De Economist

, Volume 37, Issue 1, pp 771–803 | Cite as

De Daling van den Rentestand; Haar oorzaken en haar naaste Toekomst

Vervolg en slot
  • J. d'Aulnis de Bourouill
Article
  • 11 Downloads

Keywords

International Economic Public Finance 

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    t. a. p. bl. 242. “Dire, que c'est l'offre et la demande qui fixent le taux de l'intérêt, c'est émettre une proposition vraie, mais d'une vérité qui ne dit rien à l'esprit. Dire que le taux de l'intérêt dépend de la productivité moyenne des nouveaux capitaux créés dans le pays ou survenant dans le pays, c'est émettre une proposition à la fois scientifique et d'une grande importance pratique car elle permet au savant de faire des prévisions certaines sur la marche du taux de l'intérêt dans l'avenir et dans les diverses contrées.”Google Scholar
  2. 1).
    Men kan het ook zoo uitdrukken: niet omdat de rente laag is, begint men minder winstgevende ondernemingen, maar omdat men de laatste begint daalt de rente. Reeds Wilhelm Roscher (Die Grundlagen der Nationalökonomie I, § 188, noot 6) ziet in de beeldspraak van Turgot “eine Verwechselung von Ursache und Wirkung”, — doch hij verzuimt zijne meening nader toetelichten. Uitmuntend schrijft von Mangoldt (Volkswirthschaftslehre, bl. 147) in een eenigszins ander verband: “Man musz sich hüten.... Ursache “und Wirkung zu verwechseln. Das spätere Capital ist nicht, wie es seinem “Eigenthümer scheinen mag, darum von geringerem Nutzen, weil das “Mehrangebot der mit seiner Hülfe erzeugten Güter deren Preis drückt, “sondern es drückt den Preis, weil die mehrerzeugten Güter den Consumenten “von geringerem Nutzen sind.”Google Scholar
  3. 1).
    Vgl. W. Stanley Jevons, Investigations in Currency and Finance, London 1884, met het daarbij gevoegde diagram, aanwijzende den koers der Engelsche 3 pCt. consols sedert 1731. Dat diagram is wat betreft de jaren 1732 tot 1802 opgemaakt naar de tafels van Sinclair's History of the British Revenue, geput uit de boeken der Londensche Beurs (bl. XII der Inleiding.)Google Scholar
  4. 2).
    Aanwijzing der heilzame Gronden en Maximen van de Republiek van Holland en Zeeland, I, cap. VII.Google Scholar
  5. 1).
    Dat Jevons hiervan zich bewust was, bewijst zijn uitspraak: “Our formula “shows that, unless there be constant progress in the arts, the “rate must soon sink towards Zero.” Of echter de zaak hem volkomen helder was, betwijfel ik, want vlak te voren vermeldt hij met instemming de stelling, dat de rentevoet daalt “as society progresses and capital accumulates”. Toelichting ware hier lang niet overbodig geweest. Zou Jevons zelf niet hebben gevoeld, dat deze uitspraken moeilijk vereenigbaar zijn? Zij leidt te eerder tot verwarring, nu Jevons zijn abstracte theorie door bijna geen toepassing op concreete toestanden heeft toegelicht. In het voorbijgaan doe ik opmerken, dat de uitdrukking “sink towards Zero” niet bedoelt dat het nulpunt zal worden bereikt, doch enkel dat daling zal plaats hebben in de richting van het nulpunt.Google Scholar
  6. 1).
    In Schönberg 's Handbuch der politischen Oekonomie (I bl. 486, § 36 “über die Bestimmungsgründe des reinen Zinses” en vgl.) heeft Th. Mithoff denkbeelden geuit, welke in hoofdzaak met die van Jevons en P. Leroy-Beaulieu overeenstemmen.Google Scholar
  7. 1).
    Principles of political Economy, Boek IV, Hoofdst. VI, § 1.Google Scholar
  8. 1).
    Het lot der zes groote spoorwegen, die door de streken van het Verre Westen heen de Stille Zuidzee met de Staten van het Oosten verbinden, doet voorshands niet licht nieuwe ondernemingen van dien aard verwachten. De Southern Pacific deelt geen dividend uit; de Central-Pacific gaf over haar aandeelenkapitaal van 68 millioen dollars eenige jaren niets, thans 1 pCt.; geen dividend wordt uitgekeerd door de Union Pacific over een aandeelenkapitaal van 60 millioen dollars; evenmin door de Northern Pacific. Over de aandeelen der Canadian Pacific, à 65 millioen dollars, wordt geen dividend verdiend, doch slechts door het Canadeesch gouvernement de gewaarborgde rente van 3 pCt. betaald. De lijn St. Louis-Francisco heeft wel voor haar preferente, doch niet voor haar gewone aandeelen (common stock) winst behaald. De eenige van de bedoelde lijnen, welke dividend geeft, de Atchison-Topeka-SantaFé, gaf tot voor korten tijd 6 pCt., dooh juist heden (3 October 1888) wordt bericht, dat een kwartaalsdividend van slechts 1/2 pCt. zal worden uitgekeerd. Deze zes maatschappijen te zamen bezitten eene baanlengte van 45.500 kilometers, alzoo ongeveer 1/5 van het geheele reusachtige net der Unie; eene lengte gelijk aan de gezamenlijke banen van het Duitsche Rijk en Italië. De landstreken echter, welke zij doorsnijden, — en nevens de hare bestaan daarin, vooral in Canada, nog vele andere wegen, — hadden in 1880 eene bevolking van slechts 8.932.000 zielen. Voor financiëele mededeelingen omtrent Amerikaansche spoorwegen raadplege men hetInvestor's supplement of the Commercial and financial Chronicle, verschijnende te New-York.Google Scholar
  9. 1).
    Uebersichten der Weltwirthschaft, 1887, blz. 489.Google Scholar
  10. 1).
    De gegevens voor Frankrijk zijn door mij geput uit de jaargangen 1886 en 1888 van het officieele Bulletin de Statistique et de législation comparée, De andere zijn afkomstig van von Neumann-Spallart,Google Scholar
  11. 1).
    Volgens de opgaven van het Statistisch Jaarboek is de toeneming der Nederlandsche spoorwegen sedert 1882 aldus geweest:1883. 1884. 1885. 1886. 1887. kilometers 112 127 146 61 98 De banen, welker aanleg is voorgeschreven bij de Wet van 10 Nov. 1875, Staatsblad no 205, zijn thans bijna geheel voltooid, met uitzondering van den weg naar den Hoek van Holland.Google Scholar
  12. 1).
    De aanlegkosten per kilometer in Nederlandsche guldens bedragen: Duitschland ... 159,084 Oostenrijk-Hong. 187,584 België ... 185,100 Gr. Brit. en Ierland 317,400 Italië ... 144,798 Zwitserland 164,958 Frankrijk ... 193,020 Spanje ... 133,980 Nederland. 144,414 Rusland ... 124,800 Zweden ... 58,000 De gegevens zijn geput uit v. Neumann's Uebersichten der Weltwirthschaft bl. 517 vlgg.Google Scholar
  13. 1).
    De geheele lengte van de spoorwegen onzer aarde bedroeg in 1885 484.458 kilometers, waarvan voor Europa., ... 195.176 Vereenigde Staten 204.366 Canada ... 17.280 Britsch Indië ... 19.917 alle andere landen ... 47.719Google Scholar
  14. 1).
    Statistik der Neuzeit, 1883.Google Scholar
  15. 2).
    Statistical Abstract for the principal and other foreign countries, 1888, blz. 204.Google Scholar
  16. 1).
    Het is hier de plaats voor eene opmerking van theoretischen aard. De waarde van deze vaste kapitalen wordt in het verkeer berokend door de vruchten, welke zij aan hun eigenaar verzekeren, in geld to schatten en vervolgens naar zekeren rentevoet te kapitaliseeren. Van daar, dat het den schijn heeft, dat deze vaste kapitalen zelve op den rentestand geen invloed uitoefenen. Reeds J. B. Say (Traité, Boek II, hoofdst 8) verkondigt die stelling en zoo schrijft ook Leroy-Beaulieu (p. 243): “la productivité moyenne des anciens capitaux “qui sont pour la plupart incorporés en terres, en maisons, en fabriques, “n'exerce plus aucune influence sur le taux de l'intérêt: elle contribue “seulement à augmenter ou à diminuer la valeur vénale de ces capitaux. “C'est l'abondance ou la rareté des seuls capitaux circulants qui influe “sur le taux de l'intérêt; l'abondance ou la rareté des capitaux fixes n'a “pas la même action.” Naar mijne meening, is de zaak deze. De koopwaarde van de landerijen, de fabrieken, de huizen, de schepen is zeer zeker slechts het gekapitaliseerde nette-inkomen, dat zij afwerpen. Maar al die zakeu zelve oefenen, langs indireeten weg, namelijk door de producten, die er mede worden voortgebracht, wel degelijk op den rentestand invloed uit. Want al is by. een vruchtbaar stuk land zelf geen levensmiddel, het geeft toch de mogelijkheid om met weinig moeite veel levensmiddelen te verwerven. De aanwezigheid van al die rijkdommen, met wier hulp de maatschappij de zaken voor hare dagelijksche behoeften verwerft, is dus van invloed op de hoeveelheid nieuwe kapitalen, die gevormd worden, en mitsdien op den rentestand. Mocht eens een belangrijk deel der vaste kapitalen van een volk vernietigd worden, het onmiddellijk gevolg zeu zijn verminderde voortbrenging der andere; en de rentestand zou stijgen. Er bestaat hier, wel bezien, veeleer overeenkomst dan strijd met de theorie van Jevons. Deze leert, dat de interest afhangt van de productiviteit der laatste toevoegsels, alzoo der nieuw gevormde kapitalen. Maar juist die nieuwe zijn bijna altijd bruikbaar voor zeer verschillende industrieën, en hebben bijna nooit dadelijk den vorm van “vast” kapitaal. Dit vaste is m. a. w. meest altijd oud kapitaal; het maakt deel uit van het kapitaal in zijn geheel; het oefent invloed uit op den rentestand; maar het doet zulks niet rechtstreeks. Men zou het kunnen vergelijken bij de achterhoede en het centrum van een leger, dat door de voorhoede slag leveren doet en aan deze telkens nieuwe troepen toezendt. Door op deze wijze de rol te ontvouwen, welke de verschillende deelen van den maatschappelijken rijkdom bij de nieuwe voortbrenging vervullen, schijnt mij een bevredigende oplossing gevonden te zijn voor den strijd, waarop ik in den aanvang van dit opstel wees, over de vraag in hoever de bodem als kapitaal meet worden beschouwd.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1888

Authors and Affiliations

  • J. d'Aulnis de Bourouill

There are no affiliations available

Personalised recommendations