De Economist

, Volume 14, Issue 1, pp 107–138 | Cite as

Een blik op de Economische ontwikkeling van ons vaderland in de XVIIe en XVIIIe eeuw

Article
  • 17 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. (*).
    De juistheid der bovenaangehaalde woorden van v. Rees (Verhand. over de la Court, bl. 88) trekt Laspeyres in zijneMittheilungen aus de la Court's Schriften (Zeitschrift f. d. Staatswissenschaft. 1862 XVIII s. 368) in twijfel. Hetgeen hij echter aanvoert om de la Court van Mercantilisme vrij te pleiten schijnt veeleer de uitspraak van v. Rees te bevestigen.Google Scholar
  2. (*).
    Uit de verordeningen door de stedelijke magistraten op het stuk der kermissen vastgesteld, blijkt onder anderen hoe men, door beperking op beperking te stapelen, de belangen der Gilden met die der kermisbezoekers en der „goê gemeent” poogde te vereenigen. Zoo was het b. v. te Utrecht, om den bloei der jaarmarkt te bevorderen, aan de ingezetenen verboden, kort voor den aanvang der kermis hunne waren elders te koopen. Om echter de Gilden en de winkeliers in de stad niet te zeer te benadeelen, werd de duur der kermis tot 14 dagen beperkt. (1663, 1689). In het belang der bakkers en slijters werd zelfs het koekventen (1680) en het verkoopen van drank op straat (1645, 1688) verboden. De invloed van den Kerkeraad wist ook van het stadsbestuur een verbod tot toelating van wafelmeiden op de kermis te verkrijgen (1649, 1655). Of aan de uitvoering van laatstgemeld verbod duurzaam de hand is gehouden, wordt door sommige schrijvers met grond betwijfeld (v. d. Monde. Tijdschrift voor de Gesch. v. Utrecht. 1836. II bl. 233 v. v.).Google Scholar
  3. (*).
    Merkwaardig zijn de volgende woorden uit zijne Verhandeling: „Alle die „genen, die door de Overigheid tot het burgerregt toegelaten worden, behoorden „ook datgene te mogen oefenen, daar hunne kundigheden bekwaam toe zijn; „want die geen goed werk kan maken, noch de middelen weet om zoo goed-„koop als anderen te verkoopen, vervalt van zelfs en kan niet bestaan.” Verhandelingen van 't Utrechtsch Genootschap. 1781. I. bl. 173.Google Scholar
  4. (†).
    Staatsregeling van 1798 art. 53.Google Scholar
  5. (*).
    Vissering. Herinneringen 1863, II. bl. 1.Google Scholar
  6. (†).
    Luzac I. Bijl. bl. 10.Google Scholar
  7. (§).
    DeDeductie is met hetAntwoord van Zeeland te vinden in deBijdragen tot de Staathuishoudkunde van Mr. G. Wttewaall 1843, bl. 120–144, 263–288.Google Scholar
  8. (*).
    Mr. D....De belastingen, geldmiddelen enz. tijdens de Republick. Amst, 1837, bl. 74.Google Scholar
  9. (*).
    De Propositie wacht nog op een grondige en volledige bearbeiding. De bouwstoffen duartoe zijn voorhanden op 't Rijks-archief. ZIe Bakhuizen v. d. Brink,Overzigt v. h. Nederlandsch Rijks-archief, 1854, bl. 135. Een afdruk der Propoitie is onder anderen te vinden in hetTijdschrift vanSloet, 1842, I. bl. 57–110.Google Scholar
  10. (*).
    Het verdient opmerking, dat men reeds en de vorige eeuw telkens wanneer de regeling der groote maatschappelijke belangen aan de orde was, het gemis gevoelde van bruikbare statistische gegevens. In 't Rapport der Staten van Holland over de Propositie wordt als „nuttig en efficacieus middel” om de toepassing en werking der tariefwetgeving na te gaan, het geregeld bijhouden eenerStatistiek van Handel en Scheepvaart aanbevolen. Ook vindt men er wenken aangaande de wijze, waarop de verkregen gegevens moeten geordend en verzameld worden. Het nit de gegevens zamen te stellen Register „soude dienen tot een precise en „waarachtige staat van de Commercie deeser Republic,”Luzac IV, Bijlagen, bl. 30 v. v. Jammer dat het voorstel tot invoering dezer statistiek hetzelfde lot had als de Propositie.Google Scholar
  11. (*).
    Nederlandsche Jaarboeken 1752, II, bl. 1223–1261.Google Scholar
  12. (*).
    Advies van 28 April 1752. Ned. Jaarb. II bl. 1002–1026. Het door de Admiraliteit ontworpen concept-placaat op den ophef der Convoijen en Licenten (bl. 1026–1118) heeft niet minder dan 284 artikelen; het concept-tarief vult 43 bladzijden der Jaarboeken.Google Scholar
  13. (†).
    Luzac IV. Bijlagen, bl. 39, 40.Google Scholar
  14. (*).
    Iets over den laatsten Engelschen oorlog, 1794, bl. 330.Google Scholar
  15. (*).
    Luzac IV, bl. 61.Google Scholar
  16. (†).
    Berg.De Réfugié's, bl. 223 v. v.Google Scholar
  17. (*).
    Mr. D..... bl. 41 v.Google Scholar
  18. (†).
    Luzac, IV, bl. 388,Google Scholar
  19. (*).
    Traité de la circulation et du crédit. 1773.Google Scholar
  20. (†).
    Mr. G. A. Fokker. Geschiedenis der loterijcn in Nederland. Amst. 1862 paesim en vooral b. 2, 4, 121, 126, 129, 137, 141, 145, 147.Google Scholar
  21. (*).
    Macaulay. History. Tauchn., VII p. 300. De oudste bekende loterij in Engeland is van 1569; de opbrengst strekte tot voorziening in de kustverdediging. In 1826 werd aldaar de Staatsloterij afgeschaft.Google Scholar
  22. (*).
    Zie over deze beschamende bladzijde onzer geschiedenis: Vissering, Herinneringen, 1863, I. bl. 123–180, „Het groote tafereel der dwaasheid.”Google Scholar

Copyright information

© J. H. Gebhard & Comp. 1864

Personalised recommendations