De Economist

, Volume 78, Issue 1, pp 501–518 | Cite as

De dekkingsvoorschriften der Nederlandsche Bank volgens haar eerste octrooi van den 25sten Maart 1814

  • A. J. W. Renaud
Article
  • 10 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 1).
    Zie het artikel van Prof. S. Vissering: „De Nederlandsche Bank gedurende haar vijftigjarig bestaan” in De Gids 1863 II, pag. 196.Google Scholar
  2. 2).
    Raadpleegt men daarnaast de sedert 1909 eveneens in het Rijks-Archief aanwezige Collectie Gogel (Aanwinsten 1909 XIII, No. 22, „Bank”), dan vindt men hierin eveneens het betreffende ontwerp van Gogel, voorzien van kantteekeningen door Goldberg. Van Mr. M. C. van Hall daarentegen hebben wij noch in deze Collectie Gogel, noch ook in de stukken, geraadpleegd door Mr. Sillem (Rijksarchief Aanwinsten 1906 XXX; Papieren afkomstig van Mrs. M. C. van Hall, J. Bondt en F. A. van Hall) eenige aanteekening kunnen binden betreffende de op te richten Alg. Bat. Beleen-, Disc. en Dep. Bank.Google Scholar
  3. 3).
    Geheel in overeenstemming met deze gedachte is weer de clausule, zooals die de eerste jaren voorkwam op de bankbiljetten der Nederlandsche Bank, n.l.: „Ontvangen van toonder de somma van... guldens om aan toonder op vertooning te restituëren” — zie noot 1, pag. 37 van het „Handboek van Praktische Staathuishoudkunde” I door Mr. S. Vissering, Hoogleeraar te Leiden, 2e druk 1867).Google Scholar
  4. 4).
    Interessant is het, na te gaan, hoe weinig verandering er te constateeren valt, wanneer wij het reeds bovengenoemde werkje (Praktische Staathuishoudkunde) van Prof. S. Vissering raadplegen, een werk, ongeveer 100 jaar na dat van Steuart verschenen. Op pag. 199 e.v. lezen wij daar: „De circulatie-bank ontleent haren naam aan het in omloop brengen van hare billetten. Het spreekt echter van zelf, dat dit niet hare eenige, zelfs niet hare eigenlijke verrigting zijn kan. Om die billetten in omloop tekunnen brengen, moet zij juist eenige andere bank-operatie verrigten, hetzij goederen beleenen en wissels disconteeren, of staatsleeningen sluiten, of hypotheekbrieven nemen, of geldhandel drijven. Het uitgeven van billetten is daarbij slechts het middel, om tot niemands nadeel, maar integendeel tot winst voor haar zelve, tot voordeel dergenen, met wie zijn handelt, en tot gerief der geheele maatschappij, deze operatiën op grootere schaal te kunnen doen. Het kan nuttig zijn, dit iets breeder te ontwikkelen. Eene bank heeft in de eerste plaats haar eigen kapitaal, waarmede zij werkt. Doch had zij niet anders dan dit, dan zou zij weinig voordeel behalen, weinig diensten bewijzen kunnen; dan ware haar bestaan vrij noodeloos; dan zou zij zelfs tegenover de mededinging der bijzondere bankiers haar bestaan moeielijk kunnen handhaven, omdat hare inrigting altijd grootere kosten medebrengt dan die van een gewoon kantoor. Maar eene bank bestaat juistdoor enom, nevens haar eigen kapitaal, vreemde kapitalen tot zich te trekken, om ook daarmede te werken. Zoo gebruikt de deposito-bank de kapitalen, die bij haar worden ingebragt; de hypotheek-bank de kapitalen, die door hare verhandelbare pandbrieven vertegenwoordigd worden. Zoo ook gebruikt de circulatie-bank vooral vreemde kapitalen, die haar vrijwillig en om niet worden verstrekt; en zij verkrijgt ze door middel van hare bankbilletten.”Google Scholar
  5. 5).
    Zie het reeds eerder genoemde artikel van Mr. N. P. v. d. Berg pag. 233).Google Scholar
  6. 6).
    Zie pag. 238 van het art. van den Heer van den Berg).Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn 1929

Authors and Affiliations

  • A. J. W. Renaud

There are no affiliations available

Personalised recommendations