Tijdschrift Over Plantenziekten

, Volume 68, Issue 4, pp 219–230 | Cite as

The influence of light upon blueing of tulip bulbs, a disease of a physiological nature

Met een samenvatting: Invloed van het licht op het blauwgroeien van tulpebollen

  • G. A. Kamerbeek
Hoofdartikelen

Summary

The blueing of tulip bulbs is a physiological disease resembling in some ways physiological diseases of other plants. Recent experiments indicate that sunlight influences blueing. By shading the plants the extent of the disease was considerably reduced or even eliminated. The influence of light was found to apply only during a certain period of the season, the most susceptible period being in the last week of April and the first two weeks of May.

A hypothesis has been developed concerning the origin of the necrotic spots in the bulb, which may also hold good for toppling of tulips. It is assumed that cell sap, possibly together with sugars, are excreted from the cell into the intercellular spaces of the parenchymatous tissue, thus bringing about a necrosis.

Samevatting

Het blauwgroeien van tulpebollen is een fysiologische ziekte, die in bepaalde opzichten overeenkomst vertoont met fysiologische ziekten bij andere gewassen.

Nadat vroeger werd aangetoond, dat er een duidelijke correlatie bestaat tussen de bolgrootte en het percentage zieke bollen en dat de groei van de bol waarschijnlijk verband houdt met de ziekte (fig. 4), is door recente veldproeven duidelijk geworden dat het zonlicht of de straling een grote invloed op het blauwgroeien heeft. De verspreiding van de zieke bollen in de bedden op het veld is niet willekeurig. Er is een duidelijk randeffect waar te nemen, d.w.z. dat de bollen in de regels aan de padkant verhoudingsgewijs een groter aantal zieke bollen hebben dan de bollen in de regels midden in de bedden (zie fig. 1–3). Dit randeffect werd in hoofdzaak toegeschreven aan de werking van het zonlicht. Door het gewas te beschaduwen met een scherm van plastic horregaas (lichtabsorptie ongeveer 50%) of van jute doek (lichtabsorptie ongeveer 75%) kon de ziekte sterk worden verminderd of zelfs geheel worden geëlimineerd. Door periodiek te schermen kon in veldproeven een bij uitstek gevoelige periode, wat de lichtinvloed betreft, worden aangetoond. Deze periode viel ongeveer in de laatste week van april en in de eerste twee weken van mei (fig. 3). Het afschermen van het gewas tijdens de gevoelige periode zou met het oop op de ziekte het bruikbare deel van de geoogste bollen aanzienlijk vergroten (fig. 6). Het bolgewicht wordt door deze periodieke afscherming slechts matig ongunstig beïnvloed. Of deze maatregel met het oog op de kosten ook economisch verantwoord is, valt te betwijfelen.

Behalve het feit dat het licht effect zal hebben op de groei en de grootte van de bol en daarmede het ziektepercentage zal beïnvloeden, kon worden aangetoond dat het licht of de straling een zeer specifieke werking op de ziekte heeft (zie fig. 5). Welke werking het zonlicht of de straling heeft, is niet geanalyseerd. In de discussie zijn over het ontstaan van de necrotische plekken inde bol suggesties gedaan, die echter bij gebrek aan nadere gegevens een speculatief karakter dragen. Als basis voor verder onderzoek wordt aangenomen, dat analoog aan wat zich bij het kiepen van tulpen voordoet, een excretie van vloeistof celinhoud) in de intercellulaire ruimten van het parenchymweefsel plaats heeft, die een necrose zou veroorzaken.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. Frey-Wyssling, A., — 1939. Beobachtungen über die Guttationstätigkeit aus natürlichen Standort. Ber. schw. bot. Ges. 49: 127–133.Google Scholar
  2. Frey-Wyssling, A. — 1941. Die Guttation als allgemeine Erscheinung. Ber. schw. bot. Ges. 51: 321–325.Google Scholar
  3. Gessner, F., — 1956. Der Wasserhaushalt der Hydrophyten und Helophyten. Encyclopedia Plant Physiology III: 878.Google Scholar
  4. Kamerbeek G. A., — 1958. Het blauwgroeien van tulpebollen. T. Pl.-ziekten 64: 463–469.Google Scholar
  5. Kamerbeek, G. A. & L. Algera, — In the press. The topple disease in tulips. T. Pl.-ziekten.Google Scholar
  6. Kraaijenga, D. A., — 1960. Groeimetingen bij de tulpebol. Meded. Landbouwhogesch. Wageningen 60: 1–53.Google Scholar
  7. Paauw F van der, — 1935. The entrance of water into cut leafy shoots under conditions which prevent transpiration. Rec. trav. bot. Néerl. 32: 293–310.Google Scholar
  8. Paauw, F. van der, — 1950. Cause of the absorption of water by submerged shoots. Nature 166: 231.Google Scholar
  9. Inkhof, M., — 1929. Untersuchungen über die Umfallkrankheit der Tulpen. Rec. Trav. bot. néerl. 26: 135–288.Google Scholar
  10. Robbins, W. R., — 1937. Relation of nutrient salt concentration to growth of the tomato and to the incidence of blossom-end rot of the fruit. Plant Physiology 12: 21–50.Google Scholar
  11. Sen, P. K. &V. H. Blackman, — 1933. On the conditions leading to the injection with water of leaves sumberged in water. Ann. Bot. 47: 663–671.Google Scholar
  12. Shual, R. W., — 1952. Some factors affecting nectar secretion in red clover. Plant Physiology 27: 95–110.Google Scholar
  13. Wassink, E. C. &C. v. d. Scheer, — 1951. A spherical radiation meter. Meded. Landbouwhogesch. Wageningen 51: 175–183.Google Scholar
  14. Wykes, G. R., — 1952. The influence of variations of the supply of carbohydrate on the process of nectar secretion. New Phytologist 51: 294–300.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1962

Authors and Affiliations

  • G. A. Kamerbeek
    • 1
  1. 1.Laboratorium voor BloembollenonderzoekLisse

Personalised recommendations