Advertisement

Euphytica

, Volume 3, Issue 1, pp 1–18 | Cite as

Notes on the history of bulb breeding in the Netherlands

  • J. Doorenbos
Article

Summary

In the early days of bulb breeding, plants were selected for their beauty-rarely “a joy for ever”, since fashion changed and new varieties supplanted their ancestors. Beauty has remained the first requirement to the present day. However, physiological characters such as easy propagation, good growth, and suitability for early forcing, are almost as important at present. The merits of a plant for garden decoration take third place.

The number of varieties that can meet these requirements is very small; but since the demand is for the best in great quantities, this small group accounts for the greater proportion of all bulbs grown, as demonstrated by the statistical data. It will be very difficult to surpass these varieties, or even to make additions to this group.

In hyacinths and daffodils it is even more difficult to develop breeding schemes, as the leading varieties are mostly heteroploids and polyploids, respectively. Here a breeder's intuition is needed above all things to bring us better varieties.

Keywords

Statistical Data Great Proportion Good Growth Breeding Scheme Good Variety 
These keywords were added by machine and not by the authors. This process is experimental and the keywords may be updated as the learning algorithm improves.

Samenvatting

Aan de hand van de betrokken literatuur wordt een kort overzicht gegeven van de veredelingsgeschiedenis van drie onze belangrijkste bloembolgewassen: de tulp, de hyacinth en de narcis.

Er wordt opgemerkt, hoe gedurende de drie eeuwen dat deze gewassen worden gekweekt, de heersende smaak en het gebruik dat men van de planten heeft gemaakt veranderingen hebben ondergaan, die hun invloed op de veredelingsdoeleinden niet hebben gemist.

Het overzicht houdt zich verder in hoofdzaak bezig met de herkomst van de rassen, die volgens de registratie van 1951/52 het meest geteeld worden. Hierbij blijkt, dat bij tulpen vele groepen gedomineerd worden door één ras met zijn mutaties. Het meest in het oog lopend is dit bij dubbele vroege tulpen, waar 85% van het areaal in beslag wordt genomen door het ras Murillo en zijn mutaties, doch men kan het ook opmerken bij enkele vroege tulpen, waar een derde van het areaal bezet is met mutanten van White Hawk en Prince of Austria, en bij Darwin tulpen, waar de helft beteelt wordt met Bartigon en William Copland met hun “sports”. Aan het mogelijke belang van de eigenschap van het muteren voor de veredeling wordt een korte beschouwing gewijd.

In tegenstelling met de tulp, komt bij de hyacinth polyploidie veel voor. Hierbij is het merkwaardig, dat behalve di- en triploide rassen ook verschillende heteroploide voorkomen, met een chromosomenaantal, dat het tetraploide wel nadert, maar niet bereikt, althans niet bij de prominente rassen. Over de gevolgen van deze cytologische eigenaardigheden voor de erfelijkheid is nog niets bekend.

Zijn bij tulp en hyacinth de prominente rassen vrijwel alle van Nederlandse origine, bij de narcis hebben ook Engelse veredelaars zeer veel tot de genese van het tegenwoordige sortiment bijgedragen. De Engelse liefhebbers letten echter uitsluitend op de schoonheid van de plant; bij de Nederlandse bloembollencultuur zijn echter andere eigenschappen, met name de forceerbaarheid, eveneens van zeer groot belang. Ook bij dit gewas heeft polyploidie tot opvallende verbeteringen geleid.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1.
    Clusius, Carolus, A treatise on tulips. Translated and annotated by W. van Dijk, Hararlem 1951.Google Scholar
  2. 2.
    Darlington, C. D., Hair, J. B. and Hurcombe, R., The history of the graden hyacinth. Heredity 5 (2), 1951: 233–252.Google Scholar
  3. 3.
    Dix, J. F. Ch., De vooruitgang van het bloembollensortiment gedurende de laatste jaren. Weekbl, voor Bloembollencult. 63 (73/74), 20 Maart 1953: 327–331.Google Scholar
  4. 4.
    Janaki Ammal, E. K. and Wylie, Ann P., Chromosome numbers of cultivated Narcissi. Daffodil and Tulip Yearb. 15, 1949: 33–40.Google Scholar
  5. 5.
    Krelage, E. H., Drie Eeuwen Bloembollenexport. 's-Gravenhage, 1946.Google Scholar
  6. 6.
    List, A classified-of Daffodil Names. Roy. Hort. Soc. London, 1950.Google Scholar
  7. 7.
    List, A classified-of Tulip Names. R.H.S. & Gen. Dutch Bulbgrow. Soc. London and Haarlem. 1953.Google Scholar
  8. 8.
    Upcott, M. and La Cour, L., The genetic structure of Tulipa. I. A chromosome survey. Journ. of Genetics 33, 1936: 237–254.Google Scholar
  9. 9.
    Wellensiek, S. J., A systematical apple breeding project according to modern methods (Dutch, Engl. summ.). Meded. Dir. Tuinb. 12 (8), 1949: 462–469.Google Scholar

Copyright information

© H. Veenman en Zonen 1954

Authors and Affiliations

  • J. Doorenbos
    • 1
  1. 1.Laboratorium voor TuinbouwplantenteeltLandbouwhogeschoolWageningen

Personalised recommendations