Advertisement

De Economist

, Volume 61, Issue 1, pp 337–388 | Cite as

Bedrijfsorganisatie op publiekrechtelijken grondslag

  • J. H. van Zanten
Article
  • 12 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 1).
    “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” in “Verspreide geschriften”, 1859, blz. 303.Google Scholar
  2. 2).
    Eblé. Les écoles catholiques d'économie politique et sociale en France, Paris, 1905, blz. 20 vlg.Google Scholar
  3. 3).
    Ibid. Eblé. Les écoles catholiques d'économie politique et sociale en France, Paris, 1905, blz. 110 en 111.Google Scholar
  4. 4).
    Ibid. Eblé. Les écoles catholiques d'économie politique et sociale en France, Paris, 1905. blz. 101.Google Scholar
  5. 5).
    Ibid. Eblé. Les écoles catholiques d'économie politique et sociale en France, Paris, 1905 blz. 124 vlg.Google Scholar
  6. 1).
  7. 1).
    Verslag van het congres blz. 232 vlg.Google Scholar
  8. 2).
    Ibid. Verslag van het congres blz. 427 vlg.Google Scholar
  9. 3).
    Ibid. Verslag van het congres blz. 299 vlg.Google Scholar
  10. 4).
    Ibid. Verslag van het congres blz. 489.Google Scholar
  11. 1).
    Ibid. Verslag van het congres blz. 331.Google Scholar
  12. 2).
    Merkwaardig was hier een discussie tusschen Dr. A. Kuyper en Mr. Th. Heemskerk over de vraag, of dergelijke bevoegdheden aan Kamers van Arbeid gegeven, niet in strijd kwamen met de souvereiniteit in eigen kring, waarbij de eerste onder eigen kring verstond dien van “den arbeid”, naar goddelijke ordonnantiën ingesteld evenals het huisgezin, en de tweede wilde onderscheiden den eigen kring der patroons en dien der werklieden, want onpartijdigheid was in een Kamer niet te vinden en zij zou dus òf ten voordeele van den eenen kring òf ten nadeele van den anderen beslissen, blz. 507 vlg.Google Scholar
  13. 3).
    Handelingen der Staten-Generaal 1895/96 Bijlage 88 blz. 14, 1e kolom.Google Scholar
  14. 4).
    Handelingen 1896/97 blz. 750 vlg.Google Scholar
  15. 1).
    Hij beriep zich hierbij op een werk van Rudolf Grätzer, Die Organisation der Berufs-Interessen, behandelende de geschiedenis en de hervorming der Duitsche “Handels- und Gewerbekammern, Landwirtschafts- und Arbeiterkammern” en de pogingen om die te centraliseeren in een “Volkswirtschaftsrat.” Het merkwaardige is echter, dat Grätzer zelfs iure constituendo aan die colleges volstrekt niet de bevoegdheid wilde geven regelingen met bindende kracht vast te stellen; hij zag er slechts adviseerende lichamen in, als onze Kamers van Koophandel, doch wilde hun toch eenige “Selbstverwaltung” geven, n.l. het beheer van verzekeringskassen, oppertoezicht op vakscholen, geregeld verband met de arbeidsinspectie, en derg., in ieder geval heel iets anders dan wetgevende bevoegdheid; den Volkswirtschaftsrat wilde hij zelfs “nur consultativ”, blz. 330. Het beroep op dezen schijver is dus wel bevreemdend, waar zich in dien tijd in Frankrijk reeds een geheele Katholieke litteratuur over bedrijfsorganisatie aan het ontwikkelen was en de heer Kuyper veel beter daar zijn licht had kunnen opsteken.Google Scholar
  16. 2).
    Handelingen 1896/97 blz. 761 en 762.Google Scholar
  17. 1).
    Ibid. Handelingen 1896/97 blz. 765.Google Scholar
  18. 2).
    Ibid. Handelingen 1896/97 blz. 786.Google Scholar
  19. 3).
    Handelingen Tweede Kamer 1901/02 blz. 582.Google Scholar
  20. 4).
    Handelingen 1903/04 Bijlage 133 blz. 32.Google Scholar
  21. 5.)
    Ibid. Handelingen 1903/04 Bijlage 133 blz. 37.Google Scholar
  22. 1).
    Handelingen 1904/05 Bijlage 30.Google Scholar
  23. 2).
    Nos van 19, 22, 24, 26 en 29 Juni 1908.Google Scholar
  24. 3).
    De Standaard van 23, 26, 28 en 30 April 1910.Google Scholar
  25. 1).
    Zie De Rotterdammer van 15 Januari 1910; J. van Waardhuizen in De Kamer van Arbeid 1909 blz. 173 en 1910 blz. 19, 25, 43, 73, 81 en 85.Google Scholar
  26. 2).
    Ds. J. C. Sikkel. Vakorganisatie naar christelijke beginselen, een toelichting op kort na de staking van 1903 in de vergadering der Nederlandsche Vereeniging van Patroons “Boaz” verdedigde stellingen over “De patroons en de vakorganisatie”, en “Vrijmaking van den arbeid”, een verdere uitwerking hiervan, beide Amsterdam-Pretoria 1903. Voorts stellingen over de taak der christelijke vakvereenigingen van werklieden, verdedigd in de christelijk-sociale conferentie van 9 en 10 Januari 1905, Proces-verbaal blz. 15 vlg.Google Scholar
  27. 1).
    Het bedrijf moet hebben, zooals de schrijver het in zijn jargon, dat hem direct als niet-jurist doet kennen, een “behoorlijk beschreven en gecontracteerde rechtsconstitutie, waardoor de rechtspositie der mannen, die in de arbeidsgemeenschap samenwerken, genoegzaam vastgesteld en gewaarborgd is”, 2e stelling ter conferentie van 1905.Google Scholar
  28. 2).
    Vrijmaking van den arbeid, blz. 172.Google Scholar
  29. 3).
    Zij moeten in “beschreven verband” komen, zegt hij.Google Scholar
  30. 1).
    Ibid. Zij moeten in “beschreven verband” komen, zegt hij. blz. 120 en 177.Google Scholar
  31. 2).
    Voor het geheele vak moeten de “rechtscostumen” worden “geconsolideerd”, Vrijmaking blz. 154.Google Scholar
  32. 3).
    Het werkliedenverbond “Patrimonium” kwam vooral sterk op tegen zijn standpunt ten aanzien der vakvereenigingen en zag hierin in de veelbewogen dagen van de staking van 1903 een bedreiging van de christelijke vakbeweging, die toen juist veel te lijden had wegens haar houding, en een aanmoediging van de patroons om onderhandelingen te weigeren. Later erkende men echter hierin verkeerd te hebben gezien. De heer Sikkel droeg inderdaad de christelijke vakactie een goed hart toe, doch beweerde slechts, dat zij nooit kon geven wat hij het eenig mogelijke achtte, de constitutioneele inrichting van het vak, en hij verlangde juist van haar, dat zij in overleg met de patroons zou trachten zijn denkbeelden te verwezenlijken.Google Scholar
  33. 4).
    In het weekblad “Patrimonium” van 17 September en 22 October 1903.Google Scholar
  34. 1).
    Handelingen Staten-Generaal 1909/10 Bijlage 302.Google Scholar
  35. 2).
    Ibid. Handelingen Staten-Generaal 1909/10 Bijlage 132.Google Scholar
  36. 3).
    Naar men weet, is het laatste ontwerp onder de afkeuring der Tweede Kamer bezweken en heeft de Minister ten aanzien van het eerste, mede wegens het verzet van die Kamer, verklaard art. 49 aldus te zullen wijzigen, dat de colleges niet meer zullen meewerken aan de uitvoering der arbeidswetten. Niettemin is de kennisneming van de beide ontwerpen van belang, omdat men er de in de partij heerschende denkbeelden in vindt, die later wel weder naar voren zullen treden, als de tijden daarvoor gunstiger zijn.Google Scholar
  37. 1).
    O. a. opgenomen in “De Kamer van Arbeid” van 1 en 15 September 1910.Google Scholar
  38. 2).
    J. van Hettinga Tromp bij de discussie over de rede van den heer van der Molen, zie De Kamer van Arbeid 1910 blz. 137 en in De Nieuwe Amsterdammer van 23 September 1910 en 27 Januari en 3 Februari 1911. J. Molenmaker in De Beweging van September 1910. Deze karakteriseert de colleges als “sociale gemeenteraden”.Google Scholar
  39. 1).
    Een uitnemend overzicht van het geheele vraagstuk, zooals dat in Duitschland is behandeld, is in den jaargang 1905 van het Katholiek Sociaal Weeklad gegeven door den redacteur, Mr. Aalberse, onder den titel “De wederorganisatie van de menschelijke samenleving”, blz. 387 enz. Op blz. 175 van den jaargang 1904 van ditzelfde tijdschrift vindt men een litteratuur-overzicht. Wij noemen hier Victor Cathrein, Moralphilosophie. Ratzinger, Die Volkswirtschaft in ihren sittlichen Grundlagen. Von Hertling, Naturrecht und Sozialpolitik. Albertus, Ueber die Notlage des Handwerks und die Mittel seiner Erhebung. Pesch, Liberalismus, Sozialismus und christliche Gesellschaftsordnung.Google Scholar
  40. 1).
    Vooral Albertus t.a.p. en Von Hertling in een van de Aufsätze und Reden socialpolitischen Inhalts 1884, blz. 56 vlg., waarvan een vertaling is opgenomen in den jaargang 1903 van het Katholiek Sociaal Weekblad blz. 397, enz.Google Scholar
  41. 2).
    München 1876, Düsseldorf 1883, Augsburg 1884, Keulen 1894: Die Gesellschaft muss nach Berufsständen auf christlicher Grundlage korporativ organisirt werden in einer den gesellschaftlichen und wirtschaftlichen Verhältnissen der Gegenwart angepassten Form, bij Angenent. Reorganisatie der kapitalistische maatschappij in “De Katholiek” Mei–Juni 1904 blz. 391–392.Google Scholar
  42. 3).
    Angenent, t.a. p. blz. 390.Google Scholar
  43. 1).
    Volgens mededeeling van den heer Nolens in de zitting der Tweede Kamer van 28 November 1910, Handelingen 1910/11 blz. 565.Google Scholar
  44. 2).
    Eblé, t.a.p. blz. 140 vlg. Et. Martin Saint-Léon, L'organisation professionnelle de l'avenir. Paris-Lyon 1905, blz. 24.Google Scholar
  45. 1).
    Eblé, t.a.p. blz. 157. Barthou, L'action syndicale blz. 55.Google Scholar
  46. 1).
    Het duidelijkst is dit op den voorgrond gesteld door Henri Lorin in de “Association catholique” van 1892 II blz. 11.Google Scholar
  47. 2).
    Zie ook Martin de Saint Léon, Histoire des corporations de métiers, Paris 1897 blz. 648 vlg.Google Scholar
  48. 1).
    Eblé, t. a. p. blz. 278.Google Scholar
  49. 2).
    Eblé, t. a. p. blz. 265 en 285. De la Tour du Pin, La représentation professionnelle, blz. 15.Google Scholar
  50. 3).
    L'organisation professionnelle de l'avenir, blz. 29.Google Scholar
  51. 1).
    Proposition de Loi sur l'organisation professionnelle. Session de 1906 No 217.Google Scholar
  52. 1).
    Katholiek Sociaal Weekblad jaarg. 1903 blz. 397 vlg.Google Scholar
  53. 2).
    Ibid. Katholiek Sociaal Weekblad jaarg. 1904 blz. 174.Google Scholar
  54. 3).
    Ibid. Katholiek Sociaal Weekblad blz. 387 vlg.Google Scholar
  55. 4).
    Handelingen Tweede Kamer 1910/11, blz. 565.Google Scholar
  56. 1).
    Aangehaald in Katholiek Sociaal Weekblad 1905 blz. 485/86.Google Scholar
  57. 1).
    Aangehaald door Eblé, t. a. p. blz. 269.Google Scholar
  58. 2).
    T. a. p. blz. 2 vlg.Google Scholar
  59. 3).
    T. a. p. blz. 385.Google Scholar
  60. 1).
    B.v. het scheepstimmerliedengild te Amsterdam, Mr. N. de Roever, Uit onze oude amstelstad, 2e druk, blz. 257 vlg.Google Scholar
  61. 2).
    Zie o. a. Mr. S. Muller, Schetsen uit de Middeleeuwen, 1900 blz. 133 vlg. Mr. N. de Roever t. a. p. blz. 249 vlg.Google Scholar
  62. 3).
    Mr. S. Muller t. a. p. blz. 127 vlg. Mr. N. de Roever t. a. p. blz. 156.Google Scholar
  63. 1).
    Mr. S. Muller t. a. p. blz. 131 merkt o. a. op, “dat, hoe uitnemend de regeling van het leerlingwezen ook bedoeld was, de praktijk in vele gevallen niet noemenswaardig van die onzer dagen zal hebben verschild.” De leerjongens noemt hij zelfs niet veel meer dan slaven! (blz. 129). Zie ook Mr. N. de Roever, t. a. p. blz. 156.Google Scholar
  64. 2).
    Geschiedkundige opstellen, uitgegeven ter eere van Dr. H.C. Rogge, blz. 87 vlg. 103, 104.Google Scholar
  65. 3).
    Georg Schanz, Zur Geschichte der Deutschen Gesellenverbände, 1877.Google Scholar
  66. 1).
    Wagenaar. Amsterdam in zijne opkomst, enz. ed. 1766, 9e stuk. Zie ook De Roever t. a. p. blz. 241.Google Scholar
  67. 2).
    Zie o. a. hierover Mr. S. Muller, t. a. p. blz. 120 vlg.Google Scholar
  68. 1).
    Men raadplege hierover de fraaie rapporten, uitgebracht door een commissie, benoemd door den Amsterdamschen gemeenteraad om enquêtes naar bedrijfstoestanden in te stellen, die dit o. a. voor het bouw-, het confectie-, het smids-, het bakkersbedrijf overtuigend aantoont.Google Scholar
  69. 1).
    Zie Mr. Dr. G. van Leyden. Intercommunale rechtspersonen. Artt. 121 en 122 der gemeentewet. Amsterdam, 1909.Google Scholar
  70. 1).
    Op dezen grond kan men, naar onze meening, dan ook niet spreken, zooals de heer Sikkel doet, van het vak als van een “organisme”. Een organisme is een uit verschillende deelen samengestelde eenheid, die niet kan voortbestaan, zoodra een dier deelen wordt weggenomen. Ook het vak is geen eenheid meer, zooals wij aantoonden; de timmermansbaas, de timmerfabrikant, de ondernemer, die als deel van zijn bedrijf timmerwerk doet uitvoeren, zij hebben geen gemeenschappelijke belangen, en als men een deel wegnam, zou dit volstrekt niet schaden. Het is de individueele onderneming, die met een organisme kan worden vergeleken. Het betoog van den heer Sikkel in Vrijmaking van den Arbeid, blz. 82 vlg. en Vakorgansatie naar christelijke beginselen, blz. 29 vlg., weerlegt dat in geenen deele. het bevat slechts theologische phrasen, zonder eenige argumenten aan de economie ontleend. Ten minste wij kunnen met den besten wil de argumenten niet ontdekken in zinnen als deze, die dan de quintessens moeten bevatten: “Het menschelijk gemeenschapsleven is niet in kringen of kasten opgesloten; neen, het is het ééne menschelijk leven zelf, het gemeenschapsleven door ééne menschheid, dat door Gods Geest in overeenstemming met het eenige Woord, door hetwelk alle dingen bestaan, innerlijk organisch is begaafd (sic) en geordend, en dat daarom is veelvoudigheid, nochtans één, uit de zeden en wortelen, uit de beginselen, die Gods Geest inlegt (!), opkomt in organische groepen en vormen, in bijzondere functiën en kringen”. “Zoo hebben de levenskringen een eigen recht en roeping, om vrij in haar organische banden te leven en zelf hun organische leven tot hooger ontwikkeling te brengen”. Enz.Google Scholar
  71. 1).
    Vgl. het op blz. 349 vermelde bezwaar van den heer Talma tegen het stelsel van den heer Sikkel.Google Scholar
  72. 1).
    Eblé, t. a. p. blz. 285. Du Tour du Pin t. a. p. blz. 15.Google Scholar
  73. 2).
    Men zie o. a. Raoul Jacy, Die Arbeitsräte in Frankreich. Heft 12 der Schriften der Gesellschaft fur Soziale Reform, blz. 82.Google Scholar
  74. 3).
    De Mun bij Eblé t. a. p. blz. 264, de Saint Léon, L'organisation professionnelle de l'avenir, blz. 24 vlg.Google Scholar
  75. 1).
    Du Tour du Pin t. a. p. blz. 16.Google Scholar
  76. 2).
    Van Waardhuizen in de Kamer van Arbeid van 1909 blz. 173 en 1910 blz. 19 vlg.Google Scholar
  77. 1).
    Handelingen Tweede Kamer 1910/11 blz. 79 vlg.Google Scholar
  78. 2).
    Zie o. a. Kuyper in de Standaard van 29 Juni 1908, die dit echter slechts wenscht als “de zegen des Heeren” over de loting kan worden afgesmeekt.Google Scholar
  79. 1).
    De Kamer van Arbeid 1910 blz. 138.Google Scholar
  80. 2).
    Handelingen Tweede Kamer 1910/11 blz. 619 vlg.Google Scholar
  81. 1).
    Vragen des Tijds van October 1907.Google Scholar
  82. 1).
    In de veronderstelling, dat mettertijd alle vakken in Kamers van Arbeid zijn vertegenwoordigd.Google Scholar
  83. 2).
    De eenvoudigste manier om dit getal te bepalen schijnt, het aantal op de kiezerslijst voor de Kamer van Arbeid geplaatsten als het aantal vakgenooten te beschouwen.Google Scholar
  84. 1).
    Handelingen der Tweede Kamer 1910/11. blz. 188.Google Scholar
  85. 2).
    Wij laten de arbeidersverzekeringwetgeving hier geheel buiten.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1912

Authors and Affiliations

  • J. H. van Zanten

There are no affiliations available

Personalised recommendations