Advertisement

De Economist

, Volume 41, Issue 2, pp 797–816 | Cite as

De Bedrijfs- en Beroepsbelasting

Article

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    Memorie van Toelichting bij art. 7.Google Scholar
  2. 1).
    Memorie van Toelichting op art. 1.Google Scholar
  3. 2).
    Volgens art. 61 van het wetsontwerp worden over het dienstjaar 1893–94 28 opcenten geheven. Voor de duidelijkheid laat ik hierachter deze opcenten buiten beschouwing. Worden er 28 opcenten geheven op de bedrijfsbelasting, dan worden de cijfers 250 en 4096 in plaats van 2 en 320.Google Scholar
  4. 1).
    Bij de Vermogensbelasting is een kapitaal beneden f 13.000 vrij, dus à 4 pCt. een inkomen van f 520. Maar bij grootere kapitalen wordt niet f 13.000 afgetrokken, doch f 10.000 gelijk aan à 4 pCt. f 400. Evenzoo wordt bier ook f 400 afgetrokken. Men betaalt niet over onderdeelen van f 100; maar tusschen f 1200 en f 2000 betaalt men over elke f 50.Google Scholar
  5. 1).
    § 1. Als zuivere baten worden aangemerkt: de verkregen voordeelen, daaronder begrepen uitkeering uit reserve-, herstellings- vernieuwingsfondsen en dergelijke, uitgedrukt in geld, en de ontvangsten wegens vroeger te veel afgeschreven schuldvorderingen of gedeelten van schuldvorderingen, een en ander verminderd met:a. eene rente op den voet van vier ten honderd in het jaar over het aan de deelhebbers toebchoorend in de onderneming aangewend kapitaal;b. de kosten van onderhoud en berstelling van gebouwen, machineriën, gereedschappen, als anderszins, voor zoover niet bestreden uit daarvoor bestemde fondsen;c. de loonen, de pakhuis-, kantoor, werkplaats-, winkel- of andere huren, de vrachten, de betaalde assurantiepenningen en verdere kosten ter uitoefening van het bedrijf of beroep. Is het perceel of zijn de perceelen het eigendom van den belasting plichtige, zoo wordt hij geacht eene huur te betalen van 7 ten honderd over de waarde van dat perceel of die perceelen. Uitgaven voor dienstboden en voor rijtuig met toebehooren, gedurende het vorig dienstjaar niet uitsluitend tot uitoefening van het bedrijf of beroep gebezigd, worden slechts voor de helft als bedrijfskosten aangemerkt.d. de als onverhaalbaar afgeschreven schuldvorderingen of gedeelte van schuldvorderingen, voor zoover niet bestreden uit daarvoor bestemde fondsen of gereserveerde gelden;e. de aan geldschieters, banken of anderen ter zake van het bedrijf of het beroep, betaalde of verschuldigde renten; daaronder niet begrepen de winst-uitkeeringen aan commanditaire vennooten of andere deelhebbers in de onderneming;f. de noodzakelijke afschrijvingen op eigendommen of hijschrijvingen op reserve-, herstellings-, vernieuwingsfondsen en dergelijke;g. de bijdragen aan fondsen tot ondersteuning van werklieden en gewezen werklieden der onderneming of van hunne nagelaten betrekkingen;h. de winstuitkeeringen aan beambten, werklieden of ander personeel;i. de zakelijke lasten die op het bedrijf rusten en de retributiën voor de uitocfening verschuldigd. Recognitiën, vergoedingen en andere uitkeeringen aan de kas van een staatsrechtelijk liehaam wegens eene door dat lichaam gedreven onderneming, mogen echter niet in mindering worden gebracht, met uitzondering alleen van renten van kapitaal bij derden opgenomen en werkelijk ten behoeve der onderneming aan-gewend;k. de kortingen van tractementen en andere belooningen wegens verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen.Google Scholar
  6. 1).
  7. 2).
  8. 1).
    Juister ware het misschien, als daarbij gevoegd was: “na aftrek” van 3 pCt. per jaar over den kostprijs van het schip, gerekend over “het aantal jaren dat het schip in de vaart geweest is”.Google Scholar
  9. 2).
    Bedoeld is zekerhier te lande gevestigde? Google Scholar
  10. 3).
    Zie art. 2 IV en Memorie van Toelichting.Google Scholar
  11. 4).
  12. 5).
    Memorie van Toelichting bij art. 1.Google Scholar
  13. 1).
    (Art. 5e.)Google Scholar
  14. 2).
  15. 3).
  16. 4).
  17. 5).
    Art. 4 § 1i.Google Scholar
  18. 1).
  19. 2).
    Hoe dit in de praktijk moet gaan is niet duidelijk. Ook blijkt niet, waarom dan naaml. vennootschappentoel moeten betalen over de uitdeelingen die zij ontvangen op reederij-aandeelen, commanditaire aandeelen etc.Google Scholar
  20. 3).
  21. 1).
  22. 2).
  23. 3).
  24. 4).
    Memorie van Toelichting bij art. 7.Google Scholar
  25. 1).
    Art. 3 § 1.Google Scholar
  26. 2).
    Art. 4 § 1k.Google Scholar
  27. 1).
    Memorie van Toelichting § 6.Google Scholar
  28. 2).
    Memorie van Toelichting bij art. 6.Google Scholar
  29. 3).
    Art. 4 § 2.Google Scholar
  30. 1).
  31. 2).
    Art. 23 § 3.Google Scholar
  32. 1).
    Art. 12 § 2.Google Scholar
  33. 2).
    Memorie van Toelichting § 5.Google Scholar
  34. 3).
    Memorie van Toelichting § 4.Google Scholar
  35. 4).
    Art. 53 § 7; en art. 16.Google Scholar
  36. 5).
    Art. 12 § 4.Google Scholar
  37. 6).
  38. 1).
    Memorie van Toelichting § 4.Google Scholar
  39. 2).
  40. 1).
    Art. 20 § 4a.Google Scholar
  41. 2).
    Art. 21 en 22.Google Scholar
  42. 3).
    Artt. 21, 50 en 53.Google Scholar
  43. 4).
  44. 5).
  45. 1).
    Art. 28 en 29.Raad ran beroep.Google Scholar
  46. 2).
  47. 3).
  48. 4).
  49. 1).
    Art. 53 § 1.Google Scholar
  50. 2).
    Art. 53 § 3.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1892

Authors and Affiliations

  • M. Mees

There are no affiliations available

Personalised recommendations