Advertisement

De Economist

, Volume 105, Issue 1, pp 694–713 | Cite as

Grensgebied van recht en onrecht: Belastingtarieven

  • Tj. S. Visser
Article
  • 16 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    Byron: Beppo, a Venetian story; (oktober 1817) stanza 48: I like the taxes when they're not too many. De Groene Amsterdammer 1946–1957 passim als motto van de fiscale journalist Tarquinius.Google Scholar
  2. 2).
    Het verstand van de mens is ingericht voor het kennen van hoeveelheden: ad quanta intelligenda condita. Brief van de grote astronoom Johannes Kepler aan M. Maestlin van 9 april 1597; aangehaald in de prachtige Leidse oratie (met dezelfde latijnse woorden als titel) van E. J. Dijksterhuis; Amsterdam 1955 p. 18.—Wellicht vind ik nog eens gelegenheid voor een extra-college fiscometrie, b.v. over operations research (wik-kunde) bij belastingproblemen (internationaal).Google Scholar
  3. 3).
    Omar Khayyaam c. 1040–c. 1131. M. Cantor in Vorlesungen ueber Geschichte der Mathematik, 2de druk, 1894, deel I p. 729, schrijft Alchaijâmi. Aldo Mieli in La science arabe, Leiden 1937, p. 110–114, betwijfelt lichtelijk de identiteit van de wiskundige met de dichter. Geen wonder als men weet dat al chaijâmî betekent: van de tentmaker, zodat de naam even gewoon zal zijn als bij ons Jan Schoenmakers of Piet Bakker.—Een eerlijke vertaling van de kwatrijnen (rubayyat) van de astronoom-dichter is er van de hand van de astronoom P. Salet, Parijs 1927.Google Scholar
  4. 3a).
    Over tarief en politiek zie J. Tinbergen—Bent Hansen in De Economist 1955, blz. 876: “Niet de belastingopbrengsten kunnen strikt genomen als instrumenten (voor de financiële overheidspolitiek) worden opgevat, doch slechts de tarieven”.Google Scholar
  5. 4).
    A. Beaujon, 1884 buitengewoon hoogleraar in de statistiek en eerste directeur van wat toen nog heette het Statistisch Instituut van Amsterdam. Oratie: Over sociale wiskunde. Nog is lezenswaard zijn boek Handel en handelspolitiek, 1888, herdruk 1927.Google Scholar
  6. 5).
    Over Cohen Stuart levensbericht in De Ingenieur 1921 p. 604–6, door R. A. van Sandick.Google Scholar
  7. 6).
    Dr. C. Gerretson, Geschiedenis der ‘Koninklijke’, 2e druk 1939, tweede deel p. 236. Een goed portret aldaar p. 260.Google Scholar
  8. 7).
    Daniël Bernoulli (niet Bernouilli). Zie Cantor t.a.p. III, p. 609–611, die verwijst naar Commentarii Academiae Petropolitanae ad annos 1730 et 1731; het stuk is 1896 in Leipzig in het duits uitgegeven.Google Scholar
  9. 8).
    Cohen Stuart, blz. 128–129. W. J. de Langen in De grondbeginselen van het Nederlandse belastingrecht, deel I, p. 64, wijst er op dat het wiskundig deel van Cohen Stuarts betoog is weergegeven in het proefschrift van S. Kleerekoper: Over het gebruik van de wiskunde in de economie, p. 91–100 (1939).Google Scholar
  10. 9).
    Een eerste beeld van de tarieven in de landen der westerse civilisatie kan men krijgen uit een grafiek in het geschriftje van Lord Heyworth: The Control Centre of an international Business (Londen 1956, Athlone press). Zie ook, iets ouder maar zeer uitvoerig: dr Rudolf Binder: Die Belastung durch die persoenliche Einkommensteuer in Deutschland, England und den Vereinigten Staaten (in Kieler Studiën, 1950). Machiko Kubo: Income Tax Progression in Britain; Public Finance 1955 p. 234–255. Ik heb veel schik aan de volgende opmerking van David Hume uit On Taxes, in een genoegelijke vertaling van het jaar 1766 (ongevoelig=ongemerkt): “... dat alle Hoofdgelden gevaarlijk zijn, omdat het zoo gemaklijk valt aan den Souverain om daar telkens een klein weinig bij te doen, en de som ongevoelig derwijze te verhoogen, dat die last eindelijk ondraaglijk wordt.”Google Scholar
  11. 10).
    Voor vrijstelling van eerste levensbehoeften is geen plaats. Is die er toch, dan is dat een overhevelingsdaad, net als een subsidie. —Zie voorts Ir. H. Vos, Enige kwantitatieve onderzoekingen over de betrekkingen tussen overheidsfinanciën en volkshuishouding (1946, dus al oud). Een ruwe analyse van de begroting 1958 in De Groene van 21-9-'57, p. 1–2: Stuivers van de staat.Google Scholar
  12. 11).
    W. J. de Langen t.a.p. deel I p. 159–161. Eerder in WPNR 4127/8 en 4154 (1950).Google Scholar
  13. 12).
    Genesis 14 : 20, Amos 4 : 4; Maleachi 3 : 10; Lukas 18 : 12.Google Scholar
  14. 13).
    Memorie van Toelichting; Kamerstukken zitting 1945/6. Zie voor het wiskundige tarief 1947 onzer inkomstenbelasting naast die Memorie van Toelichting zitting 1945/6 ook M. K. Kamperman in Weekblad der belastingen 1946 3804-5. Een tamelijk duidelijke grafiek in De Groene van dat jaar bij een artikeltje Mathematische consideratiën.Google Scholar
  15. 14).
    Royal Commission on the taxation of profits and income (commissie Cohen-Radcliffe), second report, 1955, p. 43: “If, as we suppose, there is no ideal rate of progression that can be demonstrated by formula ... en blz. 45: Much of the complaint about high taxation and the sense of injustice that it generates in all ranges of income must be attributed to the progressive system itself which succeeds in imposing different rates of tax without being able to support the differencies by any demonstrable formula that justifies them. — En iets verder, als conclusie: The ultimate balance depends on nothing more precise than good judgment.Google Scholar
  16. 15).
    Royal Commission, second Report, de grafieken. De britse inkomstenbelasting, daterend van 1799, was heel lang proportioneel, hoewel reeds Adam Smith in Wealth of Nations, book V, ch. II part II zich in verband met fairness voor progressie had uitgesproken. Zie overigens de fraaie rede van prof. mag. dr. F. A. Weve O.P. in de bundel Economische en sociale aspecten van de belastingen; Tilburg 1950.Google Scholar
  17. 16).
    Niet R.A.D.-curve, al zou dat een fraaie hulde zijn aan de Rijks-accountantsdienst waartoe ik de eer heb te behoren.Google Scholar
  18. 17).
    Zie E. T. Bell, Men of Mathematics, blz. 84 (New York 1937).Google Scholar
  19. 18).
    Cantor t.a.p. deel III p. 225 over de broedertwist der Bernoulli's.Google Scholar
  20. 19).
    Shakespeare, Troilus and Cressida, II, 2: ... she is a pearl, Whose price hath launch'd above a thousand ships.Google Scholar
  21. 20).
    Idem IV 1, waar Diomedes zegt: ... for every scruple Of her contaminated carrion weight A Trojan has been slain wat ik vertaal met: Voor ieder grein van dit bezoedeld kreng Krepeerde een Trojaan.Google Scholar
  22. 21).
    Zo van 1 tot 3% belasting. Zie b.v. voor Japan dat al in 1887! een inkomstenbelasting met progressief tarief kreeg: Kotaro Ikeda in Public Finance, 1957.Google Scholar
  23. 23).
    De cycloïde in dienst bij de belastingen! Dat klopt. Want Waldecker in Vorschlaege zur kuenftigen Ausbildung der Reichssteuerbeamten zegt dat de besten voor het werk van het belastigbestuur juist goed genoeg zijn ...Google Scholar
  24. 24).
    Zie echter:- Bertrand Russell: de wiskundige weet niet waarover hij spreekt.- Bolland: een wiskundige “mene” iets of niets te zeggen;—hij weet niet wat hij zegt (De boeken der spreuken uit de leerzaal der zuivere rede, I: 308).- idem I: 307: het begrip van de wiskunde is begrip van verstandig onverstand. (Hierbij Mannoury in De Beweging, oktober 1915: Wat is zuivere rede? Reiner Blödsinn). En mathesis is heus nuttig:- Mannoury: Wiskunde staat tot de empirie als nettenknopen staat tot vissenvangen (De Groene Amsterdammer 22-11-1914). En nu voor het niet-wiskundige:- Mannoury: ... evenals de regels van het menselijk recht in laatste instantie berusten op menselijke willekeur... (De Beweging, aug. 1907).Google Scholar
  25. 25).
    Faust II, derde akte, de woorden van Phorkyas, regels 8754-6 van het gehele gedicht.Google Scholar
  26. 25a).
    Ook sprak ik niet over de invloed van het gezinsverband. Zie daarvoor b.v. De Langen, The assessment of members of one household, in Public Finance, 1956, 2.Google Scholar
  27. 27).
    Royal Commission on the taxation of profits and income.Google Scholar
  28. 28).
    Kamerstukken zitting 1956/7, 4644 no. 8, V.V. Tweede Kamer, blz. 3 rechts.Google Scholar
  29. 28a).
    Recentelijk weer in de NVV-studie Wenkend perspectief (1957).Google Scholar
  30. 29).
    Achtste Aanvullingsbeschikking bij het Besluit Vennootschaps-belasting; art. 7.Google Scholar
  31. 30).
    De rechter zou dan eerst kunnen uitspreken dat de minister de delegatiegrenzen is te buiten gegaan en dus geacht moet worden niet als “wetgever” doch slechts als overheid te zijn opgetreden. Voorbeelden van dergelijke uitspraken van de Hoge Raad (belastingkamer!) zijn bekend. Vervolgens zou de rechter hebben na te gaan of de minister als overheid een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Mr F. J. W. Löwensteyn was zo vriendelijk mij in dit verband sceptisch te wijzen op het volgende, onder economen wellicht niet bekend: De Hoge Raad heeft in het bekende arrest van 29 maart 1940 (N.J. nr. 1128) beslist, dat de rechter zich dient te onthouden van een oordeel over het beleid van de uitvoerende organen. Evenzo H.R. 2 maart 1951, N.J. 1951, nr. 217. Echter acht de H.R. de beleidsvrijheid van de overheid in dier voege beperkt, dat 1o van een bevoegdheid geen gebruik mag worden gemaakt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend (H.R. 14 jan. 1949, N.J. 1949, nr. 557, en 24 juni 1949, N.J. 1949, nr. 559), en dat 2o de overheid van haar bevoegdheden geen gebruik mag maken op een wijze, die geen redelijk handelende overheid voor haar rekening zou hebben genomen (H.R. 25 febr. 1949, N.J. 1949, nr. 558, 3 febr. 1950, N.J. 1950, nr. 248). De vrijheid van de overheid is dus nogal groot. Niet snel immers zal het bestuur met de onder 1o en 2o genoemde normen in strijd komen. Dit komt ook tot uiting in het arrest van de H.R. 19 maart 1954, N.J. 1955, nr. 397 betreffende een beslissing van de Minister van Financiën van niet-fiscale aard. Hiermede zijn de hoofdlijnen van de begrenzing tussen beleidsvrijheid en onrechtmatige overheidsdaad wel aangegeven.- Als fiscalist moge ik er aan herinneren dat de overheid die ten onrechte meent een wetskrachthebbend stuk te scheppen, handelt zonder bevoegdheid. In verband met de uitholling o.b. zie Handelingen Tweede Kamer 1953/4 deel I blz. 1225.Google Scholar
  32. 31).
    Dies war die Rede die ich hielt, Ganz ohne Vorbereitung; Verstuemmelt hat Kolb sie abgedruckt In der “Allgemeinen Zeitung”.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1957

Authors and Affiliations

  • Tj. S. Visser

There are no affiliations available

Personalised recommendations