Advertisement

De Economist

, Volume 14, Issue 1, pp 1–34 | Cite as

Een blik op de Economische ontwikkeling van ons vaderland in de XVII en XVIII eeuw

Article
  • 20 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. (*).
    Kautz. die Geschichtliche Entwicklung der National-Oekonomik und ihrer Literatur. Wien 1860 s. 726.Google Scholar
  2. (†).
    Aankondiging van 't werk van Kautz in den Letterbode 1860 no 42.Google Scholar
  3. (§).
    De schoone bladzijden daarover in:De Refugiés in de Nederlanden, Amsterdam 1845, van Jhr. Mr. W. E. J. Berg betreffen slechts een kort tijdperk onzer geschiedenis.Google Scholar
  4. (*).
    W. Roscher. Zur Geschichte der Englischen Volkswirthschaftslehre im sechzehnten und siebzchnten Jahrhundert, Leipzig 1851 Nachträge 1852.Google Scholar
  5. (*).
    Art. 34 van 't Octrooi. Een afdruk van 't Octrooi naar 't oorspronkelijke stuk wordt gevonden in: „De stichting der Vereenigde O.-I. Compagnie” van Mr. J. A. v. d. Chys. Leiden 1856 bl. 98–115. Ook vindt men het, ofschoon minder naauwkeurig, uitgegeven in Luzae, Hollands Rijkdom, I Bijlagen bl. 116 v. v.Google Scholar
  6. (*).
    v. d. Chys, bl. 79.Google Scholar
  7. (*).
    Zie 't Octrooi in Luzac. I Bijlagen, bl. 128–144.Google Scholar
  8. (*).
    De Staten der Provincien waren door de Staten-Generaal bij Resolutie van 29 Sept. 1621 aangeschreven „om met courageuse en liberale teekening de inge-„setenen voor te gaan en goed exempel te geven, alsmede alle devoiren aen te „wenden by magistraten ende goede ingesetenen, dat sy als goede patriotten ende „liefhebbers van de behoudenisse, dienst ende nut van ons lieve vaderlant dezen-„aengaende hare genegeutheyt bethonen.” Een merkwaardig voorbeeld hoe ver men in die dagen de „devoiren” meende te kunnen uitstrekken, wordt in het tweede der merkwaardige opstellen van Mr. W. E. J. Berg overonze Kolonisatie in Amerika, (Gids 1849, I bl. 713) medegedeeld. Door de Staten vau Utrecht werd namelijk goedgevonden en verstaan (21 Febr. 1622), „dat de respective Capittelen ende vijf „Collegien binnen der stadt Utrecht teyckenen ende furneren sullen een capitaal „van veertich duysent ponden Vlaems.” Daar de Kapittelheeren weinig haast maakten op deze wijze hunne „genegentheyt voor 't lieve vaderlant te bethonen” werden zij weldra door de Staten met eene geregtelijke insinuatie verrast, „om „promtelycke resolutie in conformité van de hun toegesonden resolutie van 21 „February.” De insinuatie werd met een remonstrantic beantwoord, maar had toch ten slotte ten gevolge, dat de Kapittelen besloten „de petitie der Staten te ge-„dogen, doch niet dan onder protestatie van sulcks te moeten doen.” Bij 't lezen van 't antwoord der Staten waarbij zij de Ecclesien „voor haere goede genegentheyt „ende guust bedancken,” kan men 't vermoeden van ironie moeilijk van zich weren. Deze willekeurige handelwijze der Staten van Utrecht vindt eenigzins hare verontschuldiging in de omstandigheid, dat de rijke Kapittelgoederen op onregtmatige wijze werden bezeten. De inkomsten der vijf Collegiale Kerken van Utrecht waren oorspronkelijk tot geestelijke doelcinden bestemd. Naar de heerschende regtsbegrippen, en in verband met het staatkundig karakter der Reformatie, moesten deze goederen bij de Hervorming aan den Staat of althans aan de Gereformeerde Kerk vervallen. Dit is echter niet geschied; de Utrechtsche aristocratie, wier leden de voordeelige posten van Proosten, Dom- en Kapittelheeren bezaten, wist het te verhiuderen zij had wel het nieuwe geloof aangenomen, maar wilde tevens de voordeelen van 't oude behouden. De Roomsch Katholieke posten van Domen Kapittelheer werden sedert meestal door personen van de Gereformeerde religie bekleed. De aard der betrekkingen was daardoor geheel veranderd, hareraison d'étre had totaal opgehonden, het warensinecures geworden, die aan de titularissen de middelen verschaften „pour vivre noblement.” Dit misbruik, dit wederregtelijk genot van lands- of Kerkelijk eigeudom door volstrekt onbevoegdeu heeft ruim twee eeuwen geduurd. Het Keizerlijk decreet van 27 Febr. 1811 maakte eerst een einde aan dien toestand en vereenigde de eigendommen der Kapittelen met de domeinen van den Staat. Moet het dus bevreemden, dat de „Staten 's lands van Utrecht” in 1622 watcavalièrement met de Kapittelen te werk gingen?Google Scholar
  9. (*).
    Hollands Rijkdom I bl. 328.Google Scholar
  10. (†).
    Luzac I bl. 328.Google Scholar
  11. (*).
    Mr. O. van Rees. Geschiedenis der Nederlandsche Volkplantingen in Noord-Amerika. Tiel. 1855.Google Scholar
  12. (*).
    Dit Amsterdamsche kolonisatie-plan getuigt voor de juistheid der opmerking van Adam Smith: „To found a great empire for the sole purpose of raising up a „people of customers, — is a project altogether unfit for a nation of shopkeepers; „but extremely fit for a nation whose government is influenced by shopkeepers.” (Wealth of Nations, ed. Mc. Culloch 1849 p. 276 b.)Google Scholar
  13. (*).
    Luzac II, bl. 135.Google Scholar
  14. (*).
    Prijsverhandeling over Hogendorp. Utrecht. 1854. Bl. 105.Google Scholar
  15. (†).
    Luzac. IV. Bl. 176.Google Scholar
  16. (§).
    Luzac. IV. Bl. 184.Google Scholar
  17. (*).
    R. Fruin. Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog. Eerste uitgave bl. 115 vvGoogle Scholar
  18. (†).
    Sententie van den Grooten Raad van Mechelen, (Luzac I. Bijlagen bl. 9)Google Scholar
  19. (*).
    Joubleau, Etudes sur Colbert, Paris, 1856 I p. 388.Google Scholar
  20. (†).
    Berg. De Refugiés, bl. 139.Google Scholar
  21. (*).
    Het laatste overblijfsel van deze protectie door regtstreeksche bevordering van het verbruik is bij Kon. besluit (Staatsblad 1862 no 138) door den Minister Betz opgeruimd. Zie ook Vissering,Handboek van Practische Staathuishoudkunds I bl. 69 en volgg.Google Scholar
  22. (†).
    IV bl. 388.Google Scholar
  23. (*).
    Mr. O. van Rees.Verhandeling over P. de la Court. Utr. 185, bl. 160.Google Scholar

Copyright information

© J. H. Gebhard & Comp. 1864

Personalised recommendations