Advertisement

De Economist

, Volume 109, Issue 5, pp 321–337 | Cite as

De Grenzen Der Toerekening

Enkele gedachten over de rechtvaardige inkomensverdeling
  • C. J. Oort
Article
  • 39 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 3.
    Nadat zij was ontgroeid aan de vrijmoedige vermenging van positieve theorie en normatieve uitspraken, die haar eerste ontwikkelingsfazen heeft gekenmerkt, heeft de economische wetenschap zich angstvallig (zij het niet altijd met succes!) trachten te beperken tot de zuivere theorie en de deductive analyse. Weliswaar is door de „new welfare economics” een poging gedaan om tot ongeclausuleerde uitspraken voor het beleid te komen, doch sindsdien is overtuigend aangetoond dat deze uitspraken niet wezenlijk normvrij zijn en bovendien vrijwel elke practische betekenis missen. Op een grensgebied van het recht en de economie, namelijk het belastingrecht, is echter door wijlen Prof. W. J. de Langen belangrijk en baanbrekend normenonderzoek verricht, waarvan het resultaat is neergelegd in zijn „De Grondbeginselen van het Nederlandse Belastingrecht” (Alphen a/d Rijn 1954).Google Scholar
  2. 4.
    Men zie bijvoorbeeld K. E. Boulding in „Welfare Economics” (Opstel I in „A Survey of Contemporary Economics”, dl II, Philadelphia 1952), waar hij het verdelingsvraagstuk aanduidt als „the area of conflict”.Google Scholar
  3. 5.
    H. Simons, „Economic Policy for a Free Society” (Chicago 1948), blz. 8.Google Scholar
  4. 6.
    In dit verband is interessant, maar voor het oordeel uiteraard niet door-slaggevend, de stelling van Arrow dat er geen „democratische” methode van maatschappelijke besluitvorming bestaat, die aan een aantal door hem gestelde minimum-eisen van interne rationaliteit voldoet. (K. J. Arrow, „Social Choice and Individual Values”, New York 1951).Google Scholar
  5. 9.
    De term „contributief” verdelingsbeginsel is ontleend aan K. E. Boulding „Principles of Economic Policy” (Londen, 1959). In zijn politieke credo spreekt Henry Simons in dit verband echter van de „commutative justice” (op. cit. blz. 4/5), daarbij klaarblijkelijk teruggrijpend op de Aristotelische tweedeling dcr gerechtigheid. Ik acht Boulding's terminologie echter scherper, daar deze een meer directe band legt met de grenswaardeleer en bovendien de historische be-lasting mist van een denkwijze, die zich in economicis nimmer bijzonder heeft onderscheiden (getuige b.v. de innerlijke tegenstrijdigheid, gelegen in de aanvaarding van het eigendomsrecht en de gelijktijdige verwerping van de kapitaalrente!). Wellicht ten overvloede zij er in dit verband op gewezen, dat het hier gesuggereerde onderscheid tussen rechtvaardige prijzen (commutatieve, c.q. contributieve gerechtigheid) en een rechtvaardige verdeling van het eigendomsrecht in de productiefactoren (distributieve gerechtigheid) geen wezenlijke betekenis heeft. Men zie op dit punt P. A. Samuelson, „Social Indifference Curves”, Quarterly Journal of Economics 1956, blz. 1–22.Google Scholar
  6. 10.
    Een zeer stimulerende verhandeling over de ontwikkeling van de gelijkheidsgedachte in het recht acht ik de dissertatie van R. Briner, „Zur Funktion der Gleichheit in der menschlichen Gerechtigkeit” (Z ürcher Beiträge zur Rechtswissenschaft, Neue Folge Heft 158, Aarau 1949).Google Scholar
  7. 11.
    G. B. Shaw, „Man and Superman - the Revolutionist's Handbook”, Penguin uitgave blz. 284.Google Scholar
  8. 12.
    Zoals door vele schrijvers is opgemerkt, neemt het gelijkheidsbeginsel in de practijk dan ook steeds de vorm aan van een gelijkstellen, het bewust negeren van bepaalde verschillen, die voor het oordeel irrelevant worden geacht. Ook is wel betoogd, dat de gelijkheid voornamelijk betekenis zou hebben als presumptie (vide bijvoorbeeld R. Briner, op. cit. blz. 32/33). Ik vraag mij echter af, of dit laatste in economicis een zinvolle gedachte is, daar met name bij de verdeling nòch de eenheid a priori vaststaat - het individu, het meerderjarig individu, het gezin, etc.? - noch ook de handeling waarop de presumptie betrekking heeft. Is er een presumptie voor een gelijke inkomensverdeling, of voor een gelijke verdeling van het materieel bezit, of voor gelijke kansen, gegeven ieders inbreng?Google Scholar
  9. 13.
    G. E. Langemeijer, „Ons oordeel over wat recht moet zijn”, inaugurale oratie te Leiden (Zwolle, 1946), blz. 6. Men zie ook W. J. de Langen, op. cit. blz. 641, 704.Google Scholar
  10. 14.
    H. R. Hoetink, „De idee der menselijke gelijkheid”, Rekenschap 1955, blz. 159.Google Scholar
  11. 15.
    Cf. Thomas Hobbes, „De Corpore Politico”, Hoofdstuk I; John Locke, “Second Treatise of Government”, Hoofdstuk II, par. 4.Google Scholar
  12. 16.
    John Locke, „Some Thoughts concerning Education”. Dit thema wordt later uitgewerkt en in sterke mate beklemtoond door Helvetius, die onomwonden verklaart dat „l'inégalité des esprits est l'effet d'unc cause connue, et cette rause est la différence de l'éducation” („De l'Homme”).Google Scholar
  13. 17.
    Schumpeter's opvatting, als zou historisch con scherp onderscheid kunnen worden gemaakt tussen de gelijkheidsnorm van de scholastiek en deanalytische relijkheid van het natuurrecht, lijkt mij dan ook minder juist. De overgan tussen deze denkwijzen is geleidelijk en men vindt de theorie der inherente gelijkheid eerst veel later, bijv. bij William Godwin (in zijn „Enquiry concorning political justice and its influence on morals and happiness”) als zuivere hypothese zonder normatieve bijmenging. Cf. J. A. Schumpeter, „History of Economic Analysis” (New York 1954), blz. 121 e.v.Google Scholar
  14. 19.
    Deze stelling berust op een twcetal empirische peilers. De eerste en dc oudste is de bekende St. Petersburg paradox van David Bernouilli: niemand is bereid meer dan een beperkt bedrag te betalen voor het Petersburgse spel, hoewel de mathematische waarde daarvan oneindig is. (Voor een bespreking en literatuurverwijzing zie men R. A. Musgrave, „The Theory of Public Finance”, blz. 100 noot 1). Het tweede argument is ontleend aan de overweging, dat het grensnut van ieder goed afzonderlijk moet dalen, daar de consument zijn inkomen anders volledig aan één goed zou besteden, hetgeen in strijd is met de werkelijkheid; daalt nu het grensnut van ieder goed, dan moet ook het grensnut van het inkomen dalen. J. R. Hicks heeft echter bewczen dat de hypothese van het dalende grensnut niet nodig is ter verklaring van het marktgedrag van de consument; hij vervangt daartoe de eerste wet van Gossen door zijn „diminishing marginal rate of substitution” („Value and Capital”, Oxford 1939) Vervolgens hebben M. Friedman en L. J. Savage de feitelijke onhoudbaarheid pogen aan te tonen van de hypothese dat het grensnut van het inkomen monotoon zou dalen. („The Utility Analysis of Choices involving Risk”, The Journal of Political Economy, augustus 1948, blz. 279–304). Hun theoretische betoog, noch ook de pogingen die later door de speltheoretici zijn gedaan om de betrokken eigenschappen van de nutsfunctie van het inkomen experimenteel te bepalen, zijn echter geheel overtuigend. Ik ben dan ook mèt Galbraith geneigd de a prioristische, doch intuitief aannemelijke redenering van de klassieke theorie op dit punt te aanvaarden. (Cf. J. K. Galbraith, „The Affluent Society”, Londen 1958, blz. 112 e.v.).Google Scholar
  15. 20.
    Het „greatest happiness principle” speelt nog steeds een belangrijke rol, vooral in de theorie van de openbare financiën, waar het tot uitdrukking komt in het „minimum offerbeginsel”. Men zie bijvoorbeeld A. C. Pigou, „A Study in Public Finance” (ook de laatste drukken!). Een bespreking vindt men in R. A. Musgrave, op. cit. en C. Goedhart, „Hoofdlijnen van de leer der openbare financiën” (Leiden, 1958).Google Scholar
  16. 21.
    Doelmatigheidsargumenten kunnen bovendien een tweesnijdend zwaard zijn. In een depressie kan immers een gelijkmatiger verdeling van het inkomen de consumptie bevorderen en dus een gunstig effect sorteren. Schumpeter zegt in dit verband dat „Keynes rendered a decisive service to equalitarianism on an all-important point” (J. A. Schumpeter, op. cit. blz. 1171).Google Scholar
  17. 22.
    Men zie in dit verband de sarcastische uitlating van Samuelson: „Except for a few utilitarians, drunk on poorly understood post-Newtonian mathematical moonshine, I can find in the ethical writings of recorded cultures scarcely any importance attached to the special social welfare function of additive cardinal utility” („A Survey of Contemporary Economics”, dl II, blz. 38). Lerner heeft echter getracht van de nood een deugd te maken door uit de onkenbaarheid en onmeetbaarheid van de individuele behoeftebevrediging, in samenhang met de hypothese van het verminderend grensnut, af te leiden dat dewaarschijnlijkheid van een zo groot mogelijke som der individuele welvaartsniveaux het hoogst is bij een gelijkmatige inkomensverdeling. (A. P. Lerner, „The Economics of Control”, blz. 29 e.v.). Dit is de theorie van het maatschappelijk nutsmaximum ad absurdum.Google Scholar
  18. 23.
    Men heeft bovendien als bezwaar tegen de inkomensnivellering aangevoerd dat de overgang naar een lager inkomensniveau onevenredig pijnlijk kan zijn. Dit is echter een korte-termijnargument dat B. de Jouvenel - hoewel bepaald geen voorstander van de egalitaire beginselen! - te recht niet doorslaggevend acht als critiek op cen nivelleringspolitiek op langere termijn. („The Ethics of Redistribution”, Cambridge 1951, blz. 33–36). De Jouvenel verwerpt de inkomensnivellering dan ook vooral op grond van de culturele functie der hogere inkomens. Men zie op dit punt ook J. Pen, „Welvaart en Verdeling” (preadvies, Vereniging voor de Staathuishoudkunde, 1956), blz. 66–73. Deze overwegingen lijken mij echter cerder een argument te vormen voor subsidiëring van sociaal en/of cultureel nuttige consumptie dan voor inkomensongelijkheid als zodanig. Dit laatste staat - te recht - altijd bloot aan de critiek dat het tot kastevorming leidt (cf. bijvoorbeeld R. H. Tawney, „Equality”, Londen 1952).Google Scholar
  19. 24.
    Cf. bijvoorbeeld J. Tinbergen, „Welfare Economics and Income Distribution”, American Economic Review 1957 (suppl.), blz. 499 e.v.Google Scholar
  20. 25.
    Het offerbeginsel wordt als verdelingsnorm op de voorgrond geplaatst in de verdelingsstudie van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, „Wenkend Perspektief” (Amsterdam, 1957). Men zie de diepgaande critiek hierop van J. W. de Pous in „Een aanvaardbare inkomensverdeling” (Hoofdstuk 10 in „De verantwoordelijke maatschappij”, uitgave van het Verbond van Protestants-christelijke Werkgevers in Nederland, Franeker 1958).Google Scholar
  21. 26.
    J. Tinbergen, „Redelijke inkomensverdeling” (Haarlem, 1946). De redelijke inkomensverdeling wordt door Tinbergen gezien als een synthese van het rechtvaardigheidsbeginsel, uitgewerkt in het ruilprincipe, en het doelmatigheids-beginsel. De eisen van economische doelmatigheid heb ik in het voorgaande evenwel steeds buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot de reciprociteitsgedachte zie men R. Briner, op. cit. blz. 25 e.v., blz. 211 e.v.Google Scholar
  22. 27.
    Enkele bezwaren zijn naar voren gebracht in het reeds gecitecrde preadvics van J. Pen, waar hij betoogt dat het ruilprincipe niet tot een gedetermineerde oplossing van het verdelingsvraagstuk behoeft te leiden (op. cit. blz. 14). Het railprincipe vereist bovendien, zoals Pen te recht opmerkt, „een redelijke inleving in elkaars positie”. Dit lijkt niet onmogelijk ten aanzien van attributen van een ander die men in feite zelf zou kunnen verwerven, zoals maatschappelijke positie, materiële welstand, opvoeding en zelfs invaliditeit. Zeer problematisch acht ik het echter met betrekking tot eigenschappen, die onverbrekelijk zijn verbonden met de persoon: intelligentie, ijver, persoonlijke voorkeur, eerlijkheid, etc. Wat dcze laatste factoren betreft faalt de objectivering, die het ruilbeginsel tot stand wil brengen. Waar de ruil niet mogelijk is, ontbreekt bovendien de sanctie tegen majoreren en simuleren, zodat het beginsel hier bezwaarlijk in toepassing kan worden gebracht. (Cf. De Pous, op cit. blz. 32). Het is echter de vraag of het niet juist dèze factoren zijn, die volgens de heersende opvattingbuiten de werkingssfeer van het ruilbeginsel zouden moeten blijven. Het is verleidelijk ons ethisch besef ten dezen het verwijt te maken „technisch” bepaald te zijn, namelijk bepaald door de feitelijke onmogelijkheid deze factoren over te dragen en/of objectief te meten.Google Scholar
  23. 28.
    R. Kranenburg, „Positief Recht en Rechtsbewustzijn; Inlciding in de rechtsphilosophie” (Groningen, 1928), blz. 130.Google Scholar
  24. 29.
    G. E. Langemeijer, op. cit. blz. 17/18.Google Scholar
  25. 30.
    Men zie bijvoorbeeld D. Thomson, „Equality” (Cambridge, 1949).Google Scholar
  26. 31.
    Cf. noot 27.Google Scholar
  27. 32.
    Eenzelfde gedachtengang meen ik te vinden bij J. F. Glastra van Loon, „Recht en menselijke natuur” (Haarlem, 1959).Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1961

Authors and Affiliations

  • C. J. Oort

There are no affiliations available

Personalised recommendations