Advertisement

De Economist

, Volume 69, Issue 1, pp 291–310 | Cite as

Inleiding tot de leer van de Waardevastheid van het Geld. Academisch Proefschrift van Mr. G. M. Verrijn Stuart

's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1919
  • A. van Gijn
Nieuwe Uitgaven
  • 14 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1).
    Een leer, waarvan de Anweisungstheorie (Schumpeter) maar weinig verschilt.Google Scholar
  2. 2).
    D.w.z. dat er niet meer geld gecreëerd wordt dan er behoefte blijkt aan geld om het ruilverkeer te verbeteren.Google Scholar
  3. 3).
    Om misverstand te voorkomen zij hier opgemerkt, dat Mr. Stuart allerminst de productiekostentheorie aanhangt, welke leert, dat de waarde van goederen een gevolg is van de productiekosten. De productiekosten beheerschen echter, indien een goed geproduceerd kan worden, de hoeveelheid, die kan worden aangeboden en zijn dientengevolge een van de factoren, die den prijs van een goed bepalen, en dit geldt zijns inziens ook voor het geld. Hij staat dus tegenover hen, die meenen dat op de waarde van het geld de productiekosten daarvan geen invloed hebben.Google Scholar
  4. 4).
    Schumpeter betoogt wellicht niet ten onrechte, dat de voorliefde welke er voor edele metalen als geld eeuwenlang heefft bestaan, niet aan hun waarde voor de industrie, maar aan de wetenschap, dat de hoeveelheid, maar niet mir nichts, dir nichts te vermeerderen was, moet worden toegeschreven.Google Scholar
  5. 5).
    Dit is geen cirkelgang, doch het zelfde zoeken naar een evenwichtstoestand, als wij overal bij bepalen van waarde en prijs zien.Google Scholar
  6. 6).
    D.w.z. toen men voor het eerst goederen in ruil nam, die men niet wenschte om de eigenschappen, waardoor zij een behoefte bevredigen kunnen, maar om de eigenschap dat men er gemakkelijk. weer andere liefhebbers voor vindt.Google Scholar
  7. 7).
    Dit is niet hetzelfde. Al neemt men aan, dat een verdubbeling van het quantum geld ceteris paribus een verdubbeling van het prijsniveau medebrengt, dat dus b.v. als (geen ander ruilmiddel dan goud bestaande) voor 5 gram goud een zekere hoeveelheid goud van allerlei goederen te krijgen is bij verdubbeling van de hoeveelheid als geld dienend goud voor 5 gram goud gemiddeld maar de helft van al die soorten van goederen te krijgen zal zijn, dan heeft men nog niet verklaard, waarom juist die bepaalde hoeveelheid goederen voor 5 gram goud te krijgen is en niet een tiende deel of wel het tienvoud (en bij verdubbeling van de hoeveelheid geld dus het twintigste deel of het vijfvoud). De quantiteitstheorie geeft geen antwoord op de vraag waarom er een zekere hoeveelheid goud (c.q. ook ander goed b.v. bankgeld of staatsgeld) als geld in omloop is en niet het tiende deel of het tienvoud. Daarom kan zij het prijsniveau m.i. nimmer geheel verklaren.Google Scholar
  8. 5).
    „The raw material of banking i.e. other people's money”. Zie: Cross „The financial situation and economy”. Bankers Magazine, Februari 1920.Google Scholar

Copyright information

© De Nederlandsche Boek- En Steendrukkerij 1920

Authors and Affiliations

  • A. van Gijn

There are no affiliations available

Personalised recommendations