Advertisement

De Economist

, Volume 94, Issue 1, pp 24–72 | Cite as

Uit de geschiedenis van 's Rijks vlottende schuld

  • A. M. de Jong
Article
  • 13 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 3).
    Vgl. bij voorbeeld G. Jèze, „Die Technik des öffentlichen Kredits”, in W. Gerloff und F. Meisel,Handbuch der Finanzwissenschaft, II (Tübingen 1927), blz. 593–95.Google Scholar
  2. 4).
    J. Landmann, „Der öffentliche Kredit”, in het in de vorige noot genoemdeHandbuch, II, blz. 492–98.Google Scholar
  3. 5).
    H. Dalton,Principles of Public Finance (London 1923), blz. 181–82; E. Hilton Young,The System of National Finance, 2nd ed. (London 1924), blz. 203 e.v.Google Scholar
  4. 6).
    In de oudere literatuur vindt men wel het standpunt verdedigd dat de vlottende schuld, behalve uit leeningsschuld, ook uit beheersschuld (Ver-waltungsschuld; dette administrative) kan bestaan. Zie bij voorbeeld A. Wagner, „Die Ordnung der Finanzwirtschaft und der öffentliche Kredit”, in Schönberg'sHandbuch der Politischen Oekonomie, 3. Aufl., III (Tübingen 1891), blz. 572. Dit standpunt is echter in den nieuweren tijd vrijwel algemeen verlaten.Google Scholar
  5. 8).
    Jèze, t.a.p., blz. 595; Dalton, t.a.p., blz. 182;Handwörberbuch der Staatswissenschaften, 4. Aufl., VII, blz. 818.Google Scholar
  6. 9).
    Vgl. W. Lotz,Finanzwissenschaft, 2. Aufl. (Tübingen 1931), blz. 901–02.Google Scholar
  7. 10).
    De Duitsche litteratuur gebruikt voor een zoodanig tekort wel den termGebarungsdefizit als tegenstelling totbudgetmässiges Defizit, waarmede het eigenlijk gezegde begrootingstekort wordt aangeduid. Zie Lotz, t.a.p., blz. 857 e.v.Google Scholar
  8. 11).
    In Frankrijk spreekt men hier wel vancréances passives. Vgl. P. Leroy-Beaulieu,Traité de la science des finances, 7me éd. (Paris 1906), II, blz. 432.Google Scholar
  9. 12).
    Vgl. A. M. de Jong,Geschiedenis van de Nederlandsche Bank, I (Haarlem 1930), blz. 175 e.v.Google Scholar
  10. 13).
    H. Riemens,Het Amortisatie-Syndicaat (proefsch. Amsterdam 1935), blz. 202–04; 221–23; 229.Google Scholar
  11. 14).
    W. M. F. Mansvelt,Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, I (Haarlem z.j.), blz. 390 e.v.; 435 e.v.; 460.Google Scholar
  12. 15).
    Later gebracht op f 15 millioen; zie de wet van 14 December 1831 (Staatsblad no. 36).Google Scholar
  13. 16).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 982 e.v.Google Scholar
  14. 17).
    Staatscourant, 12 Augustus 1831, no. 191; vgl. ook F. N. Sickenga, „Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandsche financiën”, inBijdragen tot de kennis van het staats-, provinciaal en gemeentebestuur in Nederland, dl. 27 (1885), blz. 303.Google Scholar
  15. 18).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1833–34, blz. 348. Cursiveering in de Kamerstukken.Google Scholar
  16. 19).
    Vgl. J. de Bosch Kemper,Geschiedenis van Nederland na 1830 (Amsterdam 1873–82), IV, blz. 11 e.v.; Aant. blz. 8 e.v.; en F. N. Sickenga inBijdragen tot de kennis van het staats-, provinciaal en gemeentebestuur in Nederland, dl. 29 (1888), blz. 318 e.v.Google Scholar
  17. 20).
    Zie de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 19 Augustus 1861 heeft geleid, inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 983–84. Uit deze memorie, waarin de geschiedenis der schatkistbiljetten van 1834 in het kort in herinnering wordt gebracht, blijkt duidelijk dat men die biljetten niet als vlottende, doch als gevestigde schuld beschouwde. Vgl. in dit verband ook de nota-Van Rijckevorsel, afgedrukt inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1845–46, blz. 20–21.Google Scholar
  18. 21).
    Zie een desbetreffende uitlating van Van Hall in de Tweede Kamer op 20 Juni 1845, inHandelingen Tweede Kamer, 1844–45, blz. 637, zoomede de bekendmaking in deStaatscourant van 24 Januari 1846, no. 21.Google Scholar
  19. 22).
    Zie hieronder, blz. 25/26.Google Scholar
  20. 23).
    Handelingen Tweede Kamer, 1840–41, blz. 10;Bijlagen idem, blz. 178. Wat het laatste punt aanging, was de toelichting van den minister duidelijker dan de redactie der wet, die bepaalde, dat er een vlottende schuld zou kunnen worden gecreëerd „ter voorziening in opkomende of tijdelijke behoeften der schatkist”.Google Scholar
  21. 25).
    Zie de gedrukte stukken over het wetsontwerp dat tot de wet van 19 Juni 1843 (Staatsblad no. 25) heeft geleid, inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1842–43, blz. 1264 e.v. Vgl. over de verworpen voorstellen van Rochussen: De Bosch Kemper, t.a.p., IV, blz. 109 e.v. 151–52; en Sickenga, t.a.p., dl. 30 (1889), blz. 284–96.Google Scholar
  22. 26).
    Bekendmaking inStaatscourant, 14 Mei 1841, no. 114.Google Scholar
  23. 27).
    Bekendmaking inStaatscourant, 21 Juni 1843, no. 146. Gegadigden konden inschrijven voor biljetten van 3, 6, 9 of 12 maanden. De inschrijvingen voor de langste termijnen zouden het eerst worden gegund. Overigens zou de toewijzing zoo noodig pondspondsgewijze plaats hebben.Google Scholar
  24. 28).
    Bekendmaking inStaatscourant, 24 Augustus 1848, no. 200 en 15 November 1848, no. 271.Google Scholar
  25. 29).
    Artikel 5, 3e lid van de wet van 1840 en artikel2, 2e lid van de wet van 1843.Google Scholar
  26. 31).
    HetVerslag is later ook afgedrukt inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1845–46, blz. 544 e.v.Google Scholar
  27. 33).
    Ingevolge art. 123 van de Grondwet, zooals die in 1840 was gewijzigd, werd de begrooting telkens voor den tijd van twee jaren vastgesteld.Google Scholar
  28. 34).
    Het stuk is te vinden inHandelingen Tweede Kamer, 1846–47, blz. 82–83.Google Scholar
  29. 35).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1840–41, blz. 117. Het overzicht was vervat in den zoogenaamden „staat B”. Zie over het gerucht dat dit (aanvankelijk alleen vertrouwelijk ter kennis van de Tweede Kamer gebrachte) stuk destijds maakte, De Bosch Kemper, t.a.p., IV, blz. 11–12 en Aant., blz. 8 e.v.Google Scholar
  30. 36).
    Zie boven, tabel 1 en blz. 16.Google Scholar
  31. 37).
    Zie Van Hall's verklaring tijdens de mondelinge beraadslagingen over de staatsbegrooting voor 1846 en 1847 in de Tweede Kamer op 20 Juni 1845 inHandelingen Tweede Kamer, 1844–45, blz. 637, en zijn uitlating in de memorie van toelichting op het (verworpen) wetsontwerp van 20 October 1845 tot intrekking van de schatkistbiljetten van 1834, inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1845–46, blz. 15.Google Scholar
  32. 38).
    Vgl. S. Vissering,Handboek van praktische staatshuishoudkunde, 4e dr. (Amsterdam 1878), II, blz. 254.Google Scholar
  33. 39).
    Zie de rekening wegens de ontvangsten en uitgaven betreffende den achterstand inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1849, blz. 108–38.Google Scholar
  34. 40).
    Zie over de maatregelen van Van Hall: J. J. Weeveringh,Handleiding tot de geschiedenis der Staatsschulden, (Haarlem 1852–55), I, blz. 373 e.v.; en De Bosch Kemper t.a.p., IV, blz. 191 e.v.; 203 e.v.; 282 e.v.; 291 e.v. Vgl. voorts de staten behoorende bij de wet van 30 Mei 1847 (Staatsblad no. 27), waarbij de verevening der uitgaven, te bestrijden uit de middelen, voortgevloeid uit de wetten van 6 Maart 1844 (Staatsblad no. 14) en 25 Juni 1844 (Staatsblad no. 28) werd geregeld. Deze staten, waarin men o.a. ook de cijfers aantreft van de tekorten op de diensten 1841–43, zijn zeer instructief.Google Scholar
  35. 41).
    Zie over den terugslag dien de internationale politieke gebeurtenissen van 1848 in Nederland hadden, De Bosch Kemper, t.a.p., IV, blz. 231 e.v.; 270 e.v.; 381 e.v. Ter dekking van het tekort op den dienst 1848 was door de regeering in Juli 1848 een wetsontwerp ingediend tot heffing van een belasting op de bezittingen en op de inkomsten van ambten, wachtgelden en pensioenen. Dit wetsontwerp werd door de Tweede Kamer zoo ongunstig ontvangen, dat de regeering het een maand na de indiening introk (Handelingen Tweede Kamer, 1847–48, blz. 541 e.v.; 587 e.v.; 711). In Februari 1849 maakte zij daarop een wetsontwerp aanhangig om tot dekking van het tekort over 1848 en tevens van het tekort dat over 1849 werd verwacht, een inkomstenbelasting te heffen. Dit ontwerp kon evenmin den bijval van de Tweede Kamer verwerven, zoodat het in Augustus 1849, mede in verband met het feit, dat de financieele vooruitzichten voor het loopende jaar inmiddels een verandering ten goede hadden ondergaan, ook werd ingetrokken (Handelingen Tweede Kamer, 1849, blz. 36 e.v.; 267; 749).Google Scholar
  36. 42).
    Zie boven, blz. 11.Google Scholar
  37. 43).
    Zie de bevolkingscijfers inJaarcijfers over 1881 en vorige jaren, uitgegeven door de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland ('s-Graven-hage 1882), blz. 100. De cijfers betreffende de staatsuitgaven zijn ontleend aanBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 4 enHandelingen Tweede Kamer, 1895–96, blz. 15.Google Scholar
  38. 44).
    Per saldo had in de periode 1851–1875 zelfs een zekere verlaging van belastingen plaats. Afgeschaft of verminderd werden in dit tijdvak een aantal belastingen tot een bedrag van omstreeks f 14 millioen, waartegenover aan verhoogde heffingen een bedrag stond van ongeveer f 12,1 millioen. Door de toeneming van bevolking en welvaart brachten de belastingen echter belangrijk meer op. De gewone middelen stegen van f 59 millioen in 1850 tot f 96,2 millioen in 1875 (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 3 enHandelingen Tweede Kamer, 1895–96, blz. 12). Afgeschaft werden de accijnzen op schapen- en varkensvleesch (in 1852), op het gemaal (in 1855) en op turf en steenkolen (in 1863); en voorts o.a. het tonnegeld voor zeeschepen (in 1855), de scheepvaartrechten op de Schelde (in 1863), het dagbladzegel (in 1869) en de vuur-, ton- en baken-gelden (in 1875). Verhoogd werden voornamelijk de accijnzen op gedistilleerd (in 1852, 1855, 1863, 1865 en 1869), op wijn (in 1855 en 1866) en op suiker (in 1852, 1855 en 1865). ZieJaarcijfers 1881, blz. 63–65.Google Scholar
  39. 45).
    Van 1 Januari 1850 tot 2 Augustus 1876 werd in totaal f 237 millioen voor schulddelging besteed. Het nominale bedrag van de gevestigde schuld daalde dientengevolge van f 1231 millioen tot f 912 millioen. ZieBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1876–77, A, hoofdst. VII A, 3 en 4. De rentelast van de staatsschuld verminderde van f 36 millioen in 1850 tot f 25,9 millioen in 1875. ZieBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 4 enHandelingen Tweede Kamer, 1895–96, blz. 15.Google Scholar
  40. 46).
    Namelijk f 10 millioen in 1861 en in totaal f 142 millioen gedurende de jaren 1862–75. ZieJaarcijfers 1881, blz. 59.Google Scholar
  41. 47).
    E. de Waal,Onze Indische financiën ('s-Gravenhage 1876–1907), II, blz. 43–44.Google Scholar
  42. 48).
    De minder gelukkige formuleering was kennelijk overgenomen uit de wet van 27 December 1840(Staatsblad no. 79). Zie boven, noot 23.Google Scholar
  43. 49).
    Vgl. de wetten van 22 April 1855 (Staatsblad no. 34) en 11 Juli 1855 (Staatsblad no. 72).Google Scholar
  44. 50).
    Wet van 20 December 1867 (Staatsblad no. 131).Google Scholar
  45. 51).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1867–68, blz. 832–33;Handelingen idem, blz. 455.Google Scholar
  46. 52).
    Wet van 31 December 1869 (Staatsblad no. 212).Google Scholar
  47. 53).
    Zie het wetsontwerp en de met de Tweede Kamer gewisselde stukken inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1869–70, blz. 204 e.v.; 477 e.v.; 617 e.v. Vgl. voortsHandelingen idem, blz. 1040 e.v.; enHandelingen Eerste Kamer, 1869–70, blz. 260–61; 273 e.v.Google Scholar
  48. 54).
    Vgl. over de vraag in-hoever de opbrengst van schatkistpapier, uit juridisch oogpunt beschouwd, kan dienen als dekkingsmiddel in den zin van het desbetreffende grondwetsartikel (laatstelijk vernummerd tot 124), A. Heringa,Schatkistpapier: middelen tot dekking (proefschr. Groningen 1901).Google Scholar
  49. 55).
    De middelenwet 1871 (wet van 31 December 1870,Staatsblad no. 233) bevatte aanvankelijk zulk een bepaling niet; zij is er aan toegevoegd bij de wet van 19 Juni 1871 (Staatsblad no. 67).Google Scholar
  50. 56).
    In de lasten dezer leening, die in 56 jaar zou worden afgelost, werd voorzien door uitbreiding van de successiebelasting tot vererving in de rechte lijn, bij de wet van 9 Juni 1878 (Staatsblad no. 95). Het prospectus van de leening is te vinden in deStaatscourant van 13 Juni 1878, no. 137. De koers van uitgifte bedroeg 98 3/8 procent. Vgl. over de leening ookDe Economist, 1878, blz. 785 e.v.; 975.Google Scholar
  51. 57).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1877–78, no. 125, 3, blz. 6.Google Scholar
  52. 58).
    Zie de millioenenrede van 1881 inHandelingen Tweede Kamer, 1881–82, blz. 20 e.v.; vgl. ookBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1881–82, no. 162, stuk 4. De dienst 1880 leverde uiteindelijk een batig saldo op van f 2,5 millioen, dat naar den dienst 1882 werd overgebracht. Het nadeelig saldo op de rekening over 1876, dat tenslotte f 6,9 millioen bleek te bedragen, kon voor ruim f 6,8 millioen uit de overschotten van de diensten 1874 en 1875 worden gedekt, zoodat slechts een restant van niet ten volle f 60.000 uit de opbrengst van de leening 1878 behoefde te worden gevonden. Het provenu van die leening is verder ten goede gekomen: voor f 15,9 millioen aan den dienst 1877; voor f 13,8 millioen aan den dienst 1878; voor f 10,9 millioen aan den dienst 1879; en voor f 1,7 millioen aan den dienst 1882. Zie de wetten van 5 Juni 1878 (Staatsblad no. 87), 25 December 1878 (Staatsblad no. 227) en 15 Juni 1883 (Staatsblad no. 89).Google Scholar
  53. 59).
    Zie over de voorgeschiedenis van de muntbiljetten van 1852, De Jong, t.a.p., I, blz. 349 e.v.Google Scholar
  54. 60).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1877–78, no. 125, 3, blz. 5. Vgl. ook de uitlating van minister Kolkman,ibidem, 1910–11, bijl. A, hoofdst. I, 5, blz. 23, dat men er destijds niet aan dacht de muntbiljetten tot de vlottende schuld te rekenen.Google Scholar
  55. 61).
    Vgl.Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1860–61, blz. 984; 1870–71, blz. 1139; 1877–78, no. 125, 6, blz. 20.Google Scholar
  56. 62).
    Handelingen Tweede Kamer, 1877–78, blz. 246–47.Google Scholar
  57. 63).
    Voor het eerst in deStaatscourant van 28 Aug. 1883, no. 201. Door den overzichtschrijver inDe Economist was reeds een paar malen aangedrongen op splitsing van den post rekening-courant saldo's op den week-staat van de Nederlandsche Bank, opdat men daaruit het tegoed van den Staat bij de Bank afzonderlijk zou kunnen aflezen. Vgl.De Economist, 1879, blz. 622; zie ook 1883, blz. 675. Aan dezen wensch is eerst in April 1889 gevolg gegeven.Google Scholar
  58. 64).
    Dat het denkbeeld tot het invoeren vantreasury bills afkomstig was van Bagehot, schijnt destijds niet algemeen bekend geweest te zijn. Zie den brief van Lord Welby aanThe Economist in den jaargang 1909 van dat weekblad, blz. 1045.Google Scholar
  59. 65).
    The Economist, 1877, blz. 294.Google Scholar
  60. 66).
    Zie de beschouwing van den overzichtschrijver inDe Economist, 1877, blz. 911.Google Scholar
  61. 67).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1877–78, no. 125, 3, blz. 5.Google Scholar
  62. 68).
    Zie het wetsontwerp met bijbehoorende stukken inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1878–79, no. 95.Google Scholar
  63. 69).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1879–80, A, hoofdst. VII A, 7, blz. 3; 8, blz. 5;Handelingen idem, blz. 545 e.v.Google Scholar
  64. 70).
    De Economist, 1879, blz. 1122 e.v.Google Scholar
  65. 71).
    Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1880–81, A, hoofdst. VII A, 7, blz. 1.Google Scholar
  66. 72).
    Ibidem, 8, bl. 3. Zie ookHandelingen Tweede Kamer, 1880–81, blz. 800.Google Scholar
  67. 73).
    ZieJaarverslag Nederlandsche Bank 1880–81, blz. 6. Onder gouvernementsaccepten verstond men wissels, door den gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië getrokken op den minister van koloniën, en door dezen geaccepteerd.Google Scholar
  68. 74).
    Zie het wetsontwerp en de bijbehoorende stukken inBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1880–81, no. 137.Google Scholar
  69. 75).
    Versterking der gewone middelen — ofschoon daarover veel werd gepraat — had in deze periode vrijwel niet plaats. Alleen werd in Juli 1884 de suikeraccijns wat verhoogd — een maatregel waarvan men zich een jaarlijksche bate van f 1.700.000 voorstelde — terwijl op den accijns op gedistilleerd een tijdelijke verhooging werd toegepast, die f 1.150.000 moest opbrengen.Google Scholar
  70. 76).
    Gedurende de vier jaren 1881–84 werd voor den aanleg van staats-spoorwegen in totaal f 52,5 millioen besteed, tegen f 40,2 millioen in het vijfjarige tijdvak 1876–80. ZieJaarcijfers Rijk in Europa, 1900, blz. 237.Google Scholar
  71. 77).
    Zie de wetten van 30 December 1881 (Staatsblad no.244) 30 December 1882 (Staatsblad no. 258) en 30 December 1883 (Staatsblad no. 250).Google Scholar
  72. 78).
    De voorschotten ingevolge de Indische middelenwetten van 11 December 1881 en 16 December 1882 (en tevoren reeds krachtens de Indische middelenwet van 15 December 1878) aan Indië verleend, waren eigenlijk extra-voorschotten. Artikel 26 van de Indische comptabiliteitswet van 23 April 1864 (Staatsblad no. 35) bevatte een doorloopende machtiging aan den minister van financiën om aan den minister van koloniën credieten te geven voor betalingen, in Nederland ten behoeve van Indië te doen, en ter voorziening in de behoeften van 's lands kassen in Indië. Deze credieten mochten echter niet te boven gaan het bedrag van de gelden, in 's Rijks schatkist gestort krachtens artikel 33 van de Indische comptabiliteitswet, hetwelk voorschreef dat alle met het koloniaal beheer van Nederlandsch-Indië in verband staande, in Nederland te ontvangen bedragen in 's Rijks schatkist gestort moesten worden. Bij de genoemde Indische middelenwetten werd de minister van financiën dus eigenlijk bevoegd verklaard bij het openen van credieten aan den minister van koloni ën het bedrag, bedoeld in artikel 33 van de Indische comptabiliteitswet, te overschrijden met een som waarvan het maximum in de middelenwet werd bepaald. De aangehaalde bepalingen uit de Indische comptabiliteitswet zijn blijven bestaan. Alleen zijn de desbetreffende artikelen dier wet in den loop der jaren vernummerd. Het oude artikel 26 werd 23; het oude artikel 33 werd 26. De voorschotten, later aan Indië verleend ingevolge de nog te noemen kastekort-wetten, zijn dan ook evenzeer en geheel in denzelfden zin als extra-voorschotten te beschouwen als die, bedoeld in de aangehaalde Indische middelenwetten. Maar in de kastekort-wetten komt het eigenaardige karakter der credieten duidelijk tot uitdrukking. In de middelenwetten was dat niet het geval.Google Scholar
  73. 79).
    Zie het prospectus van de leening in deStaatscourant van 7 April 1883, no. 81. De leening zou worden afgelost in 56 jaar. De koers van uitgifte bedroeg 98 3/4 procent. De uitgifte was een groot succes, dank zij vooral de omvangrijke deelneming voor Duitsche rekening. Bij de inschrijving was sterk gemajoreerd: in totaal werd voor ruim f 760 millioen ingeschreven. Een nieuwigheid van de leening 1883 was, dat zij uitsluitend in obligaties werd uitgegeven. ZieDe Economist, 1883, blz. 452 e.v.Google Scholar
  74. 80).
    Zie de wet van 27 April 1884 (Staatsblad no. 101).Google Scholar
  75. 81).
    Anders dan de leeningen van 1878 en 1883 werd de leening 1884 (overeenkomstig een suggestie, reeds in Januari 1884 gedaan door den overzichtschaijver vanDe Economist — zie blz. 171 van den jaargang 1884) door den minister van financiënen bloc geplaatst bij een bankiersconsortium, bestaande uit de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de Amsterdam-sche Bank en de Amsterdamsche succursale van de Banque de Paris et des Pays-Bas. ZieStaatscourant, 23 Juli 1884, no. 171. Verschillende bankierscombinaties hadden naar de leening gedongen; het bod van het genoemde consortium was blijkbaar het voordeeligste bod geweest. De minister kon dan ook tevreden zijn: de Staat ontving een koers van 100,51 procent netto. ZieDe Economist, 1884, blz. 999–1000, enBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1885–86, no. 140, stuk 2. Het consortium stelde de inschrijving open op het geheele bedrag tot een koers van 101,75 procent. Merkwaardig is, dat, hoewel de leeningen bloc was verkocht, het prospectus niettemin uitging van het ministerie van financiën en dat de inschrijving plaats had bij den agent van dat ministerie te Amsterdam en bij den betaalmeester te Rotterdam. Zie het prospectus van de leening inDe Nederlandsche Financier: Dagelijksche Beurscourant van 1 Augustus 1884, no. 179. Vgl. ook hetzelfde blad van 2 Augustus 1884, no. 180 en 6 Augustus 1884, no. 183.Google Scholar
  76. 82).
    Zie de wetten van 22 Juli 1885 (Staatsblad no. 134), 19 Januari 1886 (Staatsblad no. 12) en 23 December 1886 (Staatsblad no. 225).Google Scholar
  77. 83).
    Zie de bekendmaking inStaatscourant, 30 Januari 1883, no. 24.Google Scholar
  78. 84).
    Staatscourant, 25/26 Februari 1883, no. 47 en 25/26 Maart 1883, no. 71.Google Scholar
  79. 85).
    Zie de mededeeling, door minister Grobbée op 21 September 1883 in de Tweede Kamer in de millioenenrede gedaan (Handelingen Tweede Kamer, 1883–84, blz. 27). Van een deel der biljetten werd, daar de houders niet tijdig opzegden, de looptijd met drie maanden verlengd. Na de uitgifte van de leening 1883 werden alle nog loopende schatkistbiljetten door den Staat opgezegd. ZieStaatscourant, 25 April 1883, no. 96.Google Scholar
  80. 86).
    ZieDe Economist, 1883, blz. 674, zoomedeBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1884–85, 2e zitting, A, hoofdst. VII A, 1, blz. 1.Google Scholar
  81. 88).
    Zie de eerste van deze aankondigingen inStaatscourant, 25 Januari 1882, no. 21. De eerste inschrijving had plaats op 3 Februari 1882.Google Scholar
  82. 89).
    Het eerste bericht van toewijzing is te vinden inStaatscourant, 7 Februari 1882, no. 32. Zie over deze eerste uitgifte van schatkistpromessen ookDe Economist, 1882, blz. 478–79. De Nederlandsche Bank had zich bereid verklaard de promessen onmiddellijk na de toewijzing in disconto te nemen tegen haar tarief, geldende op den dag der inschrijving.Google Scholar
  83. 90).
    Blijkens het voorloopig verslag van de Tweede Kamer over hoofdstuk VII A van de staatsbegrooting voor 1883 werd het door „verscheidene leden” betreurd dat geen schatkistpromessen in coupures lager dan f 10.000 werden uitgegeven. Men meende dat voor schatkistpromessen van f 1000 zeker belangstelling zou bestaan bij „renteniers en andere particulieren”. Minister Van Lynden had zich daarop „niet ongeneigd” verklaard tot het nemen van een proef met kleinere coupures. ZieBijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1882–83, A, hoofdst. VII A, 7, blz. 1; 8, blz. 3.Google Scholar
  84. 91).
    Jaarverslag Nederlandsche Bank, 1881–82, blz. 8.Google Scholar
  85. 92).
    In de jaarverslagen van de Nederlandsche Bank vindt men hieromtrent slechts weinig cijfers. Zie echter J. F. B. Baert, „Mededeelingen betreffende de Nederlandsche Bank”, inBijdragen van het Statistisch Instituut, 2e jaarg., (1886), no. 2, blz. 147.Google Scholar
  86. 93).
    Jaarverslag Nederlandsche Bank, 1882–83, blz. 5.Google Scholar
  87. 94).
    Baert, t.a.p.Google Scholar
  88. 95).
    Baert, blz. 147–48;Jaarverslag Nederlandsche Bank, 1883–84, blz. 5–6. Zie ookDe Economist, 1883, blz. 974, waar op het disconteeren door het ministerie van koloniën scherpe critiek wordt geoefend.Google Scholar
  89. 96).
    Jaarverslag Nederlandsche Bank, 1883–84, blz. 6.Google Scholar
  90. 97).
    Ibidem; zie ook Baert, t.a.p., blz. 148.Google Scholar
  91. 98).
    Aldus F. S. van Nierop in zijn artikel „Bladzijden uit de geschiedenis van 's Rijks vlottende schuld”, inDe Economist, 1912, blz. 253 e.v. De aangehaalde uitdrukkingen staan op blz. 257–58.Google Scholar
  92. 99).
    Het voorloopig verslag is van 18 October 1882; de memorie van antwoord van 22/23 December van dat jaar; de mondelinge beraadsfagingen in de Tweede Kamer vonden plaats op 20 en 21 Februari 1883. Over de modaliteiten van de uit te geven leening bestond destijds veel verschil van meening. Het ontwerp zooals dat was ingediend, voorzag in een leening van f 83 millioen tegen een rente van 3 procent 's jaars, te emitteeren in series. Zie in dit verband ook de brochure van F. S. van Nierop,De leening van 1883 (Amsterdam 1883), waarin een pleidooi werd gehouden voor een 4 procent's leening.Google Scholar
  93. 100).
    Jaarverslag Nederlandsche Bank, 1882–83, blz. 11.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1946

Authors and Affiliations

  • A. M. de Jong

There are no affiliations available

Personalised recommendations