladzijden”, pag. 2, maakt dit voorbehoud wel, hetgeen m.i. slechts te verklaren is, indien men geldschepping als een „ontvangst”voor de geldscheppende huishouding zelf beschouwt. Bij de door mij gekozen definities is dit niet het geval. (Het vinden van door een ander verloren, geld is echter wel een „ontvangst” voor de vinder, maar dan ook tevens een „uitgave” voor de verliezer). Wèl geldt in mijn stelsel van definities, dat — eveneens voor een gesloten macro-groep—het saldo van alle oppottingen en ontpottingen noodzakelijk gelijk is aan dat van de totale geldschepping minus geldvernietiging gedurende de periode (vgl. D. H. Robertson: ‘All money which is anywhere must be somewhere”). „Oppotten” en „ontpotten” omvat bij mijn wijze van definiëring n.l.alle toevoegingen en onttrekkingen aan de kasvoorraden ongeacht de motieven, dus ook zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke of blijvende vergroting of verkleining van deze voorraden; m.a.w. hierbij wordt geen verschil gemaakt tussen „active” en „idle money”.Google Scholar
  12. 12).
    Ook de fiscus pleegt dit aldus op te vatten.Google Scholar
  13. 13).
    In dit geval is hetbedrag van de fictieve heen-en-weer-betaling door de inhoud van de overeenkomst zelf gegeven; in verschillende andere gevallen zal dit bedrag echter — bijv. aan de hand van de voor overrenkomstige prestaties geldende marktprijzen — moeten worden geschat.Google Scholar
  14. 14).
    Dezelfde complicatie zou zich ook reeds bij de zuivere geldvergelijking hebben kunnen voordoen, indien wij daar met het voorkomen van vreemde valuta's in de kasvoorraden zouden hebben rekening gehouden. (Op te merken valt, dat deze in ons stelsel inderdaad als deel van de kasvoorraden, dusniet als „vorderingen”, moeten worden beschouwd).Google Scholar
  15. 15).
    Deze term wordt hier dus in ietwat beperkte zin gebruikt, nl. zodanig dat aftrekken — d.w.z. negatief optellen—hier niet onder valt; zie echter noot 24) Van de bruto-investeringen per micro-huishouding moeten eerst de desinvesteringen in diezelfde huishouding worden afgetrokken; de daarna overblijvende netto-bedragen zijn dan voor de maatschappij als geheel bij elkander optelbaar, met dien verstanden, dat zij zowel een positief als een negatief netto-totaal kunnen opleveren. (In dit geval omvat de „additie” dus ook aftrekkingen, hierna over de netto-investeringen.Google Scholar
  16. 16) en 17).
    Naar analogie van hetgeen voor een land gebruikelijk is, zou men hier van de „kapitaal-import”, resp. „kapitaal-export” van de betrokken micro-huishoudingen kunnen spreken. Ook de termen goederen- en dienstenimport resp.-export zijn desgewenst op analoge wijze voor de micro-huishoudingen te gebruiken, zie hierna blz. 113.Google Scholar
  17. 18).
    De additieve en niet-additieve posten zijn daarentegen over beide zijden van de vergelijking verspreid, zie de tekst hierna.Google Scholar
  18. 19).
    Vgl. de opstelling in mijn artikel „Beschouwingen naar aanleiding van het Bankverslag 1953” in Econ.-Stat. Berichten van 9 Juni 1954, blz. 451/2. waarbij de groepering van de posten echter in verband met de aldaar aan de orde zijnde probleemstelling iets anders was: in navolging van het Bankverslag en het Monetair Overzicht van het Centraal Planbureau was daar nl. een onderscheid gemaakt tussen enerzijdsinkomensoverdrachten om niet envermogensoverdrachten om niet en anderzijds tussen langlopende en kortlopende crediettransacties (kapitaalmarkt-transacties tegenover transacties in zgn. secundaire liquiditeiten), terwijl bovendien de langlopende crediettransacties tezamen met de vermogensoverdrachten om niet, aan de linkerzijde van de netto-opstelling voorkwamen, zodat het totaal ter weerszijden van deze opstelling niet dezelfde betekenis had als in de tekst hierboven. (Dat de opstelling in bovengenoemd artikel voor macro-groepen gold en de hierboven weergegevene voor micro-huishoudingen, vormt daarentegengeen essentieel verschil).Google Scholar
  19. 20).
    Behoudens de vermogensoverdrachten om niet komt het totaal aan deze zijde van de vergelijking overeen met hetgeen het Centraal Planbureau in het Monetaire Overzicht 1953 als „besparingen” aanduidt; daarentegenniet met het „inkomensoverschot”, welk laatste gevonden wordt door, behalve de consumptie, ook de netto-investeringen als aftrekpostter linkerzijde van de vergelijking, op te nemen.Google Scholar
  20. 21).
    Afkorting voor „transfer-ontvangsten”; eventueel (met tegengesteld teken) Tu, d.w.z. transfer-uitgaven.Google Scholar
  21. 22).
    Afkorting voor „kapitaal-export”, zie boven noot 16) en 17); eventueel (met tegengesteld teken) K1 mp.Google Scholar
  22. 23).
    Over de plaatsing van deze post ter rechterzijde van het=teken kan men aarzelen; strikt genomen is deze alleen juist voor het fiduciaire geld, waarvan de uitgifte eenverplichting voor de uitgevende instellingen schept; zie ook noot 47) hierna.Google Scholar
  23. 24).
    Van de bruto-investeringen per micro-huishouding moeten eerst de desinvesteringen in diezelfde huishouding worden afgetrokken; de daarna overblijvende netto-bedragen zijn dan voor de maatschappij als geheel bij elkander optelbaar, met dien verstande, dat zij zowel een positief als een negatief netto-totaal kunnen opleveren. (In dit geval omvat de „additie” dus ook aftrekkingen, vgl. noot 15) Deze term wordt hier dus in ietwat beperkte zin gebruikt, nl. zodanig dat aftrekken—d.w.z negatief optellen—hier niet onder valt; hiervoor).Google Scholar
  24. 25).
    De aankoop van duurzame consumptiegoederen wordt als regel aanstonds voor het volle bedrag als consumptie geregistreerd; alleen voor woonhuizen en — een enkele maal — voor auto's pleegt men dit anders te doen. Een twijfelachtig geval zijn ook kunst-en andere collecties met een beleggingskarakter.Google Scholar
  25. 26).
    Bijv. fooien, of aankopen van artikelen, waarvan de prijs een toeslag voor een liefdadig doel bevat.Google Scholar
  26. 27).
    Bijv. een renteloos voorschot, nominaal als zodanig verstrekt, maar in feite als een gift à fonds perdu bedoeld.Google Scholar
  27. 28).
    Ook overigens vormen deze overdrachten een vrij heterogene ver zameling, van de kant van de overdragende partij uit gezien variërend van onvrijwillige illegale overdrachten (diefstal, verduistering, afpersing), via vrijwillige illegale (omkoping, spel en weddenschap) tot vrijwillige legale (schenkingen, contributies voor liefdadige doeleinden, kwijtschelding van vorderingen, subsidies) en onvrijwillige legale, welke laatste wellicht de belangrijkste categorie vormen (alimentatieverplichtingen, schadevergoedingen wegens onrechtmatige daad, enniet te vergeten-belastingen). Bij het opstellen van gedragsfuncties zal het uiteraard nuttig zijn een onderscheid te maken tussen vrijwillige en onvrijwillige overdrachten.Google Scholar
  28. 29).
    In de Angelsaksische literatuur vallen al deze transacties onder de benaming „dealings in securities” (=waardepapieren). In het Nederlands is m.i. de beste verzamelnaam „kapitaalimport” resp. „kapitaalexport”, ontleend aan het internationale verkeer en per analogie ook op de micro-huishoudingen—resp. op andere dan geografische macro-groeperingen—toe te passen, zie noot 16) en 17) Naar analogie van hetgeen voor een land gebruikelijk is, zou men hier van de „kapitaal-import”, resp. „kapitaal-export” van de betrokken micro-huishoudingen kunnen spreken. Ook de termen goederen-en dienstenimport resp.-export zijn desgewenst op analoge wijze voor de micro-huishoudingen te gebruiken, zie hierna blz. 113. hiervoor.Google Scholar
  29. 30).
    In verband met de aandeelhoudersrechten rijst het belangrijke probleem van de registratie van uitgekeerde en niet-uitgekeerde winsten van N.V.'s. Men kan dit technisch op verschillende manieren oplossen. De meest consequente methode in het kader van het hier uiteengezette stelsel is m.i., om alle winsten in eerste instantie niet als verdiend inkomenvan de N.V., maar als eenverplichting jegens de winstgerechtigden te beschouwen, m.a.w. hiervoor een „kapitaalimport” te registreren, met als tegenpost een overeenkomstige „kapitaalexport” (credietverlening) door de winstgerechtigden en tegelijk een overeenkomstig bedrag „verdiend inkomen” bij deze zelfde winstgerechtigden. De latere gehele of gedeeltelijke winstuitkering kan dan als een aflossing van schuld (kapitaalexport door de N.V. en dito-import door de winstge-rechtigden) worden gezien, terwijl de niet-uitgekeerde winst aldus automatisch als een verhoging van het oorspronkelijk gestorte kapitaal bij de aandeelhouders te boek komt te staan, hetgeen correspondeert met de (vrije) reserves aan de passiefzijde van de balans der N.V. Andere constructies zijn eveneens mogelijk, maar m.i. minder doelmatig in verband met de consolidering tot macro-groeperingen.Google Scholar
  30. 31).
    De elementen voor deze kostprijsberekening worden gevormd door (a) alle „input”-bestanddelen, welke blijkens het voorafgaande tot de „investering” van de betreffende micro-huishouding gedurende de betrokken periode moeten worden gerekend, vermeerderd met (b) het gedurende deze periode verbruikte deel van de aanvangsvoorraad aan investeringsgoederen (Keynes' „User Cost”; hierin zijn dus mede de afschrijvingen op vaste productiemiddelen begrepen) en verminderd met (c) de goederen, welke gedurende de periode aan de voorraad zijn toegevoegd—door aankoop of door productie—en bij het einde van de periode nog aanwezig zijn. Voorzover onder (c)geproduceerde goederen begrepen zijn, worden deze voor dit doel mede tegen kostprijs—berekend op de basis van (a) plus (b)— gewaardeerd (voor de waardering van de bestanddelen van (a) en (b) zelf zie hierna). Het saldo (a) plus (b) minus (c) is dan de kostprijs van de gedurende de periode aan de huishoudingonttrokken goederen en/of de door haar gepresteerde diensten, en dit saldo geldt in ons stelsel als „desinvestering”, terwijl hetgeen deze goederen of diensten meer of minder hebben opgebracht, als winst of verlies (d.w.z. positief of negatief „verdiend inkomen”) wordt beschouwd.Google Scholar
  31. 32).
    Dit is dus wederom een soort „interne transactie”.Google Scholar
  32. 33).
    Met hetzelfde voorbehoud, dat hierboven in noot 24) Van de bruto-investeringen per micro-huishouding moeten eerst de desinvesteringen in diezelfde huishouding worden afgetrokken; de daarna overblijvende netto-bedragen zijn dan voor de maatschappij als geheel bij elkander optelbaar, met dien verstande dat zij zowel een positief als een negatief netto-totaal kunnen opleveren. (In dit geval omvat de „additie” dus ook aftrekkingen, voor de post „netto-investering” werd gemaakt.Google Scholar
  33. 34).
    Vgl. hieromtrent o.m. mijn artikel „Herstel van Watersnoodschade uit het Nationale Inkomen” in Econ.-Stat. Berichten van 4 Maart 1953. Aan het hier gestelde wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid, dat de schade voor de micro-huishouding eventueel door verzekering of op andere wijze—bijvoorbeeld een bijdrage van de overheid—wordt goedgemaakt. Deze vergoedingen moeten—zelfs al is de aanspraak hierop door een premiebetaling verkregen—in het hier uiteengezette stelsel als een overdracht om niet worden gezien; maat-schappelijk gezien wordt hierdoor de schade immers niethersteld, maar alleen op een andere wijze over de micro-huishoudingen omgeslagen. (Voor een „open” macro-groepering—bijv. een land, zie hierna—moet in dit geval onderscheid worden gemaakt tussen verzekering bij binnenlandse of bij buitenlandse verzekeraars; ook de betaling door deze laatsten is dan echter voor het betrokken land weer een ontvangen overdracht om niet).Google Scholar
  34. 35).
    In de—op dit punt verkorte—gesproken tekst van mijn rede heb ik het ten onrechte zo voorgesteld, alsof mijn terminologie ook in dit opzicht met die van Keynes c.s. zou overeenkomen, hetgeen in feite echter niet het geval is; aan de zakelijke inhoud van het bovenstaande doet dit intussen geen afbreuk.Google Scholar
  35. 36).
    In elk van deze soorten huishoudingen komen namelijk dezelfde rubrieken ontvangsten en uitgaven voor, welke hierboven werden onderscheiden; zo kunnen bijvoorbeeld ook de overheidsuitgaven in de reële sfeer zinvol gesplitst worden in consumptieve en investeringsuitgaven, al kan men over deze splitsing in grensgevallen weer uiteenlopend oordelen. Wel is het uiteraard zo, dat in verschillende soorten huishoundingen telkens andere rubrieken ontvangsten en uitgaven zullen overwegen: zo zal bijv. aan de ontvangstenzijde van de gezinshuishoudingen normaliter de post „verdiend inkomen”, in die van de bedrijfshuishoudingen de desinvesteringen en de „kapitaalimport” (zie boven), en in die van de overheidshuishoudingen de ontvangen overdrachten om niet (belastingen!) de belangrijkste plaats innemen.Google Scholar
  36. 37).
    Dit veronderstelt, dat de bedoelde vorderingen en schulden in de vermogensopstelling van de desbetreffende crediteuren en debiteuren gelijk gewaardeerd worden, hetgeen o.m. impliceert, dat alle herwaarderingen hiervan conform in de vermogensopstelling van beide partijen tot uiting moeten komen, met dienovereenkomstige boekingen in de tijdvakrekeningen onder de posten „kapitaalimport” en „kapitaalexport” (zie boven noot 16) en 17)). Op de hieruit voortvloeiende technische complicaties kan ik te dezer plaatse niet nader ingaan.Google Scholar
  37. 38).
    Hiermede is dus bedoeld het binnen de groep uitgegeven geld, dat zich in handen van niet-groepsleden bevindt.Google Scholar
  38. 39).
    In absolute zin zal daarentegen bij uitbreiding van de macrogroep het aantal externe transacties een tijdlang kunnen toenemen; echter niet onbeperkt (zie de tekst hierboven).Google Scholar
  39. 40).
    Men bedenke hierbij, dat, indien men appreciatie of depreciatieniet als inkomen wenst te beschouwen, de daarmede corresponderende bedragen eveneens onder het hoofd „investering” of desinvestering” wegvallen.Google Scholar
  40. 41).
    In de internationale—speciaal de Angelsaksische—literatuur vindt men dikwijls de voorstelling, alsof deze gelijkheid voor een land als geheel evenzeer als voor een gesloten macro-groep noodzakelijkerwijze zou moeten bestaan: verwerving van vorderingen op het buitenland wordt dan als „foreign investment” en vermindering van de omvang van deze vorderingen als „foreign desinvestment” betiteld. Dit is niet alleen het gevolg van het feit, dat de Engelse taal voor onze begrippen „investeren” (in reële goederen) en „beleggen” (in waardepapieren) een en hetzelfde woord „investment” gebruikt; veelal is het nl. wel degelijk aldus bedoeld, dat men in de buitenlandse waarde-papieren een aanspraak op een stukreëel vermogen van het buitenland belichaamd ziet. Wanneer men eenmaal deze constructie aanvaardt, is het echter weinig logisch dit niet ook voor de micro-huishouding te doen. Ten aanzien van deze laatste wordt echter in het algemeen grif toegegeven, dat sparen en investerenniet behoeven samen te vallen. Dit laatste is m.i. inderdaad juist maar dàn ook evenzeer voor de „open” macro-groepering!Google Scholar
  41. 42).
    Vgl. H. W. J. Bosman, „Enkele beschouwingen over het Monetair Overzicht”, Maandschrift Economie, Maart 1954, blz. 270 vlgg.Google Scholar
  42. 43).
    Onder „externe” kasvoorraden” wordt hier verstaan het bezit aanbuiten de groep uitgegeven geld in handen van leden van de groep, onder aftrek van hetbinnen de groep uitgegeven geld in handen van niet-leden van de groep; voor een land komt dit overeen met de nettonationale goud- en deviezenvoorraad. Een afzonderlijke post voor de netto-geldschepping, zoals deze in de budgetvergelijking van de microhuishouding op blz. 100 voorkwam, is bij deze wijze van definiëring overbodig; immers het deel hiervan, dat zich in de kassen van de groepsleden bevindt, valt bij de consolidering weg, en het overige gedeelte is verwerkt in de hiervoor bedoelde aftrekpost. (Zie echter noot 47) hierna met betrekking tot het volwaardige metaalgeld).Google Scholar
  43. 44).
    Al dan niet met inbegrip van de netto-appreciatie van reële activa. Deze totale „netto-vermogensvermeerdering” kan overigens desgewenst worden gesplitst in een gedeelte „vermeerdering vanintern vermogen”, gerepresenteerd door de netto-investering in reële goederen, en een gedeelte „vermeerdering vanextern vermogen”, bestaande uit de nettotoeneming van het saldo van externe vorderingen en schulden en van de „externe kasvoorraad” als in de voorafgaande noot bedoeld; vgl. in dit verband de toelichting op het Monetaire Overzicht bij het Centraal Economisch Plan 1953, blz. 5 en vlgg.Google Scholar
  44. 45).
    Zie hierna noot 47) Hierbij wordt uitgegaan van de zgn. „aanwijzingstheorie” van het geld, krachtens welke niet alleen het fiduciaire geld (uitgegeven door banken, girodiensten of overheden) maar ook het volwaardige metaalgeld als een soort „vordering” („claim”) op goederen of diensten— dus als eenextern vermogensbestanddeel—wordt beschouwd. Vandaar het gelijkstellen van goud- en deviezenbezitGoogle Scholar
  45. 46).
    Vgl. noot 16) en 17) Naar analogie van hetgeen voor een land gebruikelijk is, zou men hier van de „kapitaal-import”, resp. „kapitaal-export” van de betrokken micro-huishoudingen kunnen spreken. Ook de termen goederen-en dienstenimport resp.-export zijn desgewenst op analoge wijze voor de micro-huishoudingen te gebruiken, zie hierna blz. 113.Google Scholar
  46. 47).
    Hierbij wordt uitgegaan van de zgn. „aanwijzingstheorie” van het geld, krachtens welke niet alleen het fiduciaire geld (uitgegeven door banken, girodiensten of overheden) maar ook het volwaardige metaalgeld als een soort „vordering” („claim”) op goederen of diensten—dus als eenextern vermogensbestanddeel—wordt beschouwd. Vandaar het gelijkstellen van goud- en deviezenbezit in noot 43) Onder „externe” kasvoorraden” wordt hier verstaan het bezit aanbuiten de groep uitgegeven geld in handen van leden van de groep, onder aftrek van hetbinnen de groep uitgegeven geld in handen van niet-leden van de groep; voor een land komt dit overeen met de nettonationale goud-en devizenvoorraad. Een afzonderlijke post voor de netto-geldschepping, zoals deze in de budgetvergelijking van de microhuishouding op blz. 100 voorkwam, is bij deze wijze van definiëring overbodig; immers het deel hiervan, dat zich in de kassen van de groepsleden bevindt, valt bij de consolidering weg, en het overige gedeelte is verwerkt in de hiervoor bedoelde aftrekpost. (Zie echter noot hierboven, alsmede de op de voorgaande pagina voorkomende stelling, dat bij consolidering over de wereld als geheel de netto-mutaties in de kasvoorraden wegvallen. (Dit laatste levert overigens enige moeilijkheden op met betrekking tot de inkomsten uit goudwinning, welke ik hier uit overwegingen van plaatsruimte onbesproken moet laten).Google Scholar
  47. 48).
    Zou men bijdeze wijze van opstelling de consolidering voortzetten tot de gesloten macro-groep—eventueel de wereld als geheel—dan zouden uiteraard alle posten van de vergelijking op nul salderen; m.a.w. er bestaat dan. zoals reeds eerder in de tekst werd opgemerkt, geen „betalingsbalans” meer.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1955

Authors and Affiliations

  • J. G. Koopmans

There are no affiliations available

Personalised recommendations