De Economist

, Volume 112, Issue 3–4, pp 161–203 | Cite as

Discriminatoire Invoerbeperkingen En Economische Integratie

  • H. A. J. F. Misset
Article
  • 14 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1.
    In het E.E.G.-verdrag zijn vele bepalingen opgenomen, onder andere in de artikelen 7, 37, 48, 67, 68, 85, 86, die beogen discriminaties tussen onderdane van de lidstaten op verschillende gebieden van het economische leven uit te sluiten.Google Scholar
  2. 2.
    G. Haberler,The Theory of International Trade, With its Applications to Commercial Policy, Londen-Edinburgh-Glasgow 1936, 3e druk 1950, blz. 373.Google Scholar
  3. 3.
    Voor het eerst in 1950 door Mi Byé, „Unions douanières et données nationales,”Economic appliquée 1950, blz. 121 e.v. (later herdrukt in het Engels inInternational Economic Papers nr. 3, Londen-New York 1953, blz. 208 e.v.); H. Giersch, „Economic Unions between Nations and the Location of Industries,”Review of Economic Studies 1949/50, blz. 87 e.v. en J. Viner,The Customs Union Issue, New York 1950.Google Scholar
  4. 4.
    In de in noot 3 genoemde literatuur blijkt vooral het betoog van Viner, in mindere mate dat van Byé, op het vrijhandelsargument te steunen.Google Scholar
  5. 5.
    Behalve aan de vrijhandelszone en de gemeenschappelijke markt in Europa dient men vooral te denken aan de vrijhandelszone, die Mexico, Braziliě, Peru, Paraguay, Uruguay, Chili en Argentinië omvat, en de gemeenschappelijke markt, die uit Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua bestaat.Google Scholar
  6. 6.
    Deze omschrijving komt goeddeels overeen met die in deGeneral Agreement on Tariffs and Trade (GATT, Basic Instruments and Selected Documents, deel I, onderdeel III, artikel XXIV).Google Scholar
  7. 7.
    Uitgebreide en gedegen behandeling van de literatuur in B. Balassa,The Theory of Economic Integration, Londen 1962.Google Scholar
  8. 8.
    Viner, op. cit. en J.E. Meade,The Theory of Customs Union, Amsterdam 1955. Van Viner is het onderscheid in „trade-creation” en „trade-diversion“ afkomstig, welke be-grippen wij in navolging van F. J. de Jong („Regionale economische integratie”,Tijd-schrift voor economie 1961, blz. 153) met de termen handelsschepping en handelsverlegging aanduiden.Google Scholar
  9. 9.
    J. E. Meade,The Theory of International Economic Policy II, Trade and Welfare, Londen-New York-Toronto 1955, blz. 521 e.v.Google Scholar
  10. 10.
    Bijvoorbeeld Viner, op. cit., blz. 41 e.v.Google Scholar
  11. 11.
    Dit is het resultaat van het onder andere door Harrod, Kaldor en Hicks behandelde probleem, of er ten behoeve van het handelspolitieke beleid van de landen objectieve welvaartscriteria bestaan, die aangeven welke inkomensverdeling de welvaart maxima-liseert. Zie voor een overzicht van de behandeling van dit probleem N. Ruggles, „The Welfare Basis of Marginal Cost Pricing”,Review of Economic Studies 1949/50, blz. 29 e.v.Google Scholar
  12. 12.
    Soortgelijke voorwaarden komen onder andere voor in de bespreking van het vrij-handelsbeginsel bij J. Tinbergen,International Ecomonic Integration, Amsterdam 1954, blz. 54 e.v.Google Scholar
  13. 13.
    Zie T. Scitovsky, „A Reconsideration of the Theory of Tariffs” inReadings in the Theory of International Trade, Londen 1950, blz. 361 (oorspronkelijk inThe Review of Economic Studies 1942).Google Scholar
  14. 14.
    Scitovsky, art. cit., blz. 358 e.v.Google Scholar
  15. 15.
    Het is zeker mogelijk, dat kartellering de voordelen van de vrijhandel teniet doet gaan; hierop vestigt onder andere Verdoorn de aandacht (P.J. Verdoorn,Welke zijn de achtergronden en vooruitzichten van de economische integratie in Europa en welke gevolgen zou deze integratie hebben, met name voor de welvaart in Nederland?, overdruk preadvies 1952 van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Den Haag, blz 7). Zie ook Viner, op. cit., blz. 75 e.v.Google Scholar
  16. 16.
    Tinbergen heeft de nadruk op de noodzaak van kwantitatief onderzoek gevestigd; zieJan Tinbergen Selected Papers onder redactie van L. H. Klaassen, L.M. Koyck en H. J. Witteveen, Amsterdam 1959, blz. 150.Google Scholar
  17. 17.
    Verdoorn, op. cit., en P.J. Verdoorn, „The Intra-Bloc Trade of Benelux” inEconomic Consequences of the Size of Nations, onder redactie van E. A. G. Robinson, Londen 1960, blz. 291 e.v.Google Scholar
  18. 18.
    Zie echter voor een verdere uitwerking van Verdoorns model: L. H. Janssen S.J.,Vrijhandel, protectie en tolunie, een kwantitatief-theoretische analyse, dissertatie 1960.Google Scholar
  19. 19.
    Zie het preadvies Vereniging voor de Staathuishoudkunde van Verdoorn en zijn bijdrage „The Intra-Bloc Trade...”; wat de invloed van de omvang van de handels-scheppingen de handelsverlegging op het reële inkomen betreft zie in het bijzonder Janssen, op. cit., blz. 103 e.v. en blz. 120 e.v.Google Scholar
  20. 20.
    Verdoorn, overdruk preadvies, blz. 48, en Verdoorn, „The Intra-Bloc Trade...”, blz. 298.Google Scholar
  21. 21.
    Balassa, op. cit., blz. 50, en G. H. Orcutt, „Measurement of Price Elasticities in International Trade,”Review of Economics and Statistics 1950, blz. 117 e.v.Google Scholar
  22. 23.
    Van de specialisten op het gebied van de economische integratie, die deze veel voorkomende opvatting hebben aanvaard, noemt P. Streeten(Economic Integration, Leiden 1961, blz. 14) R. Aron („Problems of European Integration,”Lloyds BankReview 1953, blz. 1).Google Scholar
  23. 24.
    Tinbergen,International Economic Integration, blz. 95.Google Scholar
  24. 25.
    In de eerste plaats is de moeilijkheid, dat de burgers zich nauwelijks van hun voorkeuren bewust zijn: zie onder andere S. Kleerekoper,Grondbeginselen der bedrifseconomie, deel II, Amsterdam 1949, blz. 101 e.v. Een behandeling van het probleem en een overzicht van de literatuur verder bij R. D. Luce en H. Raiffa,Games and Decisions, New York 1957, blz 34 e.v. en blz. 371 e.v. In de tweede plaats ontbreekt een kwantitatieve grondslag om de individuele voorkeuren te meten en te vergelijken: zie onder andere K.J. Arrow,Social Choice and Individual Values, New York 1951. De uitvoerige analyse van dit probleem, die op Arrow's werk is gevolgd, vindt men samengevat in Luce en Raiffa, op. cit., blz. 327 e.v.Google Scholar
  25. 26.
    Vgl. J. Tinbergen,Economic Policy. Principles and Design, Amsterdam 1956, blz. 12.Google Scholar
  26. 27.
    Onder andere bij C. Weststrate,Theorie van drie stelsels van sociaal-economisch leven, Leiden 1948.Google Scholar
  27. 28.
    Het onderscheid in twee uitersten en een tussenvorm eveneens in Balassa, op. cit., blz. 7 e.v., en Streeten, op. cit., blz. 13 e.v.Google Scholar
  28. 29.
    Zie voor een overzicht F. L. Pryor, „Forms of Economic Co-operation in the European Communist Bloc: A Survey,“Soviet Studies 1959-60, blz. 173 e.v. en id.,The Communist Foreign Trade System, Londen 1963.Google Scholar
  29. 30.
    Zie onder andere Streeten, op. cit., blz. 13.Google Scholar
  30. 31.
    De artikelen 108 en 109 van het E.E.G.-verdrag geven de lidstaten het recht onder bepaalde omstandigheden de betalingsbalansmoeilijkheden met de noodzakelijke vrij-waringsmaatregelen af te wenden.Google Scholar
  31. 32.
    Uitdrukking van W. Röpke, „Gemeinsamer Markt und Freihandelszone”,Ordo X, Dusseldorp en München 1958, blz. 49. Naar zijn mening kan men in dit geval met meer met recht van een douane-unie spreken.Google Scholar
  32. 33.
    Wij vestigen de aandacht op de onlangs verschenen studie van K. W. Rothschild, die voor landen, welke in de onderhavige omstandigheden verkeren, lage invoerrechten of een preferentieel systeem aanbeveelt (K. W. Rothschild, „Kleinstaat und Integration,”Weltwirtschaftliches Archiv 1963, blz. 239 e.v.).Google Scholar
  33. 34.
    Zie J. E. Meade,The Theory of Economic Policy I,The Balance of Payments, Londen-New York-Toronto 1951, blz. 114 e.v. Ook J.E. Andriessen,De conjunctuurpolitiek in Westeuropees verband, Leiden 1959, blz. 13 e.v.Google Scholar
  34. 35.
    Een bespreking van de betekenis van een dergelijke code: H. Besters, „Staatliche Autonomie und internationale Konjunkturpolitik“ inWirtschaft, Gesellschaft und Kultur, Festgabe für A. Müller-Armack, Berlijn 1961, blz. 250 e.v.Google Scholar
  35. 36.
    Andriessen, op. cit., Festgabe für A. Müller-Armack, Berlijn 1961, blz. 15 e.v.Google Scholar
  36. 37.
    Goedhart vestigt de aandacht op het verschijnsel, dat bestrijding van de kosteninflatie gemakkelijk tot deflatoire verstoringen kan leiden (C. Goedhart, „De instrumenten van de economie orientée“,Maandschrift Economie 1954, blz. 53). Eveneens G. A. Kessler inMonetair evenwicht en betalingsbalansevenwicht, Leiden 1958, blz. 139 e.v.Google Scholar
  37. 38.
    Zie J. Kymmell,Ontwikkelingstendenzen van het internationale betalingsverkeer, Leiden 1950, blz. 93.Google Scholar
  38. 39.
    Betekenis aan de koopkrachtpariteit hecht onder andere G. Haberlerin „Reflexions on the Future of the Bretton Woods System,”The American Economic Review 1953,Papers and Proceedings, blz. 83.Google Scholar
  39. 40.
    Vgl. voor een behandeling van gevallen in de depressie J. Robinson, „Beggar-My-Neighbour Remedies for Unemployment” inReadings in the Theory of International Trade (oorspronkelijk in haar boekEssays in the Theory of Employment, tweede druk, Oxford 1947, deel III, hoofdstuk 2) en R. Nurkse, „Domestic and International Equilibrium” inThe New Economics onder redactie van S.E.Harris, New York 1948, blz. 280.Google Scholar
  40. 41.
    Zie L.A. Metzler, „The Theory of International Trade” inA Survey of Contemporary Economics, deel I, onder redactie van H. S. Ellis, blz 226 e.v.Google Scholar
  41. 42.
    Onder andere S. Tsiang, „The Theory of Forward Exchange and Effects of Government Intervention on the Forward Exchange Market”,International Monetary Fund, Staff Papers, april 1959, blz. 106.Google Scholar
  42. 43.
    Op de noodzaak van omvangrijke internationale monetairereserves is de laatste tijd verschillende malen de nadruk gelegd, onder andere nog in maart 1963 door prof. S. Posthuma in een rede voor S.S.R.R. te Rotterdam.Google Scholar
  43. 44.
    Onder andere Comité Européen pour le progrès économique et social,Europ äische Konjunkturpolitik, Frankfort 1957, W. Stützel, „Der internationale Kreditverkehr und die Koordinierung der Konjunkturpolitik,”Europäische Konjunkturpolitik 1958, blz. 95 e.v., R. F. Harrod, „Die Koordination der Währungs-und Konjunkturpolitik in einer Europäischen Gemeinschaft,”Aussenwirtschaft 1958, blz. 73 e.v.Google Scholar
  44. 45.
    Zo ook P. Hennipman, „Handelspolitiek en werkgelegenheid” inEconomic en maat-schappij, Groningen-Batavia 1947, blz. 144. Een gunstige beoordeling van kwantitatieve invoerbeperkingen onder andere bij J. Viner,International Trade and Economic Development, Oxford 1953, blz. 66 en Streeten, op. cit., blz. 73Google Scholar
  45. 46.
    Zie Meade,Trade and Welfare, blz. 272 e.v. De behandeling van het betalingsprobleem met elasticiteitscoëfficiënten is afkomstig van J. Robinson, „The Foreign Exchanges” inReadings in the Theory of International Trade (oorspronkelijk in haar boekEssays..., deel III, hoofdstuk 1).Google Scholar
  46. 47.
    Reeds bij M. Manoïlescu,Theorie du protectionisme et de l'échange international, Parijs 1929. Zie verder voor een bondige uiteenzetting de in noot 45) genoemde geschriften van Hennipman, Viner en Streeten.Google Scholar
  47. 48.
    Zoals Johnson opmerkt, schenkt de verklaring met elasticiteitscoëfficiënten ook te weinig aandacht aan de monetaire aspecteu van de betalingsbalanspositie (H. G. Johnson,International Trade and Economic Growth, Louden 1958, blz. 168).Google Scholar
  48. 49.
    Weinig is bekend over de grootte vanshort run- enlong run-elasticiteiten van de vraag en het aanbod. Zie M. A. G. van Meerhaeghe,Recente bijdragen tot de theorie der internationale betrekkingen, Gent 1959, blz. 43 e.v.Google Scholar
  49. 50.
    Dat stellige uitspraken betreffende de relatie tussen invoerrechten, ruilvoet en inkomen moeilijk zijn, blijkt uit S. Ozga, „Tariffs, Balance of Payments, and the Terms of Trade,“Economica 1956, blz. 128 e.v.Google Scholar
  50. 51.
    Zoals bekend kan men dit bewegingsproces met de theorie van de multiplier verklaren; in het kader van ons opstel is het niet nodig hierop in te gaan.Google Scholar
  51. 52.
    De bekendste auteur, die hierop zijn behandeling heeft gebaseerd, is S. Alexander, „Effects of a Devaluation on a Trade Balance,”International Monetary Fund, Staff Papers 1951/52, blz. 263 e.v. Op Alexander's „absorption approach” heeft F. Machlup o.a. de kritiek, dat in deze aanpak onvoldoende de invloed wordt onderzocht, die wijzigingen der relatieve prijzen op inkomen en bestedingen hebben („Relative Prices and Aggregate Spending in the Analysis of Devaluation,”The American Economic Review 1955, blz. 255 e.v.). Naar aanleiding van Machlup's kritiek komt Alexander tot een synthese van de theorie der elasticiteiten en die der absorptie in „Effects of a Devaluation: A Simplified Synthesis of Elasticities and Absorption Approaches,“The American Economic Review 1959, blz. 22 e.v. Zie voor een overzicht van verdere pogingen tot voornoemde synthese: A. J. Reitsma, „Recente ontwikkelingen in de theorie van de betalingsbalans,“De Economist 1963, blz. 731 e.v. Ook al plaatst de absorptiemethode bepaalde facetten van de betalingsbalansproblemen niet in het daglicht, toch is zij bijzonder geschikt om het praktische probleem van de effecten der invoerbeperkingen op de volkshuishoudingen te analyseren.Google Scholar
  52. 53.
    Ondanks de achteruitgang van de ruilvoet kan het reěle nationale inkomen door reallocatie van de produktiefactoren toenemen (zie F. Machlup, „The Terms-of-Trade Effects of Devaluation upon Real Income and the Balance of Trade,”Kyklos 1956, blz. 417 e.v.).Google Scholar
  53. 54.
    Ook Alexander, die ervan uitgaat dat „the welfare value of a dollar's worth of imports is equal to the welfare value of a dollar's worth of exports,” komt tot de conclusie, dat bij volledige werkgelegenheid en afgezien van retorsiemaatregelen invoerbeperkingen het land minder kosten dan devaluatie (S. Alexander, „Devaluation versus Import Restriction as an Instrument for Improving Foreign Trade Balance,”International Monetary Fund, Staff Papers 1950/51, blz. 379).Google Scholar
  54. 55.
    Zoals F. D. Graham meende: „Some Aspects of Protection Further Considered,”Quarterly Journal of Economics 1923, blz. 219 e.v.Google Scholar
  55. 56.
    Alexander noemt behalve deze factoren ook nog de factor van de geldillusie, die de bestedingen weliswaar kan verminderen, maar evengoed kan vergroten (Alexander, „Effects ...”,Staff Papers, blz. 263).Google Scholar
  56. 57.
    Willgerodt kent hieraan een belangrijke betekenis toe: H. Willgerodt,Handelsschranken im Dienste der Währungspolitik, Dusseldorp en München 1962, blz. 175 e.v. Hier zien wij een duidelijk voorbeeld van de stelling van noot 52) dat de elasticiteiten invloed op de absorptie uitoefenen.Google Scholar
  57. 58.
    Voornamelijk hebben wij hier het oog gericht op de produktontwikkeling in de ruimste zin. Zeer opmerkelijk is, dat de ontwikkeling van de theorie der internationale betrekkingen betrekkelijk weinig is beroerd door het baanbrekende werk van Chamberlin, Brems e.a. op het gebied der produktconcurrentie. 59 Vgl. voor de behandeling van het probleem der aanpassing de in noot 37) genoemde literatuur.Google Scholar
  58. 60.
    Zie M. C. Kemp, „Tariffs, Income and Distribution,“Quarterly Journal of Economics 1956, blz. 146 e.v.Google Scholar
  59. 61.
    Alexander, „Effects...,“Staff Papers, blz. 267.Google Scholar
  60. 62.
    Zulk een gemeenschappelijk inzicht bestaat niet binnen de E.E.G., zoals blijkt uit J. E. Andriessen, „De praktijk van de conjunctuurpolitiek in West-Europa,“Maandschrift Economie 1958/59, blz. 31 e.v.Google Scholar
  61. 67.
    Voor de moeilijkheden, die ontstaan als men uit het empirische materiaal een handelsmatrix samenstelt, welke de gehele wereld omvat, zie H. Woolley, „On the Elaboration of a System of International Transaction Accounts“ inProblems in the International Comparison of Economic Accounts (Studies in Income and Wealth, deel 20 van het National Bureau of Economic Research), Princeton 1957, blz. 217 e.v.Google Scholar
  62. 68.
    Louw, art. cit., blz. 282.Google Scholar
  63. 69.
    R. Hinshaw, „Professor Frisch on Discrimination and Multilateral Trade,“The Review of Economics and Statistics 1948, blz. 271 e.v. Ook Meade,The Balance of Payments, blz. 414, en Louw, art. cit., blz. 280.Google Scholar
  64. 70.
    J. J. Polak, „Balancing International Trade: A Comment on Professor Frisch's Paper,“The American Economic Review 1948, blz. 141.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1964

Authors and Affiliations

  • H. A. J. F. Misset

There are no affiliations available

Personalised recommendations