Advertisement

De Economist

, Volume 98, Issue 1, pp 481–513 | Cite as

De economische terminologie in het Nederlands

  • F. J. de Jong
Article

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    Men kan treffende staaltjes vinden van dit taalbederf, zelfs bij vooraan-staande auteurs. Wij nemen als voorbeeld een twee jaren geleden verschenen boek, waarvoor wij wetenschappelijk de grootste bewondering hebben, nl. de dissertatie van J. Zijlstra: „De omloopsnelheid van het geld en zijn betekenis voor geldwaarde en monetair evenwicht”, Leiden 1948; wellicht een van de belangrijkste geldtheoretische boeken, die in onze taal ooit het licht zagen. Waar men dit boek ook openslaat, overal wemelt het van de buitenlandse termen; en wij hebben er daarbij niet één ontmoet, waarvoor wij geen behoorlijk Nederlands woord in de plaats zouden kunnen geven. Eénmaal schijnt het, alsof de geachte auteur werkelijk een poging heeft gedaan, zich te realiseren, hoe een bepaald begrip er in het Nederlands uit zou zien; en wel als hij het begripdegree of overlapping van J. W. Angell hanteert. Immers op p. 66, n. 1 schrijft Zijlstra dienaangaande: „Een goede Nederlandse uitdrukking kon niet worden gevonden”. Het typische is echter, dat Zijlstra — blijkbaar onbewust — zulk een „goede Nederlandse uitdrukking” zelf reeds vóórdien had genoemd: op p. 44 bezigt hij tot tweemaal toe aanvankelijk de termmate van in elkaar sluiten (van de — indivuduele —ontvangst- en betalingsmomenten), welke Nederlandse uitdrukking, die toch stellig heel goed bruikbaar is, op diezelfde bladzijde pas later wordt vervangen door het Engelsedegree of overlapping. Ook voor andere begrippen geeft hij soms Nederlandse woorden, zonder deze nochtans verder te blijven gebruiken; zo geeft hij op p. 49 de termrusttijd (van het geld in de kassen) voor Angell'sincome-expenditure-period. Wij zouden de hoop willen uitspreken, dat Zijlstra bij een eventuele herdruk van zijn bewonderenswaardige boek er de moeite voor over zal hebben, in de tekstalle Engelse (en Duitsel zie zijn hst. VI, § § 2 en 3 bv.) termen en citaten in goed Nederlands te vertalen, en de vreemde woorden en onvertaalde aanhalingen te verwijzen naar de voetnoten. Mogen andere auteurs in de toekomst hetzelfde doen.Google Scholar
  2. 2).
    N. G. Pierson: „Leerboek der Staathuishoudkunde”, 2 dln., eerste druk, Haarlem 1884; derde druk 1912. Pierson neemt ook de moeite alle citaten, die hij in zijn tekst geeft, in het Nederlands te vertalen. Schrijver dezes acht dit uit aesthetische overwegingen de enige toelaatbare methode, zolang niet zéér bizondere redenen dwingen tot het tegendeel; het geven van citaten in vreemde talen beperke men tot de voetnoten. Het is o.i. uitermate hinderlijk, als een boek in vier of vijf talen tegelijk is geschreven.Google Scholar
  3. 3).
    Men beschouwe bv. eens de volgende twee boeken op hun taalgebruik: J. Tinbergen: „Econometrie”, eerste druk, Gorinchem 1941, derde druk 1949; alleen het woordlag kan men daar nog in het Engels aantreffen; dezelfde: „Economische bewegingsleer”, eerste druk Amsterdam 1943, tweede druk 1946; het woordlag is vertaald als vertraging (p. 14,passim).Google Scholar
  4. 5).
    Zie voetnoot nr. 3.Google Scholar
  5. 6).
    Tinbergen: „Economische bewegingsleer”, eerstc druk, p. 14, 134/135 en 137.Google Scholar
  6. 8).
    Duits:Vollbeschäftigung; Frans:plein emploi.Google Scholar
  7. 9).
    Zelfs twee auteurs, die zo precies zijn met het zuiverhouden van het Nederlands als S. Korteweg en F. A. G. Keesing: „Het moderne geldwezen”, tweede druk, Amsterdam 1947, p. 93 en 101, hebben blijkbaar geen kans gezien, de termidle balances te vertalen (in de derde druk: p. 96 en 103).Google Scholar
  8. 10).
    Zijlstra, p. 61functo 63.Google Scholar
  9. 11).
    F. de Roos: „De algemene banken in Nederland”, Utrecht 1949, p. 25, n. 2 (vervolg op p. 26 onderaan).Google Scholar
  10. 12).
    De termProduktionsgeschwindigkeit is afkomstig van H. von Stackelberg: „Grundlagen einer reinen Kostentheorie”, Wenen 1932, p, 5,passim; tevens verschenen (zonder het vierde hoofdstuk) in het Zeitschrift für Nationalökonomie III (1932), p. 333/367 en 552/590; men vindt de term daar op p. 337, passim. De „productiesnelheid” is de periodiek geproduceerde hoeveelheid product. — Een verdediging van het goede bestaansrecht van Stackelberg's termenProduktionsgeschwindigkeit enAufwandsgeschwindlgkeit (hetgeen men kan vertalen als „aanwendingssnelheid” van het productie-middel) vereist een uiteenzetting over de dimensies der economische veranderlijken. Hierop hopen wij t.z.t. in een volgend artikel terug te komen.Google Scholar
  11. 13).
    De begrippen „primaire” en „variabele” kosten dekken elkander niet, al heeft Marshall, „Principles”, p. 360/361 dit wel zo voorgesteld. Het begrip „primaire” kosten is ruimer, en omvat behalve de variabele kosten ook nog de vaste loonkosten. Een juistere definitie van het begrip. l"primaire kosten” geeft Fr. Benham: „Economics”, derde druk Londen 1945, p. 226/227, inzh. 227 bovenaan: „Primaire kosten” zijn kosten, die in ieder geval gedekt moeten worden, zal er ook maar iets worden geproduceerd. Zij omvatten alle variabele kosten en daarenboven enkele vaste kosten, bv. de salarissen van het kantoorpersoneel. De rest van de vaste kosten noemt men „supplementaire kosten”. Het komt ons voor, dat het „daarenboven enkele vaste kosten” niets anders kan omvatten, dan de vaste loonkosten. De gemiddelde primaire kostencurve loopt dus tussen de gemiddelde totale en de gemiddelde variabele kostencurven in.Google Scholar
  12. 14).
    E. Schneider: „Theorie der Produktion”, Wenen 1934, p. 31: „Dividieren wir die bei der Produktion einer bestimmten Menge eines Gutes entstehenden Gesamtkosten durch diese Produktmenge, so erhalten wir die Stückkosten für diesen Produktionsumfang”. Op p. 75 definieert hij „totale kosten” als de optelsom van vaste en variabele kosten.Google Scholar
  13. 15).
    Mevrouw Robinson doet dit bij de behandeling van „de vier kostencurven” in haar boek van 1933 op p. 134;cf. p. 48. — „De vier kostencurven” (gemiddelde totale, gemiddelde variabele, gemiddelde vaste en marginale) zijn voor de individiuele onderneming voor het eerst in geheel uitgewerkte vorm geschetst door R. F. Harrod: „Notes on Supply”, Economic Journal XL (1930) p. 232/241 en door L. Amoroso: „La curva statica di offerta”, Giornale degli Economisti LXX (1930), p. 10 e.v. In deze vorm vindt men ze thans in ieder modern leerboek van de economie.Google Scholar
  14. 16).
    A. L. Meyers: „Elements of Modern Economics”, derde druk, New York 1948, p. 158:Daily cost schedule for small factory. Van dit boek is een vertaling verschenen van de hand van P. de Lezenne Coulander met een aantal medewerkers, getiteld: „Grondslagen van de moderne economie”, Leiden 1948; men vindt het tabelletje aldaar op p. 145: „Kostenschema voor een kleine fabriek”. — Voortaan zullen wij kortheidshalve als volgt naar Meyer's boek verwijzen: Meyers, p. 158 (145). Hij bezigt zowel het Amerikaanse woord costs als het Engelsecost.Google Scholar
  15. 17).
    K. E. Boulding: „Economic Analysis”, New York & London 1941, p. 422,Table 15: Cost Schedules.Google Scholar
  16. 18).
    In de terminologie zoals gebezigd door Schneider — en voor hem reeds door Stackelberg in zijn dissertatie: „Grundlagen einer reinen Kosten-theorie” van 1932 — wordt de volgorde van de indelings-criteria der kosten-begrippen in de termen juist andersom;Fixe Gesamtkosten, Fixe Stückkosten, Variabele Gesamtkosten, Variabele Stückkosten, Totale Gesamtkosten, Totale Stückkosten, Marginale Kosten.Google Scholar
  17. 19).
    J. L. Mey: „Theoretische bedrijfseconomie”, deel I, zesde druk, Den Haag 1949, p. 184. Mey past hier de door Limperg gedoceerde terminologie toe. Limperg's kostprijstheorie dateert uit een tijd, dat de moderne kosten-theorie, gelijk deze thans in de prijstheorie is opgenomen, nog niet bestond, en betekende derhalve een belangrijke vernieuwing. — Weliswaar is „integralekostprijs” niet geheel hetzelfde als „integralekosten”. Dit doet echter aan het in de tekst behandelde terminologische vraagstuk o.i. niets af of toe.Google Scholar
  18. 21).
    Zie voor een nadere toelichting R. G. D. Allen: „Mathematical Analysis for Economists”, London 1938 (enige malen herdrukt), p. 384/392; aan dit boek is ook de figuur ontleend.Google Scholar
  19. 23).
    Meyers, p. 158 (145); Boulding, p. 422; zie ook hierboven.Google Scholar
  20. 24).
    De term „integrale functie” vindt men in een dergelijk verband ook bij Pareto: „Manuel d'économie politique”, tweede druk, Parijs 1927, p. 608.Google Scholar
  21. 25).
    De term „differentiële kosten” resp. „differentiële kostprijs” die o.m. door een aantal Duitse schrijvers wordt gebezigd, vindt men ook bij Mey, p. 184, 184 n.; hij stelt het begrip ook uitdrukkelijk als een differentiaal-quotiënt voor. Dit maakt echter o.i. de term „integrale kostprijs” des te verwerpelijker, aangezien het functiebegrip en derhalve de wiskundige denkmethode met het schrijven van een differentiaal-quotiëntexplicite zijn ingevoerd, zodat een eventuele verdediging van de term „integrale kostprijs” op louter taalkundige basis alle zin verliest. — Men kan terecht met J. G. Koopmans: „Marginale kosten, marginale opbrengsten, en optimale productie-omvang”,Economische opstellen aangeboden aan Prof. Mr. F. de Vries, Haarlem 1944, p. 149/215, inzh. p. 156, n. 20, betogen, dat de term „differentiële kosten” zuiverder is, dan „marginale kosten”. Niettemin meent ook Koopmans, dat laatstgenoemde term niet tot zoveel verwarring aanleiding geeft, dat het aanbeveling zou verdienen, de meer algemeen aanvaarde term „marginale kosten” niet meer te gebruiken. Men kan daaraan nog toevoegen, dat de term „marginale kosten” ook duidelijk het verband aangeeft met de hele marginale analyse, gelijk deze reeds door Cournot is ingevoerd (en ten dele reeds door Richardo in 1817), al zou men natuurlijkoveral bij de differentiaalquotiënten de term „marginale” kunnen vervangen door „differentiële”. Wij zien hiertoe echter geen noodzaak.Google Scholar
  22. 28).
    E. H. Chamberlin: „The Theory of Monolistic Competition”, vijfde druk, Cambridge Mass. 1946.Google Scholar
  23. 29).
    De Duitse term isGrenzerlös; in het Frans zegt menrevenu marginal (cf. Jane Aubert: „La courbe d'offre”, Parijs 1949, bv. p. 73.Google Scholar
  24. 30).
    Chamberiin, p. 14; Meyers, p. 106(97); Boulding, p. 532.Google Scholar
  25. 33).
    H. M. H. A. van der Valk: „Voortgezet elementair leerboek der economie”, Arnhem 1946, p. 41.Google Scholar
  26. 34).
    Chamberlin, p. 177; Meyers, p. 154 (142), tabel, opschrift van kolom 4, alsmede p. 219/220 (204): Boulding, p. 459. — Meyers laat het woord „physical” meestal weg, hetgeen tot verwarring met het sub .3 te noemen begrip kan leiden, zodat men de termen beter voluit kan bezigen.Google Scholar
  27. 37).
    Een typisch staaltje van weinig accurate terminologie in dit verband vindt men in de belangwekkende dissertatie van H. J. Witteveen: „Loonshoogte en werkgelegenheid”, Haarlem 1947, alwaar op p. 12 n. de term „marginale opbrengst” wordt gebezigd in de bekenis van „marginaal physiek product”, en op p. 14 in de betekenis van „marginale ontvangsten”. Op p. 15 daarentegen spreekt Witteveen van „het physieke grensproduct van de arbeid”, hetgeen stellig beter is. Men zie echter ook de vorige voetnoot.Google Scholar
  28. 39).
    Chamberlin, p. 178/179; Meyers, p. 314 (293) en 219/220 (204); Boulding, p. 474. — De hier weergegeven analyse van het driedubbelzinnige begrip „grensproduct” is vlg. Chamberlin, p. 177 n. afkomstig van Fr. Machlup: „On the meaning of the Marginal Product”, Explorations in Economics, 1936, p. 250/263; herdrukt in de bundel„Readings in the Theory of Income Distribution”, Philadelphia & Toronto 1946, p. 158/174.Google Scholar
  29. 40).
    Cf. Chamberlin, p. 178/179.Google Scholar
  30. 41).
    Deze term danken wij aan Prof. Dr. H. J. Witteveen te Rotterdam.Google Scholar
  31. 44).
    Chamberlin, p. 182.Google Scholar
  32. 47).
    Het wiskundig bewijs van deze stellingen levert P. A. Samuelson: „Foundations of Economic Analysis”. Cambridge Mass. 1948, p. 85/86.Google Scholar
  33. 48).
    Men kan deze ongelijkheid ook als volgt formuleren: de integrale geldproductiviteit is kleiner dan de optelsom van de effectieve waardeproductiviteiten der diverse soorten productiemiddelen, waarbij ondereffectieve waardeproductiviteit van een productiemiddel wordt verstaan: de marginale waardeproductiviteit van dat produciemiddel vermenigvuldigd met de aanwendingssnelheid van dat productiemiddel (deze term is eenanalogon van de term „effectief nut”, ingevoerd door F. B. Garver & A. H. Hansen: „Principles of Economics”, tweede druk, Boston & C. 1937, p. 142; d.i. „het product van grensnut en aantal verkregen eenheden goederen”).Google Scholar
  34. 50).
    Cf. de Nederlandse uitgave van Meyers, p. 141.Google Scholar
  35. 52).
    Zo bv. de Nederlandse vertalers van het boek van Meyers;cf. hst XVIII van de Nederlandse uitgave.Google Scholar
  36. 53).
    Men kan overwegen, het begrip „rent” te vertalen als „surplus”. Meyers bestempelt op p. 294 (274) e.v. de grondrente enige malen als eensurplus (overschot). Deze terminologie achten wij echter niet ongevaarlijk, aangezien het woord surplus (overschot) er gemakkelijk toe leidt, te menen, dat de rent een restinkomen is, evenals de ondernemerswinst; doch de „rente” is juist een element van de alternatieve kosten. Bovendien doet een algemeen gebruik van de term „surplus-inkomen” de analogie met de grondrente niet uitkomen. Tenslotte sluit het in de tekst gedane voorstel dichter aan bij het internationale spraakgebruik (Duits:Rente/Zins; Fr.:rentelintérêt; Eng.:rent/interest). — Het moet echter worden erkend, dat er juist op het gebied van de terminologie wel altijd ruimte zal blijven bestaan voor verschil van mening. Zo sprak bv. Pierson niet van „grondrente”, doch van „pacht”. Tegenwoordig is men echter min of meer gewend onder „pacht” het personele, onder „grondrente” het functionele inkomen uit resp. van de grond te verstaan.Google Scholar
  37. 54).
    Op ons verzoek hebben S. Korteweg en F. A. G. Keesing in de derde druk van „Het moderne geldwezen” (Amsterdam 1950) hiermede een proef genomen; zij hebben overal de term „rente” vervangen door „interest” (men zie de voetnoot in hun boek op p. 6 in de derde druk). Het komt ons voor, dat dit in genen dele storend werkt. De lezer oordele echter zelf.Google Scholar
  38. 55).
    De begrippen „statisch” en „dynamisch” zijn al evenzeer dubbelzinnig voor een ieder, die zich niet strikt houdt aan de voorstellen, dienaangaande in navolging van Frisch te onzent gedaan door J. Tinbergen: „Econometrie”, derde druk, Gorinchem 1949, p. 11; „Economische Bewegingsleer”, eerste druk, Amsterdam 1943, p. 111/114; „Beperkte Concurrentie”, Leiden 1946, p. 57/60. —Cf. R. Frisch: „Statikk og dynamikk i den økonomiske Teori”, National—Økonomisk Tidsskrift LXVII (1929), p. 321; een samenvatting hiervan geeft hij in „On the Notion of Equilibrium and Disequilium”, Rev. of Ec. Studies III (1935/1936), p. 100/105. Deze voorstellen komen neer op het maken van een onderscheid tussenstatische endynamische analyse tegenoverstationnaire en veranderlijke toestanden. — Voor een zéér heldere weergave van de definities van Frisch zie men Schneider: „Einführung”, I, p. 56, en II, p. 187/190 en 198.Google Scholar
  39. 56).
    Tinbergen: „Economische bewegingsleer”, eerste druk, p. 11/12.Google Scholar
  40. 58).
    Een uitzondering vindt men bij Garver & Hansen, p. 217 e.v., die de bedoelde onderscheiding wèl maken.Google Scholar
  41. 74).
    F. H. Knight: „Risk, Uncertainty and Profit”, Boston & New York 1921, p. 100, de figuur. Men kan het in de tekst gestelde met een voorbeeld als volgt toelichten: zij het vaste productiemiddel een galei, het variabele productiemiddel arbeid (roeislaven). Bemant men de galei met één slaaf, dan kan het schip niet varen. Ook met twee slaven komt het schip nog niet los van de kade. De galei kan eerst varen (zij het ook zeer langzaam), indien tenminste OP roeiers aan de riemen trekken. Vergroting van het aantal roeiers doet vervolgens de vaarsnelheid toenemen, en daarmede het jaarlijkse vrachtvervoer (binnen een bepaalde grens).Google Scholar
  42. 75).
    H. M. H. A. van der Valk: „Voortgezet elementair leerboek der economie”, Arnhem 1946, p. 52/57, inzh. p. 56/57.Google Scholar
  43. 76).
    Zie ook Knight, p. 101, die dezelfde formulering volgt. Indien wij het niet zeer heldere betoog van J. A. Geertman: „De leer van de marginale kostprijs”, Amsterdam en Brussel 1949, p. 120/126 goed begrijpen, stemt zijn formulering overeen met die van Knight; derhalve is ook de uiteenzetting van Geertman (vermoedelijk) juist. Men vergelijke daartoe de onderste vier regels op p. 120 met zijn fig. 5 op p. 125. Inverteert men onze fig. 10 en vermenigvuldigt men de aanwendingssnelheida met de prijs van het variabele productiemiddel, dan stelt de kromme van de aldus getransformeerde fig. 10 de integrale variabele kostencurve voor. Het gedeeltePR in onze figuur wijst op het bestaan van afnemende gemiddelde variabele kosten (kosten-degressie volgens Geertman), enRD op toenemende gemiddelde variabele kosten (kostenprogressie). Met punt R komt het minimumpunt van de gemiddelde variabele kostencurve overeen (Proportionele integrale variabele kosten).Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn 1950

Authors and Affiliations

  • F. J. de Jong

There are no affiliations available

Personalised recommendations