Advertisement

De Economist

, Volume 23, Issue 1, pp 591–632 | Cite as

Koloniale Kronijk

Koloniale Literatuur
Article
  • 15 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. (†).
    Dat dit bepaald generaal van Swieten's systeem was, bleek ten duidelijkste nit zijn, met de mailcouraten van 1 April op 11 Mei alhier ontvangen telegram aan den Gouvernenr-Generaal van 23 Maart jl., waarin hij o a. zegt: Bedaardheid en geduld zijn betere middelen van overwinning dan overhaasting en ongednld.”Google Scholar
  2. (*).
    De vraag kan evenwel worden gedaan, of de Generaal van Swieten tegenover de Atjineezen ook met al te groote zachtheid handelt? Droevig werd het Nederl. publiek op 22 April verrast door het telegram, meldende dat eene sterke patrouille op 16 April op 1500 pas (dus nog geen kwartier uurs) ten zuiden van den kraton, op eene vijandelijke stelling was gestnit en had moeten terngtrekken, en dat eene onmiddellijk tot dekking uitgezonden versterking met verlies van 8 dooden en 59 gekwetsten werd teruggeslagen. Zoo iets ware nog te begrijpen geweest vóór wij meester waren van den kraton, ook omdat het ondoordringbaar terrein belette dat wij met de versterkte stellingen van den vijand, zelfs in onze onmiddellijke nabijhoid, bekend waren. Maar dat wij zoo dicht bij den kraton en na daarvan bijna drie maanden meester te zijn zoodanig échec kunnen lijden, bewijst wel hoe bitter weinig vooruitgang wij nog in het land maakten, hoe weinig wij nog van de naaste omgeving van den kraton afweten. Het is ook, vreezen wij, een trenrig prognostic voor de troepen welke in den kraton zullen achterblijven gedurende den regentijd, waarin aan geen eigenlijke krijgstochten kan worden gedacht, omdat het n. f. doet zien dat de tactiek der Atjihneezen schijnt te zijn de bezetting van den kraton van alle communicatie met het binnenland af te sluiten.Google Scholar
  3. (*).
    Dat toch gemakkelijk genoeg is, daar het boek, vooral de Fransche vertaling er van, die in 1788 te Parijs het licht zag, dikwerf op onze boekverkoopingen voorkomt en gewoonlijk voor een spotprijs wordt verkocht. De 3de Engelache editie werd in 1811 te Londen uitgegeven.Google Scholar
  4. (†).
    In de zitting van de Tweede Kamer van 27 Februari 1873, en later meermalen, betoogde de Minister van de Putte, dat die bevoegdheid bestond. In de „Bijdragen tot de kennis van het staats-, proviuciaal- en gemeentebestunr in Nederland”, van Oct. 1873, trachtte de Hoogleeraar Mr. P. A. van der Lith de onwettigheid van zulke zendingen van den vice-president van den Raad van N, I, te betoogen.Google Scholar
  5. (*).
    En waavvati reeds sprake was op Liz. 49 van mijn:Wat is voor Ned. Indië noodig? ('s Hage, Nijhoff, 1863).Google Scholar
  6. (*).
    Blijkens het Koloniaal Verslag van 1973, p. 42, zal nog een bedrag van 1 millioen gld. noodig zijn om Tjilatjap, hoewel „op minder kapitalen voet dan waarop men begonnen was”, tot „eene versterkte vluchthaven voor oorlog- en koopvaardijschepen te maken.”Google Scholar
  7. (†).
    Of de overtuiging van het overtollige van dat wapen vrij algemeen bestaat, en daaraan het groot incompleet der genie-offlcieren te wijten zou zijn, en de verschillende maatregelen om daarin te voorzien, waarvan op blz. 30 van het „Kol. Verslag van 1873” sprake is, o. a. het toegankelijk stellen van den rang van 2en luitenant bij dat wapen voor civiel-ingeuieurs? ...Google Scholar
  8. (*).
    Daarentegen moet echter ook worden gewezen op het medegedeelde op blz. 5 van het „koloniaal verslag van 1873”, waar wij lezen dat volgens verklaring van den resident der Preangerregentschappen „de verhooging van den leveringsprijs der koffie, betere regeling der cultuur in dier voege dat zij den planter bij minder arbeid meer zekerheid geeft de vruchten van zijn werk te plukken, (waaromtrent elders in het verslag bijzonderheden voorkomen), de bevolking deze verplichte teelt nit een ander oogpunt deed beschouwen.” Baarbij zij evenwel herinnerd, dat in de Preanger niet enkel van eene verhooging van den koffieprijs, maar van eene geheele wijziging van stelsel sprake was.Google Scholar
  9. (*).
    Zie zijne artikelen van Dec. 1873 en Febr. 1874. In Dec. had hij zich zeer verklaard tegen het overlaten van afgeschreren koffietuinen aan particuliere Europeanen. Zelfs dat kon geen genade in zijne oogen vinden.Google Scholar
  10. (*).
    Ook audere koloniale mogendheden buiten Nederland hielden zich in de laatste jaren met de reorganisatie van hun koloniaal gevangenisstelsel bezig. Men berinnert zich het artikel in het Tijdschr. v. N. I. van Maart 1868: „Het gevangenisstelsel, in vreemde koloniën,” waarbij een overzicht werd gegeven der antwoorden op een aantal vragen over het gevangeniswezen, door den Eng. Min. v. Kol. Cardwell aan alle gouverneurs van de britsche kolonien gedaan, en van de voorstellen daarop door den Minister gegrond. Blijkens de Revue Maritime et Coloniale van Dec. 1873 werd over dat onderwerp in Aug. 1870 een nadere correspondentie aan het Parlement voorgelegd, waaruit o. a. blijkt dat het Engelsche stelsel hierin van het Fransche verschilt, dat het er voornamelijk naar streeft om de gevangenen in de gevangenis te doen werken en dat er meer naar afkeerwekkend werk (de tredmolen, kogels dragen enz.) dan naar winstgevenden arbeid wordt gezocht. De Eugelsche regeering hondt het voor meest economisch het verblijf in de gevangenis zoo onaangenaam mogelijk te maken en den duur der gevangenis te verminderen door de gevangenisstraf inderdaad zwaar te maken. 's Ministers aanschrijvingen daaromtrent zijn zeer streng. De uitkomsten pleiten voor de juistheid zijner zienswijze.Google Scholar
  11. (†).
    Waarover zie ook het Koloniaal verslag van 1873, blz, 133.Google Scholar
  12. (*).
    Dit blijkt nader bij Inzage van blz. 138 van het Koloniaal Verslag van 1873, waar wy lezen dat de Gouv.-Gen. is nitgenoodigd in nadere overweging te nemen niet slechts de flnancieele quaestie, namelijk of wel inderdaad de hoogst aanzienlijke som van f 1,800,000 voor den bouw van het kraukzinnigen-gesticht zou noodig zijn (waarvoor echter reeds f 300,000 op de begrooting van 1873 wai uitgetrukken), maar ook de quaestie der geschiktheid van Buitenzorg voor da plaatsing van het gesticht. „Echter zou alleen dan naar een ander oord, b v. Salatiga, moeten worden omgezien, ingeval bevoegde beoordeelaars zich tegen de keuze van Buitenzorg als klimatologisch ongeschikt voor de bedoelde lijders verklaarden.”Google Scholar
  13. (*).
    Omtrent beiden en omtrent de werking der anikerwet in 't geheel worden belangrijke gegevens aangetroffen in het Kol. verslag van 1873, blz, 214.Google Scholar
  14. (†).
    Datzelfde Kol. verslag vermeldt op biz. 101, 222 en elders, wat tot uitvoering der Agrarische wet en tot voorbereiding dier uitvoering verder is gedaan. Veel papier werd er over volgeschreven; maar van fliuke nitvoering der wet, van hare werking tot ontwikkeling van Ned. Indie, van Java in 't bijzonder, bleek weinig. Toch zou het onbillijk zijn geen melding te maken van de ordonnantien, waarbij het verkrijgen, krachtens de Agrarische wet, van gronden in erfpacht in de Molukken en in het Gouvernement van Sumatra's Westkust werd geregeld, omdat daarvan voor de ontwikkeling dier beide belangzijke gewesten veel mag worden verwacht.Google Scholar
  15. (*).
    Zie de Kol. Kron. in De Econ. v. Julij 1873.Google Scholar
  16. (†).
    Als wanneer hij , op taak arbeidende, 30 à 60 cts. daags zou kunnen verdienen en dus in voordeeliger positie komen dan de sawagerechtigde (blz. 4, zie ook blz. 7, 8 en 9).Google Scholar
  17. (*).
    Zie de noot op blz. 626.Google Scholar
  18. (*).
    Zie b. v. wat het op stompkappen betreft, het artikel van den heer Ples daarover, vermeld in de Kol. Kron. in de Econ. v. Sept. 1872. Zie daarover ook het Tijdschr. v. N. I. dierzelfde maand. Zie vooral ook het Kol. verslag van 1873, blz. 208, waar sprake is van eene onder de leiding van den hr. Ples in het groot genomen proef met het op stomp kappen.Google Scholar
  19. (†).
    Daarin kwam de hr. B. Moens op tegen hetgeen hij meende te zijn de strekking van Dr. de Vrij's „kinologische studiën” in het „Nienw Tijdschrift voor de Pharmacie in Nederland”, om voortdnrend de Britsch-lndische kina-cultunr te verheffen boven de Javaansche. Een beweren door Dr. de Vrij in September iu dat tijdschrift weer-sproken. (Zie ook Tijds. v. N. I. van Oct. 74).Google Scholar
  20. (*).
    Waarover, inzonderheid over het ijlzaaien der padie, zie o. a. ook Kol, Verslag van 1873, blz. 200.Google Scholar
  21. (*).
    Die toch nog steeds, blijkens het Koloniaal verslag van 1873, blz. 124, met f2000 's jaars door de Regeering wordt gesubsidieerd. Dit wordt aangeteekend, omdat daaruit blijkt dat we ons vergisten toen we in ons „lets over het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen” in de Econ. van Mei jl., biz. 508 , van de ouderstelling nitgingen dat de Natunrkundige Vereeniging geon subsidie meer genoot.Google Scholar

Copyright information

© J. H. Gebhard & Comp. 1874

Personalised recommendations