Advertisement

De Economist

, Volume 50, Issue 1, pp 88–130 | Cite as

Koloniale kroniek

  • J. K. W. Quarles van Ufford
Article
  • 19 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    Daarbij bleef echter de regeling der financieele verhouding van Nederland tot Ned.-Indië, de «eereschuld» enz., schier onbesproken. Er scheen eene stilzwijgende overeenkomst te bestaan het debat daarover uit te stellen totdat de voorgenomen herziening der Comptabiliteitswet aan de orde zou zijn. Ook het verder debat over de Solovallei-werken bleef tot nader uitgesteld. De Erste Kamer bepaalde zich schier geheel tot een schriftelijk debat.Google Scholar
  2. 1).
    Dat gebrek aan ruimte, gepaard aan overvloed van stof, is wellicht de reden dat «de Ind. Gids», op p. 1533 zijner December-aflevering van onze October-kroniek melding makende, er weinig meer van zegt dan dat onze revue in vele opzichten met de zijne parallel Joopt, om dan op slechts één punt daaruit te wijzen en wel met het kennelijk doel om aan de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, gelijk men zegt, een hak te zetten. Wat dat parallel loopen betreft, in de Kroniek wordt toch nog al eens een werk besproken dat in «de Ind. Gids» onbesproken bleef, bv. laatst Prof. Clive Day's belangrijke verhandeling. «De Ind. Gids» zegt telkens de koloniale literatuur gaarne zoo volledig mogelijk te willen vermelden en laat zich dikwerf welwillen over ons literarisch overzicht in «de Economist” uit. Zou het nu niet in de richting van dien Gids liggen om, doende wat bv. ook het Bataviaasch Genootschap in de laatste jaren en onlangs ook Soerja Soemirat deed, de inhoudsopgave, die steeds aan het hoofd der Kol. Kroniek voorkomt, in zijne Revue over te nemen? Stellig zijn niet alle lezers van «de I. G.» tevens lezers van «de Econ.» Vinden de Gidslezers in dat tijdschrift de inhoudsopgave onzer Kol. Kroniek, zij weten dan wat zij daarin zouden aantreffen. Aangezien onze Kroniek gewoonlijk slechts een paar malen 'sjaars verschijnt, zou het voldoen aan onzen wensch aan de geachte Redactie van «de Ind. Gids» niet veel moeite kosten, — en tevens hare Revue nog iets vollediger maken.Google Scholar
  3. 1).
    Te dier gelegenheid bespraken we menig ander over Britsch-Indië handelend geschrift, waarin over irrigatiën, opleiding van ambtenaren, comptabiliteitswezen en andere nu nog bij ons aan-hangige zaken sprake was, en welke wellicht nu nog met vrucht door onze wetgevers zouden kunnen worden geraadpleegd.Google Scholar
  4. 1).
    Ook weêr bij de jongste begrootingsdebatten, voegen wij er bij.Google Scholar
  5. 2).
    Mooi gezegd. Maar is het niet al te mooi, waar zoo dikwerf geklaagd is over te groote bemoeizucht van vele ambtenaren? Z. o. a. p. 1536 v. «de Ind. Gids» v. December. Zie ook de eerste bladzijde van Luctor's artikel: «De Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur» in het «Tijdschrift v. h. B. B.» dl. 19, afl. 5.Google Scholar
  6. 1).
    Z. o. p. 1397.Google Scholar
  7. 1).
    En een die durft. Zie Lonies' verhaal in het «Dagblad v. Z.-H. en» 'sGravenhage van 20 December.Google Scholar
  8. 1).
    Een punt waarop wij bij herhaling wezen. Steeds te vergeefs. De schrijfmanie, de administratieve omslag neemt steeds toe.Google Scholar
  9. 1).
    Over wien zie o. a. onze Kroniek in «de Economist» van Juli 1895, p. 570. Wij lazen onlangs dat zijn daar besproken groot werk: «Nuttige Indische planten», voltooid is.Google Scholar
  10. 1).
    Over dat onderwerp zie men ook: «Dr. H. M. van Nes: De nieuwe Mystiek» Rotterdam, 1900.Google Scholar
  11. 1).
    Z. o. a. de nrs. 28, 30 en 38 van 1900.Google Scholar
  12. 2).
    Het «Handelslblad» van 26 Mei 1900, Hoogendoorn's artikel besprekende, zegt omtrent dit gewichtig punt, dat hij terecht den grooten toeloop van «erkende kinderen» wil stuiten, en dat eene regeling noodig is, waarbij de kinderen eener inlandsche moeder, niet door een huwelijk gewettigd,inlanders blyven, ook al zijn ze door een Europeeschen vader erkend. Het blad meent dat de Regeering en de geestelijkheid in Indië moesten samenwerken om de vermeerdering van het aantal van die paria's der Indische maatschappij zooveel doenlijk te beperken. Het acht Hoogendoorn's artikel, al zijn er aanmerkingen op te maken, zeer de aandacht waard.Google Scholar
  13. 1).
    Tot ongeveer gelijke conclusie kwam het «Handelsblad» van 24 Maart 1897 in zijn artikel: «Eene Kolonisatieprof.» Daarin wordt, op grond vooral der Koloniale Verslagen en met verwijzing naar de op 29 December 1896 door Dr. Swart Abrahamsz in het Indisch Genootschap tegen de kolonisatie van Europeanen in N. O. I. gehouden voordracht, een overzicht van het te Poespo gebeurde gegeven. Ten slotte wordt ongeveer het volgende gezegd: Ons schijnt de proef van Poespo zeer ontmoedigend voor hen, die nog, als middel tot wering van pauperisme in het moederland, van kolonisatieplannen droomen. De kosten waren gering, maar toch kost elk der te Poespo aanwezige gezinnen den Staat nu circa f850. Het bevalt den kolonisten, ondanks den vruchtbaren bodem en het goede klimaat van Poespo, niet bijzonder. De meesten blijven slechts enkele jaren. Zonder hulp van inlanders komen zij niet ver, en de verdiensten zijn gering. De menschen kunnen moeilijk met elkander overweg. Deze bezwaren zouden zich, vreezen wij, in veel hooger mate, en met nog andere vermeerderd, doen gevoelen wanneer men een zeker aantal Hollandsche gezinnen naar een ander Poespo overbracht.Google Scholar
  14. 1).
    Dat in Indië niet minder dan in Nederland vele leveranciers over achterlijke betalers te klagen hebben, bewijst het betreurenswaardig feit, dat het weekblad S. Soemirat in 1900 maanden lang eene lijst bevatte van personen die achterlijk bleven in de betaling van het aan hen op bestelling afgeleverde.Google Scholar
  15. 1).
    Het nummer 44 van «Soerja Soemirat», waaruit dat bericht werd overgenomen, werd door ons niet ontvangen.Google Scholar
  16. 1).
    Niet «Wet» gelijk «de Ind. Gids» van Februari 1898, p. 170, schreef.Google Scholar
  17. 2).
    Welke Maatschappij sedert lang voor die oprichting geijverd had.Google Scholar
  18. 1).
    Zie het lezenswaardige jongste Verslag dier bank ook in deel 19, afl. 3, van het «Tijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur.»Google Scholar
  19. 2).
    Z. o. a. Vaderland van 19 December, 2e B.Google Scholar
  20. 1).
    Z. o. Economist van Februari en April 1885 en Mei 1887, p. 553, over de stukken van de HH. van den Berg, Molster en a.Google Scholar
  21. 2).
    Zie ook de, kennelijk uit de «Maandcijfers» getrokken, cijfers daaromtrent in Pyttersen's nuttigen «Nederlandsche Staatsalmanak voor iedereen» voor 1901, p. 604.Google Scholar
  22. 1).
    Wij geven alleen de cijfers over 1899. Het verslag vermeldt ook die over 1898 om den vooruitgang te doen uitkomen.Google Scholar
  23. 2).
    Bij vergelijking van deze cijfers met die boven uit Soerja Soemirat overgenomen, vergete men niet dat dit blad sprak over den toestand op 17 November 1900, het Jaarverslag over dien op ultimo 1899. Soerja Soemirat van 28 Augustus deelt heel wat uit het Jaarverslag mede. De aandacht der redactie van dat weekblad (nu van de Semarangsche Courant) wordt gevestigd op het zoo belangrijk, ook om de cijfers welke het omtrent andere spaarbanken mededeelt, en inhoudrijk Jaarverslag der Spaarbank te Rotterdam, waaruit voor de beheerders der spaarbanken in N.-I. waarschijnlijk wel wat te leeren zou zijn.Google Scholar
  24. 1).
    Door ons besproken in het «Bijblad van den Economist» van 1860, p. 374.Google Scholar
  25. 1).
    Een denkbeeld men weet het, door velen voorgestaan.Google Scholar
  26. 2).
    Maar bestaat die wel op Java?Google Scholar
  27. 1).
    Uit het Decentralisatie-ontwerp weet men dat dit, en meer van hetgeen Chailley Bert wenschelijk acht, in het voornemen der Regeering ligt.Google Scholar
  28. 1).
    In dezelfde serie.Google Scholar
  29. 2).
    Dat eigenlijk geen godsdienst kan heeten, z. p. 131.Google Scholar
  30. 1).
    Waarover zie de Kol. Kroniek in «De Economist» van Juli 1892, p. 543.Google Scholar
  31. 2).
    Het werk waarvoor hij door de Parijsche Académie des Inscriptions et Belles Lettres met den Prix Stanislas-Julien vereerd werd, en waarvan “De Ind. Gids» van Juli 1893 een uitvoerig overzicht gaf.Google Scholar
  32. 1).
    Zie over diens «Beschouwingen» ook het artikel van P. H. van der Kemp in het «Sociaal Weekblad» van 5 Januari: «Gaat de welvaart der inlandsche bevolking op Java voor- of achteruit.?»Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1901

Authors and Affiliations

  • J. K. W. Quarles van Ufford

There are no affiliations available

Personalised recommendations