Advertisement

De Economist

, Volume 114, Issue 1, pp 24–42 | Cite as

MOonetaire filosofie en folklore

  • J. J. Klant
Article
  • 12 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1.
    Tegoeden op spaarrekeningen bij handelsbanken heb ik niet tot de liquiditeiten gerekend, in afwijking van het tot dusver in stand gehouden gebruik in de jaarverslagen van de Nederlandsche Bank, maar niet in tegenspraak met wat haar President in 1963 schreef. Dr. Holtrop definieerde toen secundaire liquiditeiten als „short-term claims (...) on the banking system and on the governmentwhich are used by the business community as a liquidity reserve” (Monetary Policy in an Open Economy, Princeton N. J. 1963, p. 22; mijn cursivering). Uit zijn opmerkingen over „near-banks” blijkt bovendien dat hij een omloopsnelheid die groter is dan de eenheid, beschouwde als een kenmerk van tegoeden met monetaire betekenis (p. 40–41). Spaargelden bij handelsbanken zijn tegoeden van particulieren en hun omloopsnelheid was in 1964 0,78. Inmiddels meent de Nederlandsche Bank echter een nog beter middel te hebben gevonden om „eigenlijk” van „oneigenlijk” te scheiden in: E=0.5 (2.5−v) S, indien v≥0.5, E=„eigenlijke” spaargelden (nietliquiditeiten), S=spaartegoeden en v=omloopsnelheid (Jaarverslag Ned. Bank, 1964, p. 79 en p. 133–134). Wie dit laatste snufje op het gebied der monetaire analyse wenst toe te passen, mag zeggen dat de binnenlandse liquiditeitenmassa met f. 12,3 miljard is toegenomen. Wie echter, ook na zoveel bezinning aan gezaghebbende zijde, aan oude. gebruiken de voorkeur geeft, moet het bedrag van de aanwas verhogen tot f. 14,0 miljardGoogle Scholar
  2. 3.
    De liquiditeitsquote daalde van 53% in 1953 tot 42% in 1964 (excl. spaargelden: 39%).Google Scholar
  3. 4.
    Jaarverslag N.B. 1962, p. 19.Google Scholar
  4. 5.
    Ibidem, p. 20. Mijn cursivering.Google Scholar
  5. 8.
  6. 7.
    1963 is een overgangsjaar. Volgens de analyse van de oorzaken van de veranderingen der liquiditeitenmassa bedroeg de binnenlandse liquiditeitscreatie f. 1080 miljoen (excl. spaargelden f. 830 miljoen). Het deel van de theoretische liquiditeitsbehoefte dat verondersteld wordt door de reële aanwas van het nationale inkomen te zijn veroorzaakt, bedroeg f. 900 miljoen. Aangezien de Nederlandsche Bank spreekt van „in beginsel” en „ruim 40%” mag worden aangenomen dat daarmee juist aan haar norm was voldaan. In overeenstemming hiermee is ook dat de kredietrestrictie, die medio 1961 begon, in het begin van 1963 werd opgeschort. De regeling werd in augustus 1963 weer van toepassing verklaard, maar het duurde tot ultimo november vóór de kredietverlening van de gezamenlijke handelsbanken en boerenleenbanken het plafond had bereikt.Google Scholar
  7. 8.
    Vgl.Centraal Plan 1964, p. 76.Google Scholar
  8. 9.
    Ibidem, p. 21.Google Scholar
  9. 10.
    Ibidem, p. 29.Google Scholar
  10. 11.
    C. Goedhart, „De instrumenten van de economie orientée”,Maandschrift Economie, nov. 1954, p. 53. Zie ook van hem: „Monetair evenwicht in een dynamische volkshuishuishouding”, De Economist, mrt /april 1955, p. 312.Google Scholar
  11. 12.
    G. A. Kessler,Monetair evenwicht en betalingsbalansevenwicht, Leiden 1958, p. 141 n.Google Scholar
  12. 13.
    Goedhart,De Economist, 1955, p. 310.Google Scholar
  13. 14.
    „The major reason for not expecting much from monetary weapons is that they do not work quickly” (R. S. Sayers,Modern Banking, 1960, Se dr., p. 155). Is niettemin in 1964 al het evenwichtsherstel in Nederland mede tot stand gebracht door de liquiditeitsverkrapping? In het Jaarverslag over 1964 van de Nederlandsche Bank wordt op pag. 70 en 71 een ontwikkeling geschetst die, aldus het verslag, „doet uitkomen, dat de door het monetaire beleid teweeggebrachte liquiditeitsverkrapping stellig tot herstel van het externe evenwicht heeft bijgedragen.” Het verslag erkent dat dit ten dele berustte op door de gestegen rente gestimuleerde kapitaalinvoer,maar het neemt toch aan dat ook een bijdrage tot vermindering van de binnenlandse conjuncturele spanningen van beperkte omvang werd geleverd. Het is echter opvallend dat de schets geen enkele mededeling bevat omtrent bestedingsbeperkingen die als gevolg van liquiditeitsverkrapping zouden zijn opgetreden. De stelligheid van de uitspraak lijkt mij dan ook meer te zijn gebaseerd op een filosofische overtuiging dan op pogingen tot empirisch onderzoek.Google Scholar
  14. 16.
    Kessler, ibidem, p. 413.Google Scholar
  15. 18.
    J. Tobin, „Money, Capital and Other Stores of Value”, American Economic Review, May 1961, p. 30.Google Scholar
  16. 19.
    Jaarverslag Ned. Bank, 1961, p. 15.Google Scholar
  17. 20.
    Jaarverslag Ned. Bank, 1964, p. 73.Google Scholar
  18. 21.
    Ibidem, p. 70.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1966

Authors and Affiliations

  • J. J. Klant

There are no affiliations available

Personalised recommendations