De Economist

, Volume 93, Issue 1, pp 282–295 | Cite as

De problematiek van het verstarringsverschijnsel

  • P. J. Verdoorn
Article
  • 11 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1).
    In:Beitr"age zur Geldtheorie (uitg. F. A. Hayek), 1933, p. 390.Google Scholar
  2. 2).
    De verstarring der productiekosten („Ned. Econ. Inst.“ No. 33), 1943, nader aan te duiden als„Verstarring“. Sedertdien verscheen nog een verkorte uitgaveOntwikkeling en druk der constante kosten („Ned. Econ. Inst.“ No. 33A), dat met terzijde lating der wiskundige hulpmiddelen alleen het vraagstuk der constante kosten behandelt.Google Scholar
  3. 3).
    Dr. F. A. G. Keesing in dit tijdschrift. 1943, No. 9/10 pag 477 e.v. en Dr. Walther Hoffmann, inWeltwirtschaftliches Archiv 1944, No. 1, pag. 19* e.v.Google Scholar
  4. 4).
    W. A. Jőhr,Theoretische Grundlagen der Wirtschaftspolitik Bd I „Die Argumente der Wirtschaftsfreiheit. Das Modell der volkommenen Kunkurrenz und seine Ann"aherungen an die Wirklichkeit“. (St. Galler Wirtschaftswissenschaftliche; Forschungen“, Bd I).Google Scholar
  5. 6).
    American Economic Review, vol. XXX No. 1, part. 2, supplement, Maart 1940, pag. 282.Google Scholar
  6. 7).
    Ir. H. J. Keus,De ondernemer en zijn sociaal-economische problemen, 1942, pag. 193 e.v.Google Scholar
  7. 8).
    „That last piece of rigidity (i.e. genoemde verplichting) was all too often rigor mortis and bankruptcy usually came from an overdose of overdue debts rather than from any crushing burden of fixed capital costs“. H. Heaton „Rigidity in business since the industrial revolution“,American Economic Review, t.a.p. pag. 309.Google Scholar
  8. 9).
    Gras,t.a.p., pag. 283.Google Scholar
  9. 10).
    Frederick C. Mills,The Behavior of Prices („National Bureau of Economic Research“, No 11), 1927, pag. 40.Google Scholar
  10. 11).
    Mills,t.a.p.Google Scholar
  11. 12).
    In„Verstarring“ luidde de laatste regel „een wijziging; in hetsystematisch verbnnd tusschen beide grootheden“. „Systematisch“ en "structureel“ zijn hier in beide gevallen identiek. In mijn dissertatie. werd de voorkeur gegeven aan den term systematisch, aangezien deze als statistischtcchmsche term bepaalde voordeelen biedt en daardoor onmiddellijk aansluiting geeft aan de theorie der „systematic“ en „random variations“. Vgl. bijv. R. Frisch,„Stat. Confluence Analysis by Means of Complete Regression Systems“, 1934, pag. 50.Google Scholar
  12. 13).
    E. Wagemann„Struktur und Rhythmus der Weltwirtschaft“, 1931, pag. 14; J. Tinbergen,„Economische Bewegingsleer“, 1943, pag. 110;„Verstarring“ pag. 8 e.v.Google Scholar
  13. 14).
    Voor de verschillende andere beteekenissen, waarin de term „datum“ in de economie wordt gebezigd, vgl. Hennipman,„Enkele problemen der economische dyna-mica“, 1939, pag. 16 no. 2.Google Scholar
  14. 15).
    Vergelijk bijv. zijn tabellen in„Konjunkturlehre“, pag. 286 e.v. waar hij dieze structuurmetina practisch heeft doorgevoerd.Google Scholar
  15. 17).
    „Ces modifications (nl. de storingsverschijnselen in het conomisch systeem,schr.) peuvent se produire sur les constantes additives et sur les paramétres multiplicateurs de nos ‚equations .... En général, ces changements de coefficients sont significatifs de changements de structure du système économique“. „Les fondements mathematiques de la stabilisation du Mouvement des Affaires“, Parijs 1938, pag. 34.Google Scholar
  16. 18).
    De grootte van de elasticiteit behoeft daarmede nog niet noodzakelijkerwijs op empirische wijze bepaald te zijn, vgl. Pigou's berekening van de aanbodselasticiteit van den arbeid,(The Theory of Unemployment, 1933, pag. 97).Google Scholar
  17. 19).
    Noorduyn's Wetenschappelijke reeks. No. 1, 1942.Google Scholar
  18. 20).
    Book III Ch. XI § 3, 3e druk, pag. 471.Google Scholar
  19. 21).
    In John St. Mill's systeem zouden deze elasticiteiten, indien zij representatief zijn voor een geheele volkshuishouding of voor een geheelen bedrijfstak, door de hooge mate van generalisatie, welke zij vertegenwoordigen, eerder de „axiomata media“ der economie vertegenwoordigen, dan Mill's „empirical laws“. Deze laatsten zijn immers van uiterst beperkte geldigheid, daar zij slechts openkele concrete gevallen betrekking hebben. De „axiomata media“ vormen, volgens Mill en Bacon, de ruggegraat eener wetenschap, aangezien zij inliggen tusschen de meest algemeene wetten, die door hun algemeenheid te weinig concreet zijn en de zoo juist besproken „empirical laws“, die weer te weinig algemeen zijn. De hypothetisehe strtuctuur ware dus te beschouwen als representatief voor de „axiomata media“ der economie. Het is opmerkelijk, dat ook de moderne sociologie de termen „structuur“ en „principia media“ in overeenkomstigen zin bezigt. (J. St. Mill, System of Logic, Book VI, Ch. V § 5 en Ch. X § 6; Mannheim „Mensch und Gesellschaft in Zeitalter des Umbaus“, 1935, pag. 130 e.v.)Google Scholar
  20. 21a).
    E. S. Mason „Price Inflexibility“,Review of Economic Statistics, Mei 1938, pag. 53 e.v.Google Scholar
  21. 23).
    Gunnar Myrdal „der Gleichgewichtsbegriff als Instrument der geldtheoretischen Analyse“ inBeitr"age zur Geldtheorie (F. A. Hayek), 1933, pag. 439.Google Scholar
  22. 24).
    T.a.p., pag. 56.Google Scholar
  23. 26).
    Vgl. voor de wiskundige formuleering van het begrip der partieele elasticiteiten H. L. Moore „Partial Elasticity of Demand“,Quarterly Journal of Economics, 1926, pag. 393 u.v.; Millst.a.p., pag. 140 e.v.Google Scholar
  24. 27).
    Het verloop der rationalisatie en mechanisatie is nl. in hoofdzaak trendmatig en aangezien de trendwaarde niet de hoogte der elasticiteiten be "invloedt, kan de rationalisatie-invloed bij de berekening dezer elasticiteit worden verwaarloosd (vgl.„Verstarring“ pag. 39 e.v.).Google Scholar
  25. 28).
    Stelt men de hoeveelheid als afhankelijk variabele, dan spreekt men in den regel nl. van elasticiteit, stelt men haar daarentegen als onafhankelijk variabele, dan wordt van flexibiliteit gesproken. (Dit dus in veel beperkter zin dan wanneer de term flexibiliteit synoniem aan bewegelijkheid wordt gebruikt). Een en ander in navolging; van Moore: „Elasticity of Demand and Flexibility of Prices“,Journal of the American Statistical Association, 1922, pag. 18 e.v. Formeel wiskundig gezien, is de flexibiliteit dus de omgekeerde der elasticiteit.Google Scholar
  26. 29).
    Zie voor de adstructie dezer hypothese mijn:„Ontwikkeling en druk der constante kosten“; pag. 27 e.v. en„Verstarring“, pag.38 e.v.Google Scholar
  27. 31).
    Joseph A. Schumpeter,Business Cycles, vol. II, 1939, pag. 542.Google Scholar
  28. 32).
    Vgl. Joan Robinson's aardige analyse der verschillende soorten van economische controversie.(„Introduction to the theory of unemployment“, 1939, pag. 124 e.v.).Google Scholar
  29. 32a).
    Vergelijk bijv. het door Tucker („The reasons for price rigidity“;Am. Ec. Rev.; 1938, pag. 42) besproken onderzoek van Means(Senate Document No. 13, 74th Cong 1st sess, „Industrial prices and their relative inflexibility“).Google Scholar
  30. 33).
    Deutsches Wörterbuch von lakob und Wilhelm Grimm: Erstarren=rigescere, stupescere. Erstarrung: rigor („Erstarrung der Natur“).A New English Dictionary: Rigidity: The state of being rigid.Webster's Unabrigded: Rigidity: want of pliability; the quality of resisting change of form.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1944

Authors and Affiliations

  • P. J. Verdoorn

There are no affiliations available

Personalised recommendations