De Economist

, Volume 66, Issue 1, pp 21–46 | Cite as

Ambtenaars-crisis

  • M. J. D. Merens
Article
  • 17 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1).
    Dat de slottirade schromelijk overdrijft, zullen wij nader zien.Google Scholar
  2. 1).
    Ik laat de verdere positive-verbetering van den werkman voor zoover deze indirect voortvloeit uit sociale en sociaal-hygienische maatregelen, onderwijs-regeling enz. buiten beschouwing; de kleine ambtenaar genoot deze voordeelen—zij het vermoedelijk in mindere mate — evenzeer.Google Scholar
  3. 1).
    Door de dissertatie van Mr. Dr. D. Hudig Jr. „De Vakbeweging in Nederland 1866–1878” te raadplegen, werd voldoende aanwijzing verkregen, dat deze veronderstelling juist is. Wij vinden daar de volgende loonen vermeld, die bij vergelijking met de loonen in 1913/14 deze conclusie wettigen.Google Scholar
  4. 1).
    Voor de bouwvakken gold van 1872–1877 een uurloon van 18 ct. Zie Mr. D. Hudig „Vakbeweging in Nederland” p. 102 en p. 192–197, in 1870 15 ct., zie p. 48. Voor de loonen der schilders, wier uurloon steeds een weinig lager was, zie p. 59.Google Scholar
  5. 2).
    Het typografen-loon bedroeg in 1866 nog slechts f 6. — (zie idem p. 5) en was dus in 1877 reeds een verhooging met 50 pCt. tot stand gekomen.Google Scholar
  6. 3).
    Gegevens van de Kon. Ned. Beiersch Bierbrouwerij en van Heinekens brouwerij stemmen hiermede overeen.Google Scholar
  7. 4).
    De firma A. van de Vijsel besomde de stijging op 50 a 60 pCt.Google Scholar
  8. 5).
    Dit looncijfer geldt eerst voor 1883.Google Scholar
  9. 6).
    Het zomerdagloon beliep in 1870 f 2.—(zie idem p. 38).Google Scholar
  10. 7).
    De firma Bicker & Modderman besomde de stijging op 50 a 60 pCt.Google Scholar
  11. 1).
    Van de verdubbeling, waarvan het artikel in „de Tijd» gewaagde is voorshands geen kwestie.Google Scholar
  12. 2).
    In dit werband laat zich de opstopping verklaren, waarover hiervoor werd gesproken en het dwaze is wel, dat het ontstaan van deze opstopping voor velen de aanwijzing bij uitnemendheid is geweest om te betoogen, dat er genoeg was gedaan of wel, dat niet meer gedaan kon worden. Men meende, dat, waar zich in de ambtenaarswereld eenzelfde beeld vertoonde als in de burger-maatschappij viel aan te wijzen, waar de werkmansstand den middenstand was binnengedrongen, er diensvolgens ook een gelijkwaardigen toestand was ingetreden. Men vergat echter, dat in de burger-maatschappij de opstopping is ontstaan, niettegenstaande er ook in den middenstand een aanmerkelijke opvering van de levenswijze was ingetreden. In de burgermaatschappij ontstond de opstopping, omdat de levensstandaard voor beide groepen steeg, zij het in ongelijke mate; in de ambtenaarswereld bestond de stijging alleen in de laagste rangen en juist, doordat er voor de hoogere ambtenaren nagenoeg stilstand was, trad het verschijnsel van opstopping reeds in lang, voordat de stijging voor de laagste rangen voldoende tot haar recht was gekomen.Google Scholar
  13. 1).
    Dit cijfer valt te berekenen uit de cijters, voorkomende in „Arbeidersbudgets» Rapport eener enquête der Soc. Democratische Studie-Club te Amsterdam. De verkregen uitkomst is schijnbaar in strijd met de uitkomst omtrent de stijging van levensmiddelen, welke is te vinden op p. 132 van de Jaarcijfers 1914. Men zij echter indachtig, dat dáár alleen een gemiddelde wordt gegeven van de prijsstijging van een groep kruideniers- en grutterswaren. Niet alleen bleven dáár de meest kostbare voedingsmiddelen als vleesch, vet, boter, kaas, melk en eieren — die alle sterk in prijs stegen — buiten beschouwing, doch bovendien werd geen rekening gehouden met de beteekenis, welke de artikelen in verband met de verbruikshoeveelheden en den kostprijs daarvan voor de samenstelling van het budget hebben, zoodat vergelijking geheel mank moet gaan.Google Scholar
  14. 2).
    De nog in de zeventiger jaren gehuldigde opvatting: „Och, als ambtenaar wordt je niet rijk», welke verzuchting dan tevens in positieven zin te kennen wilde geven: „maar je verarmt ook niet» doet mij aannemen, dat de salarieering in die dagen op peil is geweest.Google Scholar
  15. 1).
    Voor Duitschland mocht ik er niet in slagen soortgelijke gegevens te vinden.Google Scholar
  16. 2).
    Voor deze cijfers verwijs ik naar pag. 26, 48 van het werk van A. Lefas. „L'Etat et les Fonctionnaires». Op laatstbedoelde pagina vinden wij nog, dat de totale pensioengrondslag der 315.355 ambtenaren 664.983.880 francs bedroeg met een gemiddelde van 2100 fr., alsook, dat de 67.967 ambtenaren, welke in dienst waren bij de door den Staat geexploiteerde spoorwegen een gezamenlijken pensioengrondslag hadden van 145.811.900 frs. hetgeen eveneens een gemiddeld van 2100 frs. uitwijst. Wanneer wij nagaan, dat er in verhouding in Frankrijk nog heel wat meer lagere ambtenaren worden gevonden dan hier te lande (het euvel was: les petits fonctionnaires) en de levensstandaard in Frankrijk buiten Parijs, Marseille, Bordeaux en enkele industrieele centra aanmerkelijk lager is dan ten onzent, dan zien wij tevens, dat Frankrijk in staat is geweest zijn ambtenaren beter te salarieeren dan in ons land het geval is.Google Scholar
  17. 1).
    Alleen bij de juiste kennis van verhoudingscijfers kan met juistheid worden geinterpoleerd.Google Scholar
  18. 2).
    Neemt het Rijk een enkele maal ambtenaren in dienst op salarissen, welke met de huidige omstandigheden vrijwel rekening houden, dan ontstaan zonderlinge contrasten en is het een gewoon verschijnsel, dat de Kamer — zonder veel aandacht te schenken aan de vraag of het salaris in absoluten zin te hoog of te laag zou zijn — daartegen bezwaren oppert, omdat het voorgestelde of verleende salaris relatief te hoog wordt geacht.Google Scholar
  19. 1).
    Er zijn in deze richting resultaten aanwijsbaar; beide stelsels zijn in werking en werken over en weer remmend op elkaar in; er is stroom en tegenstroom, welke tegenstroom echter voorshands nog in draaikolken vervloeit.Google Scholar
  20. 1).
    Zie ook prae-advies Mr. H. A. Hartogh, uitgebracht aan de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek 1916.Google Scholar
  21. 2).
    De „Journal of Commerce, New-York» noemt voor de eerste 27 maanden alleen reeds 1820 schepen met een inhoud van 3.328.584 ton. In 1914 omvatte de Nederlandsche Koopvaardijvloot 809 schepen met een inhoud van 766.820 ton.Google Scholar
  22. 1).
    Ik voor mij geloof niet, dat die hoop wordt gekoesterd. De Regeering stelde bij de Grondwetsherziening voor om de toelage der Kamerleden—zonder, dat het karakter dier toelage werd gewijzigd—met 50 pCt. te verhoogen en de Volksvertegenwoordiging aanvaardde dit voorstel. Hieruit blijkt m. i. genoegzaam, dat het in communis opinio is, dat het bedrag, dat eertijds voldoende was om bepaalde uitgaven te bestrijden, thans voor dezelfde uitgaven onvoldoende wordt geacht.Google Scholar

Copyright information

© De Nederlandsche Boek- En Steendrukkerij 1917

Authors and Affiliations

  • M. J. D. Merens

There are no affiliations available

Personalised recommendations