Advertisement

Tijdschrift voor Urologie

, Volume 9, Supplement 2, pp 2–24 | Cite as

Abstracts najaarsvergadering NVU, 2 november 2019, Nieuwegein

  • Peter F.A. MuldersEmail author
Abstracts
  • 276 Downloads

Samenvatting

Biochemisch recidiverende prostaatkanker na curatieve radiotherapie is gedefinieerd als een PSA-stijging van ≥ 2 ng/ml boven de PSA nadir (de Phoenix-criteria, 2005). Met de introductie van prostaatspecifiek membraan antigeen (PSMA) PET/CT is de mogelijkheid tot lokalisatie van recidieven van prostaatkanker sterk toegenomen. In deze studie analyseren we de uitkomsten van PSMA PET/CT ter detectie van recidiverende prostaatkanker bij patiënten met een stijgend PSA na radiotherapie, die nog niet voldoen aan de Phoenixcriteria (i.e. een PSA-stijging < 2,0 ng/ml).

1. De Phoenix-criteria voor biochemisch recidiverende prostaatkanker na curatieve radiotherapie lijken obsoleet in het tijdperk van prostaatspecifiek membraanantigeen PET/CT – een oproep tot herevaluatie van de richtlijnen

B.H.E. Jansen, P.J. van Leeuwen, M. Wondergem, T.M. van der Sluis, J.A. Nieuwenhuijzen, R.J.J Knol, R.J.A. van Moorselaar, H.G. van der Poel, D.E. Oprea-Lager en A.N. Vis Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Biochemisch recidiverende prostaatkanker na curatieve radiotherapie is gedefinieerd als een PSA-stijging van ≥ 2 ng/ml boven de PSA nadir (de Phoenix-criteria, 2005). Met de introductie van prostaatspecifiek membraan antigeen (PSMA) PET/CT is de mogelijkheid tot lokalisatie van recidieven van prostaatkanker sterk toegenomen. In deze studie analyseren we de uitkomsten van PSMA PET/CT ter detectie van recidiverende prostaatkanker bij patiënten met een stijgend PSA na radiotherapie, die nog niet voldoen aan de Phoenixcriteria (i.e. een PSA-stijging < 2,0 ng/ml).

Materiaal en methoden

We evalueerden 315 patiënten die gescand werden met PSMA PET/CT na curatieve radiotherapie tussen 2015 en 2018 in drie referentiecentra voor prostaatkanker. PSMA PET-scans werden gemaakt met 68Ga-PSMA (mediaan 96 MBq) en 18F-DCFPyL (278 MBq). Alle scans werden verslagen door ervaren nucleair geneeskundigen (> 300 PSMA PET-scans) en prospectief opgenomen in prostaatkankerdatabases.

Resultaten

Er werden 63 patiënten (20,0% van totaal) gescand voordat aan de Phoenix-criteria voldaan was (huidig PSA 1,3 ng/ml, mediaan). Bij 53 van deze patiënten (84,1%) werden toch PSMA-avide laesies gevonden (tabel 1.1). Een lokaal recidief was het enige focus van ziekte bij 21 patiënten (33,3%), hetgeen mogelijkheid biedt tot salvage prostatectomie. Gemetastaseerd prostaatkanker werd gevonden bij 32 patiënten (50,8%), maar slechts bij 5 patiënten (7,9%) was de ziekte voorbij het oligometastasestadium. De hoogte van de PSA-stijging was niet van invloed op de PET-uitkomsten.
Tabel 1.1

PSMA PET/CT-uitkomsten bij patiënten met een stijgend PSA na curatieve radiotherapie, die nog niet aan de Phoenix-criteria voor biochemische recidiverende prostaatkanker voldoen (i.e. PSA < 2,0 ng/ml boven de nadir)

PSMA PET-uitkomsten

n

% totaal

% van positieve scans

recidief beperkt tot het prostaatbed

21

33,3%

39,6%

recidief beperkt tot regionale lymfeklieren (N1 M0) a

14

22,2%

26,4%

afstandsmetastasen (M1) b

18

28,6%

34,0%

Mla

3

4,8%

5,7%

Mlb

14

22,2%

26,4%

M1c

1

1,6%

1,9%

geen detectie van laesies

10

15,9%

 

a Met of zonder lokaal recidief.

b Met of zonder lokaal recidief en/of regionale lymfekliermetastasen.

Conclusie

PSMA PET/CT detecteert recidiverende prostaatkanker bij een groot deel van de patiënten met een stijgend PSA na radiotherapie, die nog niet aan de Phoenix-criteria voldoen. Deze onverwachte bevindingen zijn een dringend pleidooi om de huidige criteria van biochemisch recidiverende prostaatkanker na curatieve radiotherapie te herevalueren. Vroege detectie van prostaatkankerrecidieven leidt potentieel tot betere patiëntselectie voor salvage en adjuvante therapieën.

2. Prospectieve analyse van detectie en lokalisatie van de lokale tumor met 18F-PSMA PET/CT bij patiënten met primair prostaatcarcinoom: heeft PSMA-geleide biopsie de toekomst? De DETECT-studie

Y.J.L. Bodar, B.H.E. Jansen, P.J. van der Voorn, G.J.C. Zwezerijnen, J.A. Nieuwenhuijzen, N.H. Hendrikse, R.J.A. van Moorselaar, D.E. Oprea-Lager en A.N. Vis Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie VUmc, Amsterdam

Introductie

18F-DCFPyL (18F-PSMA) PET/CT is met succes geïntroduceerd voor de (her)stadiëring van prostaatcarcinoom (PCa). De hoge specificiteit van 18F-PSMA PET/CT kan mogelijk tevens bijdragen aan het lokaliseren van de primaire tumor. In deze studie evalueren we de diagnostische waarde van

18F-PSMA PET/CT om primair PCa te lokaliseren binnen de prostaat, om uiteindelijk de toepassing van PSMA-gerichte biopten te verkennen.

Materiaal en methoden

Twintig patiënten met intermediate tot hoog-risico-PCa werden prospectief geïncludeerd voorafgaand aan radicale prostatectomie (RP). Voor de operatie kregen alle patiënten een 18F-PSMA PET/CT-scan. Twee ervaren nucleair geneeskundigen markeerden de tumorlokalisaties op PET/CT-scan met behulp van een 12-segmenten model van de prostaat (fig. 2.1). Op basis van laesiegrootte en PET-opnamewaarden (SUVmax) werd een (fictief) advies gegeven voor bioptering van twee prostaatsegmenten. Na RP werd hetzelfde segmentenmodel ingevuld door de uropatholoog (referentiestandaard). Klinisch significant PCa (csPCa) werd gedefinieerd als een Gleason-score ≥ 3+4 = 7. Het biopsieadvies op basis van PET/CT werd gecorreleerd aan de pathologie-uitslag. Sensitiviteit, specificiteit, positief voorspellende waarde en negatief voorspellende waarden voor csPCa werden berekend.
Figuur 2.1

Een 65-jarige patiënt met een biopsie-bewezen PCa met Gleaseon 3+4. A schematische tekening van het 12-segmenten model. B 18F-PSMA PET/CT laat intense focale uptake zien mid-glandulair rechts-posterieur met extracapsulaire extensie. Advies voor targeted biopsie in segment 5. C Segment 1 en 5 laten bij PA-analyse een Gleason 3+4 PCa zien, met extracapsulaire extensie (pT3a), hetgeen het biopsieadvies bekrachtigt

Resultaten

Alle patiënten vertoonden lokale PSMA-opname in de prostaat. 110 van de 250 prostaatsegmenten (46%) vertoonden csPCa bij de PA-uitslag. Sensitiviteit, specificiteit, positief voorspellende waarde en negatief voorspellende waarden voor csPCa per segment met behulp van PSMA-PET/CT bedroegen respectievelijk 63%, 95%, 82% en 89%. De segmenten die werden aanbevolen voor biopsie door de nucleair geneeskundige waren bij 19/20 patiënten (95%) positief voor csPCa en hadden de hoogste Gleason-score bij 18/20 (90%) patiënten.

Conclusie

Accurate lokalisatie van csPCA (95%) is mogelijk middels 18F-PSMA PET/CT. Dit kan mogelijke accurate PSMA-gerichte biopten faciliteren.

3. Expressie van lange niet-coderende RNAs (LncRNAs) identificeert een subgroep van luminale spierinvasief blaaskankerpatiënten met een goede prognose

Joep J. de Jong, Yang Liu, A. Gordon Robertson, Roland Seiler, Clarice S. Groeneveld, Michiel S. van der Heijden, Jonathan L. Wright, James Douglas, Marc Dall’Era, Simon J. Crabb, Bas W.G. van Rhijn, Kim E. M. van Kessel, Elai Davicioni, Mauro A.A. Castro, Yair Lotan, Ellen C. Zwarthoff, Peter C. Black, Ewan A. Gibb en Joost L. Boormans Erasmus MC Kanker Instituut, Rotterdam

Introductie

Analoog aan het mammacarcinoom is het urotheelcarcinoom van de blaas (UCB) op basis van ‘messenger’ RNA (mRNA) expressie te verdelen in tumoren van het luminale en basale subtype. Deze subtypes worden gekenmerkt door specifieke biologische en klinisch-pathologische karakteristieken. In de huidige studie onderzochten wij in vier separate cohorten of expressie van lang niet-coderend RNA (lncRNA) van additionele waarde is voor meer gedetailleerde subtypering van het UCB.

Materiaal en methoden

LncRNA-expressie werd gekwantificeerd in een SIBC-cohort dat was behandeld met neoadjuvante chemotherapie (NAC) en radicale cystectomie (RC) (n = 223). LncRNA’s met de hoogste variantie in expressie werden gebruikt voor een niet-gesuperviseerde consensus clusteranalyse waarmee het cohort in vier groepen werd gestratificeerd. Deze groepen werden vervolgens gekarakteriseerd aan de hand van biologische eigenschappen en correlatie met pathologische karakteristieken en overleving. Deze viergroepsindeling werd bevestigd in het SIBC-cohort (n = 405) van The Cancer Genome Atlas. Ook werd een classificatiemodel ontwikkeld, waarna validatie plaatsvond van dit model in twee onafhankelijke SIBC-cohorten (n = 255, n = 94).

Resultaten

In zowel de NAC- als TCGA-cohorten identificeerde de clusteranalyse één groep (cluster 3) patiënten met een zeer goede prognose. Daarbij was dit cluster verrijkt met SIBC van het luminale type. In beide cohorten bleken de luminale SIBC-patiënten uit cluster 3 (LPL-C3) jonger, en was het pathologisch stadium vaker pN0/≤ pT2 ten tijde van de RC. Biologisch werd de LPL-C3-subgroep gekarakteriseerd door genexpressieprofielen die bij een lage tumoragressiviteit passen. In het TCGA-cohort hadden de LPL-C3-tumoren vaker een mutatie in het FGFR3-gen, met minder mutaties in de TP53- en RB1-genen. Het classificatiemodel toonde een robuuste prestatie in twee validatiecohorten.

Conclusie

LncRNA-expressieanalyse identificeert een subgroep van luminale SIBC met een uitzonderlijk goede prognose. Doordat de FGFR3-expressie in deze subpopulatie hoog is, komen deze patiënten in de toekomst mogelijk in aanmerking voor FGFR3-inhibitietherapie.

4. Prospectieve evaluatie van 18F-PSMA PET/CT voor lymfeklierstadiëring bij primair prostaatcarcinoom – de SALT trial

Yves J.L. Bodar, Bernard H.E. Jansen, G.J.C. Zwezerijnen, J.A. Nieuwenhuijzen, M. Wondergem, T.A. Roeleveld, Otto S. Hoekstra, R.J.A. van Moorselaar, D.E. Oprea-Lager en A.N. Vis Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie VUmc, Amsterdam

Introductie

De detectie van lymfekliermetastasen (N1) met conventionele beeldvorming is ontoereikend bij primair prostaatcarcinoom. Prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA) PET/ CT is met succes geïntroduceerd voor de restadiëring van prostaatcarcinoom (PCa). Naast 68Gallium-gelabelde PSMA-tracers zijn er thans ook 18Fluor-gelabelde radiotracers beschikbaar. Deze nieuwe tracers maken detectie van kleinere metastases mogelijk. In deze studie wordt de diagnostische accuratesse van 18F-PSMA PET/CT getoetst voor de initiële stadiëring bij primair PCa.

Materiaal en methoden

Patiënten met primair PCa die in aanmerking kwamen voor robotgeassisteerde radicale prostatectomie (RARP) met uitgebreide pelviene lymfeklierdissectie (ePLKD) werden prospectief geïncludeerd van oktober 2017 tot augustus 2019. Een ≥ 8%-kans op N1 werd gehanteerd als indicatie voor ePLKD (gebaseerd op het Memorial Sloan Kettering Cancer Center Nomogram). Bij elke patiënt werd voorafgaande aan de RARP+ePLKD een 18F-PSMA (18F-DCFPyL) PET/CT (mediane dosering 313 MBq) vervaardigd.

Resultaten

In totaal werden 86 patiënten geïncludeerd. Bij acht patiënten (9%) werd afgezien van RARP vanwege detectie van afstandsmetastasen (M1) op basis van 18F-PSMA PET/CT. Bij 78 patiënten werd een ePLKD uitgevoerd; de prevalentie van een pathologisch-bewezen N1-status was 14% (11 patiënten). De sensitiviteit, specificiteit, positief-voorspellende waarde en negatief voorspellende waarde van 18F-PSMA PET/CT op patiëntniveau was respectievelijk 55%, 91%, 50% en 92%. Bij 77/78 patiënten (98%) werd PSMA-opname in de prostaat waargenomen (detectie van lokale tumor).

Conclusie

18F-PSMA PET/CT kent een hoge specificiteit (91%), maar beperkte sensitiviteit (55%) voor de detectie van N1 bij primaire stadiëring van PCa. 18F-PSMA PET/CT detecteerde afstandsmetastasen bij 9% van de patiënten met primair PCa, waarop van RARP werd afgezien.

5. Expressie van chemokinereceptoren op CD4 T-cellen in perifeer bloed als potentiële biomarker voor respons op pembrolizumab bij urotheelcarcinoom

M. Rijnders, A. Oostvogels, M. van Brakel, H.E. Balcioglu, D. Robbrecht, J.L. Boormans, M.P. Lolkema, R. de Wit, A.A.M. van der Veldt en R. Debets Erasmus MC Kanker Instituut, Rotterdam

Introductie

De responskans op tweedelijns behandeling met pembrolizumab is beperkt voor patiënten met niet-resectabel of gemetastaseerd urotheelcarcinoom (UC). Daarom is er een duidelijke behoefte aan voorspellende biomarkers voor de selectie van patiënten voor deze behandeling. Het is echter gebleken dat PD-L1-expressie op de tumor geen predictieve waarde heeft in deze setting. Het doel van deze studie was daarom om potentiële biomarkers die response op behandeling met pembrolizumab kunnen voorspellen, te onderzoeken in bloed.

Materiaal en methoden

Van 22 patiënten met gemetastaseerd UC werd bloed verzameld voor de start van pembrolizumab en na 6 en 12 weken. Door middel van flowcytometrie werden absolute aantallen van 18 verschillende immuuncelpopulaties geanalyseerd. Daarnaast werd gekeken naar de expressie van T-celdifferentiatie en proliferatiemarkers, co-stimulatoire en co-inhibitoire receptoren en chemokinereceptoren. Respons op behandeling werd na 12 weken beoordeeld aan de hand van de RECIST v1.1-criteria. Patiënten met een partiële respons werden beschouwd als responders, patiënten met progressieve ziekte werden beschouwd als non-responders. Patiënten met stabiele ziekte werden niet meegenomen in deze analyse.

Resultaten

Na 12 weken hadden 9 van de 22 patiënten een radiologische respons. Voor de start van de behandeling was het percentage CD4 T-cellen dat de chemokinereceptoren CCR1 en CXCR3 tot co-expressie brengt lager bij responders ten opzichte van non-responders. Het percentage CXCR3+ CD4 T-cellen daalde tijdens de behandeling verder bij responders, terwijl een toename in het percentage CCR1+ CXCR3+ CD4 T-cellen werd gezien bij non-responders (fig. 5.1). De veranderingen in expressie van chemokinereceptoren ging gepaard met een daling in de expressie van de co-inhibitoire receptor PD1 op CD4 T-cellen na zes weken, en een stijging in CD4 T-cellen die de co-stimulatoire receptor CD28 tot expressie brengen.
Figuur 5.1

a Expressie van individuele chemokinereceptoren op CD4 T-cellen. b Co-expressie van chemokinereceptoren op CD4 T-cellen. Bloedmonsters verzameld voor start met pembrolizumab (V1), na 6 weken (V2) en na 12 weken (V3)

Conclusies

Tijdens behandeling met pembrolizumab treden veranderingen op in expressie van co-inhibitoire, co-stimulatoire en chemokinereceptoren in bloed. Dit is mogelijk een gevolg van lokale T-celrekrutering en activatie in de tumor. Daarnaast heeft de expressie van chemokinereceptoren op CD4 T-cellen in perifeer bloed mogelijk voorspellende waarde voor respons op behandeling met pembrolizumab bij patiënten met een gemetastaseerd UC.

6. De incidentie en risicofactoren van een contralaterale testistumor

J.M. Blok, E.H. Huele, H.J. Groot, R.P. Meijer, J.A. Gietema, J.A. Witjes, R. de Wit, G. Groenewegen, B.G.L. Vanneste, T.J. Smilde, H.A. van den Berg, P. de Brouwer, M.J. Aarts, J. Nuver, J.L.H.R. Bosch, S. Horenblas en M. Schaapveld Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Patiënten met een kiemceltumor hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van een metachrone contralaterale testistumor (CLTT). Het doel van deze studie was te onderzoeken wat de incidentie van CLTT in Nederland is en wat de risicofactoren zijn.

Materiaal en methoden

Dit onderzoek werd verricht in een landelijk cohort van 4.741 patiënten die tussen 1989 en 2007 waren gediagnosticeerd met een kiemceltumor. Een metachrone CLTT werd gedefinieerd als een kiemceltumor ≥ 2 maanden na diagnose van de primaire kiemceltumor. De gestandaardiseerde incidentieratio (SIR) werd berekend met de breuk: [aantal geobserveerde kiemceltumoren] / [aantal verwachte kiemceltumoren op basis van de incidentie in Nederland]. Risicofactoren op een CLTT werden onderzocht met een multivariaat Cox-model.

Resultaten

In het cohort hadden 2.614 patiënten een seminoom (55,1%). De mediane leeftijd bij diagnose was 33 jaar (IQR = 26-40). Er werden 1.015 patiënten (21,4%) met platinumbevattende chemotherapie behandeld voor hun primaire testistumor (seminoom: n = 184; non-seminoom: n = 831). De mediane follow-up was 17,0 jaar (IQR = 12,7-22,0). Er werd bij 140 patiënten een CLTT gediagnosticeerd. Het mediane interval tot een CLTT was 6,0 jaar (range 0,2–19,7). De cumulatieve incidentie na 20 jaar was 3,5% (95%-BI = 2,9–4,1). Een CLTT kwam vaker voor bij patiënten met een seminoom. De SIR na een seminoom was 23,9 (95%-BI = 19,4–29,1), na een non-seminoom was deze 7,8 (95%-BI = 5,6–10,6) en voor de gehele populatie was deze 15,0 (95%-BI = 12,617,7). In de multivariate analyse daalde het risico op een CLTC met de leeftijd (HR = 0,94; 95%-BI = 0,91–0,97; p < 0,001), was lager na een non-seminoom (HR = 0,47; 95%BI 0,28–0,79; p = 0,004) en daalde met een toenemend aantal kuren chemotherapie (HR = 0,76; 95%BI 0,66–0,87; p < 0,001).

Conclusie

In vergelijking met de algemene bevolking hebben patiënten met een testistumor een 15 keer grotere kans op het (nogmaals) krijgen van een testistumor. Dit risico is twee keer hoger bij patiënten met een seminoom dan bij patiënten met een non-seminoom. Behandeling van de primaire kiemceltumor met chemotherapie verlaagt het risico op een CLTT.

7. Resultaten met 18Fluor-PSMA PET/CT bij 248 patiënten met biochemisch recidiverende prostaatkanker: klinisch relevante, verbeterde detectie van recidieven

B.H.E. Jansen, M. Wondergem, T.M. van der Sluis, D. Meijer, F.M. van der Zant, R.J.J. Knol, L.W.M. van Kalmthout, O.S. Hoekstra, R.J.A. van Moorselaar, D.E. Oprea-Lager en A.N. Vis Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA) PET/CT wordt in toenemende mate gebruikt voor patiënten met een biochemisch recidief (BCR) van prostaatkanker. Naast 68Galliumgelabelde PSMA-tracers zijn ook 18Flour-gelabelde tracers ontwikkeld. Deze veelgebruikte, nieuwe PSMA-tracers kunnen mogelijk kleinere metastasen detecteren. Dit is de eerste studie waarin de laesiedetectie met 18F-PSMA (18F-DCFPyL) PET/CT wordt geëvalueerd bij patiënten met een BCR.

Materiaal en methoden

In dit onderzoek werden 248 aaneengesloten patiënten met een BCR geanalyseerd, die allen tussen 2016 en 2018 waren gescand met 18F-DCFPyL PET/CT in twee ziekenhuizen. De patiënten werden onderzocht na radicale prostatectomie (52%), externe radiotherapie (42%) of brachytherapie (6%).

Van alle scans werd een duoanalyse verricht door ervaren nucleair geneeskundigen (> 200 BCR-scans). Indien aanvullende diagnostiek werd verricht voor (klinisch onduidelijke) PET-positieve laesies, werd de positief-voorspellende waarde (PPV) van laesies berekend.

Resultaten

Op 214 van de 248 PET/CT-scans (86%; range 82-91) werd ten minste één laesie gezien die verdacht was voor recidief prostaatkanker (een ‘positieve scan’). De detectieratio nam toe bij hogere PSA-waarden (fig. 7.1), maar zelfs bij een PSA-waarde van < 0,5 ng/ml werden recidieven gedetecteerd bij 17 van de 29 patiënten (59%). Voor 141 laesies was aanvullende diagnostiek beschikbaar: de PPV was 78% (110/141 laesies; range 71-85). Bij 39-50% van de patiënten na radicale prostatectomie en een PSA < 1,0 ng/ml werden laesies gevonden buiten het prostaatbed. Bij deze patiënten kan mogelijk ineffectieve salvage radiotherapie vermeden worden.
Figuur 7.1

Detectie van prostaatkankerrecidieven met 18F-PSMA PET/CT, per PSA-strata

Conclusie

18F-PSMA PET/CT biedt vroegtijdige en accurate lokalisatie van prostaatkankerrecidieven, zelfs bij PSA-waarden < 0,5 ng/ml. Deze resultaten laten een duidelijke verbetering zien ten opzichte van conventionele beeldvorming en choline-PET/CT. In vergelijking met 68Ga-PSMA PET/CT wordt mogelijk verbeterde detectie van laesies geconstateerd bij patiënten met een PSA < 2,0 ng/ml. Vroegtijdige detectie van laesies buiten het prostaatbed is relevant voor adequate selectie van patiënten voor salvage radiotherapie.

8. Radiofrequente straling vermindert de overleving van blaaskankercellen en heeft een additief effect in combinatie met chemotherapie

I.S.G. Brummelhuis, G.M. Lev, J.W. van Hattum, J.A. Witjes en E. Oosterwijk Radboudumc, Nijmegen

Introductie

Chemohyperthermie (CHT) is een behandeling die in toenemende mate gebruikt wordt bij patiënten met niet-spierinvasief blaascarcinoom (NSIBC) bij wie de standaard intravesicale behandeling heeft gefaald. Tijdens deze behandeling wordt de blaas verwarmd tot een temperatuur van 42 ± 2 °C in combinatie met intravesicale chemotherapie (mitomycine (MMC) of epirubicine (epi)). Twee hyperthermie (HT) technieken zijn beschikbaar: conductie middels circulatie van warme vloeistof en radiofrequente straling (RF). Of RF bijdraagt aan het antitumoreffect van CHT is onbekend.

Materiaal en methoden

De NSIBC-cellijnen T24, RT4 en J82 en de benigne gladde spiercellijn hbSMC werden gebruikt. Cellen werden gezaaid met een dichtheid van 50,000 cellen per well in een 24-well plaat. 24 uur later werden cellen 60 minuten behandeld met RF, al dan niet met MMC of epi. De gebruikte antenne induceerde RF met 915 MHz en een vermogen van 45 W, wat resulteerde in een elektrisch veld van 17 mW/cm2 en een temperatuur van 37,2 °C (bij gelijktijdig koelen) of 41,2° C na 60 minuten behandelen. Controlecellen werden in een incubator van 37°C of 43 °C geplaatst, al dan niet met MMC of epi. Na behandeling werd het medium ververst en na 48 uur werd een MTT-test uitgevoerd om de celoverleving te bepalen.

Resultaten

Celoverleving werd het meest beïnvloed door behandeling met MMC en epirubicine. Door RF geïnduceerde HT remt de celoverleving van de NSIBC-cellijnen T24, J82 en RT4 (fig. 8.1). In combinatie met MMC en epi was dit effect additief. Het merendeel van dit effect was niet toe te schrijven aan het effect van HT, hetgeen impliceert dat het effect van RF additief is aan zowel HT als chemotherapie. De levensvatbaarheid van de benigne cellijn hbSMC werd niet beïnvloed door RF.
Figuur 8.1

De celoverleving van de cellijnen T24 (a), J82 (b), RT4 (c) en hbSMC (d)

Conclusies

RF heeft een remmend effect op de overleving van NSIBC cellen, onafhankelijk van chemotherapie en HT. RF heeft geen effect op benigne cellen.

9. Transurethrale Enucleatie met Bipolaire energie (TUEB); een elegante behandeling

F.B. Bergsma, B.M.A. Schout en M.J. Wijffelman Alrijne Ziekenhuis, Leiderdorp

Introductie

Transurethrale enucleatie van de prostaat middels bipolaire energie (TUEB) is een innovatieve methode om middelgrote en grote symptomatische prostaten te behandelen. Hiermee kan een open prostatectomie voorkomen worden en een completere resectie worden bewerkstelligd. Het is een methode die in principe voor iedere uroloog in Nederland beschikbaar is en waarbij het bipolaire TUR-instrumentarium kan worden gebruikt.

Materiaal en methoden

Het betreft een prospectieve cohortstudie van patiënten met LUTS en retentie op basis van prostaatvergroting bij wie een TUEB werd uitgevoerd tussen juli 2017 en juli 2019. Poliklinische controle vond plaats rond t = 8 weken en t = 6 maanden postoperatief, op welk moment er een flowmetrie plaatsvond. Op t = 6 maanden werd een vragenlijst afgenomen om de patiënttevredenheid te meten. Trombocyten-aggregatieremmers werden voor deze operatie niet gestopt.

Resultaten

Een totaal van 124 patiënten onderging een TUEB-operatie. De mediane leeftijd was 72 jaar, het mediane prostaatvolume preoperatief bedroeg 98 cc (range 42–210) en het mediane residu preoperatief bedroeg 170 cc (range 0–980). De gemiddelde International Prostate Symptom Score (IPSS) preoperatief was 23,2, de gemiddelde Quality Of Life score was 3,6. Verder was preoperatief bij 78 patiënten sprake van retentie waarvoor katheterisatie noodzakelijk was. De mediane operatietijd was 75 minuten (range 24–160) en het mediane adenoomresectiegewicht bedroeg 51 gram (range 10–130). Bij twee patiënten trad een nabloeding op waarvoor coagulatie en een tractieballon noodzakelijk waren en één patiënt kreeg een strictuur waarvoor dilatatie plaatsvond. Op t = 6 maanden was bij 99% van de retente patiënten van zijn katheter af en was 94% van de patiënten tevreden met de mictie (fig. 9.1). Zes maanden postoperatief was er een significant verschil in Qmax ten opzichte van de baselineparameters (p = 0,00).
Figuur 9.1

Algehele tevredenheid zes maanden postoperatief versus preoperatief

Conclusie

De TUEB is veilig en effectief bij de behandeling van symptomatische LUTS en retentie bij (middel)grote BPH met aanvaardbare complicaties en gunstige resultaten.

10. De impact van een centraal MDO niercelcarcinoom op shared decision making en studiedeelname

B.W. Lagerveld, P.J. Zondervan, A. Bex, K. Hendricksen, N. Graafland, T. Kuusk, M.M.E.L. Henderickx, J. van Moorselaar en H. Beerlage OLVG, Amsterdam

Introductie

De nierkankerzorg vraagt meer aandacht door de introductie van niersparende behandelingen van cT1-tumoren, ontwikkelingen in systeemtherapie en andere behandelingsmogelijkheden van metastasen. Een multidisciplinair overleg (MDO) is hiervoor onontbeerlijk. Centra waarin alle mogelijke behandelmethoden beschikbaar zijn, zouden in een centraal MDO met interdisciplinaire benadering de nierkankerzorg verder kunnen uniformeren en optimaliseren.

Materiaal en methoden

In de periode van september 2017 tot juli 2019 werd wekelijks een videoconference-MDO tussen drie centra uitgevoerd. Voor patiënten met (verdenking op) nierkanker werd een gezamenlijk advies geformuleerd. Adviezen werden besproken met de patiënt, met – indien mogelijk – een shared-decision-making (SDM) benadering. Tevens werd studiedeelname aangeboden indien dit toepasbaar werd geacht. Data werden prospectief geregistreerd en geanalyseerd middels descriptieve analyse in Excel.

Resultaten

In totaal vond 84 keer een multi- en interdisciplinair overleg plaats tussen urologie, oncologie, interventie-radiologie en radiotherapie plaats. Er werden 1.144 casus besproken, waarvan 863 primaire casus- en 281 herbesprekingen betroffen. De volgende klinische tumorstadia werden besproken: (1) T1aN0M0 (41,6%), (2) T1bN0M0 (14,5%), (3) T2N0M0 (3,7%), (4) T3N0M0 (7,9%), (5) T4N0M0 (0,5%), (6) N+/ M+ (24,1%) en (7) recidief of niet nader omschreven (7,7%). De MDO-adviezen lieten in 289 casus ruimte vooi SDM (25,3%). Als resultaat van het MDO-advies werden in totaal 42 patiënten succesvol geïncludeerd voor studiedeelname. Bij 1.081 (94,5%) casus werd het MDO-advies opgevolgd. Redenen voor het niet opvolgen waren: op verzoek van patiënt zelf (n = 15), beslissing medisch team (n = 16), conditie patiënt (n = 3), second opinion waarvan uitvoering van advies niet is vastgesteld (n = 23), geen documentatie van afwijken (n = 6).

Conclusies

In dit centraal MDO binnen een nierkankernetwerk zijn in 22 maanden 1.144 casus besproken. Een kwart van de adviezen gaf ruimte voor shared decision making. In slechts 5,5% van de gevallen werd het advies niet uitgevoerd, waarvan ruim de helft is gedocumenteerd. Door centralisatie van de nierkankerzorg in dit MDO is duidelijk aandacht gebleken voor studieparticipatie.

11. De invloed van ziekenhuis- en chirurgvolumenormen op mortaliteit en complicaties na radicale cystectomie

S.M.H. Einerhand, C.S. Voskuilen, E. van Werkhoven, I.J. de Jong, J. van Moorselaar, J. Oddens, T.M. de Reijke en H.G. van der Poel

Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam

Introductie

Sinds 2015 dient een ziekenhuis jaarlijks minstens 20 radicale cystectomieën (RC’s) te verrichten. Deze volumenorm werd gesteld om het risico op postoperatieve complicaties en mortaliteit te verkleinen. Wij onderzochten het verband tussen ziekenhuis- en chirurgvolume en het risico op complicaties en mortaliteit na RC op basis van data van de NVU-kwaliteitsregistratie cystectomie (NKC).

Materiaal en methoden

Data werden verzameld van alle patiënten die in 2018 in de NKC waren geregistreerd. Ziekenhuisvolume (ZV) werd gedefinieerd als het aantal verrichte RC’s. Chirurgvolume werd tweeledig onderzocht. Er werden analyses verricht van het aantal RC’s in 2018 van de meest ervaren chirurg per patiënt (CV), evenals het cumulatief aantal verrichte RC’s in 2018 van het chirurgisch team per patiënt (CTV). De uitkomstmaten waren 30- en 90-dagenmortaliteit (30M en 90M) en ernstige complicaties (Clavien-Dindo ≥ 3). Er werd gecorrigeerd voor case-mix en tumorstadium. Kwaliteit van de data kon niet worden geverifieerd.

Resultaten

Na exclusie van niet-oncologische (n = 24) en palliatieve (n = 10) RC’s werden 850 patiënten geïncludeerd. De 30M en 90M waren respectievelijk 2,4% en 5,3%, terwijl 23,4% van de patiënten een ernstige complicatie kreeg. Mediane (Q1–Q3) ZV, CV en CTV waren respectievelijk 26 (22–25), 21 (14–32) en 28 (19–36) RC’s. Toenemend ZV correleerde met een statistisch significante daling van de 30M (p = 0,002) (fig. 11.1a). Een vergelijkbaar verband werd gevonden tussen CTV en 90M (p = 0,021) (fig. 11.1b). Voor beide curves geldt dat bij meer dan 40 RC’s per jaar geen bewijs is voor verdere verlaging van de mortaliteit in dit cohort. In tegenstelling tot ZV was CV niet statistisch significant gecorreleerd aan mortaliteit. Ernstige complicaties bleken niet gerelateerd te zijn aan ZV, noch aan CT, noch aan CTV.
Figuur 11.1

Ziekenhuisvolume (a) en volume van het chirurgisch team (b) – gemodelleerd als continue variabelen – afgezet tegen de kans op respectievelijk 30- en 90-dagenmortaliteit. De blauwe lijn is de plot. Het grijze gebied is het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Analyses waren gecorrigeerd voor casemix en tumorstadium.

Conclusie

Uit gegevens van de NKC blijkt dat een toenemend volume per ziekenhuis een gunstig effect heeft op mortaliteit na RC. Nader onderzoek moet uitwijzen of ervaring dan wel betere zorgprocessen ten grondslag liggen aan de betere uitkomsten die zijn behaald door zorgverleners met een hoog volume.

12. Wanneer flankpijn op de zenuwen begint te werken

M.R. van Balken, O.P.J. Vrooman Rijnstate ziekenhuis Arnhem

Introductie

Uit aanvullend onderzoek blijkt dat bij chronische flankpijn niet alle patiënten een urologische aandoening hebben, zoals nierstenen, een tumor of een UPJ-stenose. De klachtenpresentatie is vergelijkbaar met anterior cutaneous nerve entrapment syndrome (ACNES). Dit syndroom wordt gekenmerkt door beklemming van de huidtakken van de onderste intercostale zenuwen in de fascie van de musculus rectus abdominis, wat chronische pijn veroorzaakt. Kenmerkend is de goed omschreven lokalisatie van de pijn, vaak aanwijsbaar met één vinger in de flank. Uit lichamelijk onderzoek blijkt eveneens dat het pijngebied beperkt is. De intercostale zenuwen hebben ook dorsale en laterale takken (fig. 12.1). De hypothese is dat deze zenuwen ook beklemd kunnen raken en dus flankpijn kunnen veroorzaken.
Figuur 12.1

Verloop en vertakkingen van de subcostale zenuw

Bron: Cunningham DJ. Textbook of anatomy. New York, NY: William Wood and Co.; 1903.

Materiaal en methoden

Gedurende 2,5 jaar identificeerden wij retrospectief 12 patiënten (11 vrouwen en 1 man, tussen de 28 en 74 jaar (mean 49 jaar) met gelokaliseerde flankpijn. Aanvullend onderzoek bracht geen urologische pathologie aan het licht. Al deze patiënten kregen een injectie (onder de spierfascie) met 10 cc (1%) lidocaïne op het punt waar de maximale pijn werd gevoeld.

Resultaten

Alle patiënten hadden ten minste tijdelijke verlichting van pijn. Bij acht patiënten was een numerieke beoordelingsschaal (NRS) voor en na injectie beschikbaar. Gemiddelde NRS vóór lidocaïne-injectie was 7,5 (range 6-9) en gemiddelde NRS na lidocaïne-injectie was 1,8 (range 2-5). Bij 5 van de 12 patiënten trad < 2 uur pijnverlichting op; bij 7 van de 12 patiënten trad een langdurig effect op (bij sommigen na herhaalde injecties).

Conclusie

Flankpijn heeft niet altijd een viscerale oorsprong. Na uitsluiten van urologische pathologie in combinatie met gelokaliseerde pijn is er een mogelijkheid van een beknelling van de dorsale (DoCNES) of laterale (LaCNES) takken van de intercostale zenuw, analoog aan ACNES. De diagnose is eenvoudig en veilig te stellen door 1% lidocaïne op de pijnlijke plek te injecteren. Als een patiënt na de injectie een periode minder of geen pijn meldt, moet de diagnose een oppervlakkig probleem zijn, zoals beknelling van de zenuw.

13. Zijn (Europese) richtlijnen universeel toepasbaar?

W. Levens en H. Atawurah Màxima MC, Eindhoven/Veldhoven

Introductie

In de regel wordt bij mannelijke patiënten met LUTS urodynamisch onderzoek – conform de EAU-richtlijn – slechts op indicatie diagnostisch ingezet. In onze studie is nagegaan of dit beleid op verantwoorde wijze ook toepasbaar is binnen de setting van een West-Afrikaans ziekenhuis. Bijkomende reden van het onderzoek is de indruk dat de resultaten van een TURP in Ghana teleurstellend zijn. In een prospectieve studie is bij 400 mannelijke patiënten met LUTS een urodynamisch onderzoek verricht.

Materiaal en methoden

Van 2015–2018 werd, naast urethrocystoscopie, echo prostaat en het invullen van de IPSS-vragenlijst, urodynamisch onderzoek verricht bij alle mannelijke patiënten die zich met LUTS-klachten presenteerden. De groep patiënten ouder dan 50 jaar werd, na exclusie van patiënten met een urineweginfectie, neurologisch lijden, diabetes mellitus of een operatieve desobstructie in het verleden, geanalyseerd. Als maat voor obstructie werd de Bladder Outlet Obstruction Index (BOOI) gebruikt.

Resultaten

Van de 400 patiënten bleken slechts 110 (27,5%) een obstructief beeld te vertonen (BOOI > 40). Met name patiënten met een uroflow < 10 ml/sec bleken obstructief (65,2%). Residu na mictie van > 100 cc werd in de obstructieve groep gevonden bij 46,6% van de patiënten.

Conclusie

De indruk dat de resultaten van een TURP in de Ghanese setting teleurstellend zijn kon middels onze studie verklaard worden. Slechts 27,5% bleek bij urodynamisch onderzoek een obstructief beeld te vertonen. Bij het gebruik van de EAU-richtlijnen in een Afrikaanse populatie dient men derhalve enige reserve te betrachten. Onze studie zou aanleiding kunnen zijn om een urodynamisch onderzoek bij alle mannen met LUTS aan te bevelen. Voor het achterhalen van de oorzaak van deze bevindingen is nader onderzoek aangewezen.

14. De lymfeklieruitzaaiing is niet altijd klonaal gerelateerd aan de index laesie in de prostaat

F. van Beurden, J. Kneppers, W. Zwart, A.M. Bergman en H.G. van der Poel

Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Focale therapie voor prostaatkanker kan de bijwerkingen van behandeling van de gehele prostaat verminderen. Hierbij is van belang dat de laesie met de hoogste kans op uitzaaiingen wordt behandeld. Lymfekliermetastasen zijn vaak de eerste vorm van uitzaaiingen.

Materiaal en methoden

In een groep van 30 mannen met klieruitzaaiingen die waren behandeld door middel van een prostatectomie, werden de Copy Number Aberration (CNA) profielen van morfologische primaire tumorklonen en kliermetastasen vergeleken. De klonale relatie tussen de primaire tumor en de metastasen werd vergeleken met klinisch variabelen.

Resultaten

Bij 7 van de 30 (23,3%) van de mannen was de lymfeklieruitzaaiing niet klonaal gerelateerd aan de grootste, ofwel indexlaesie in de prostaat. Klinische variabelen, zoals cT, ISUP-gradering, PSA en het aantal geïdentificeerde tumorklonen waren niet voorspellend voor een klonale relatie. De vijfjaars ziektespecifieke overleving (ZSO) na prostatectomie was 89% en niet gerelateerd aan klonaliteit van de kliermetastase. Het aantal verwijderde klieren met metastasen was de beste postoperatieve voorspeller van ZSO.

Conclusie

Bij prostaatkanker is in een kwart van de gevallen de indexlaesie niet de bron van de klieruitzaaiing. De klonale relatie van de klieruitzaaiing met de indexlaesie kan niet worden voorspeld op basis van klinisch variabelen en is niet gerelateerd aan de prognose. Behandeling van alleen de indexlaesie in de prostaat dient vermeden te worden.

15. Automatische detectie en gradering van het urotheelcel carcinoom van de blaas op histologische coupes

H. Jansen, M. Lucas, J. Bosschieter, T.G. van Leeuwen, H.A. Marquering, J.A. Nieuwenhuijzen, D.M. de Bruin en C.D. Savci-Heijink Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie AMC, Amsterdam

Introductie

Histologische gradering is een belangrijke voorspeller voor het krijgen van een recidief of progressie in niet-spierinvasief blaascarcinoom (NSIBC). Echter, de reproduceerbaarheid is laag. Het doel van deze studie is om na te gaan of het mogelijk is om een deep learning netwerk te gebruiken voor het graderen van het urotheelcel carcinoom (UCC) van de blaas op histologische coupes, en de nauwkeurigheid te vergelijken met de consensus van drie pathologen.

Materiaal en methoden

We includeerden histologische coupes van patiënten met NSIBC na transurethrale resectie van de blaastumor tussen 2000 en 2016 in drie verschillende ziekenhuizen in Nederland. Alle slides werden individueel beoordeeld door drie pathologen, welke gebruik maakten van de WHO’73- en de WHO’04-gradering. De coupes werden gedigitaliseerd en geannoteerd door een deskundige beoordelaar waarbij er verschil werd gemaakt tussen UCC, niet-neoplastisch weefsel, fibrovasculair weefsel en exclusie (beschadigd, niet te beoordelen weefsel). De intekeningen werden achteraf beoordeeld door een uropatholoog. Voor de automatische gradering werd een tweestapbenadering gebruikt. Gezien de ongebalanceerde graderingsgroepen werd besloten om de WHO’04-gradering te gebruiken. Allereerst werd er een netwerk getraind op het detecteren van urotheel. Daarna werden de segmentaties van het urotheel samen met de intekeningen en de consensusgradering van de drie pathologen meegenomen in een tweede netwerk voor de classificatie (gradering).

Resultaten

Het urotheel-detectienetwerk detecteerde in 93% van de slides het urotheel correct, maar detecteerde meer urotheel dan daadwerkelijk was ingetekend. Dit betrof met name snij- en cauterisatieartefacten. Het classificatienetwerk gradeert 76% van de low-grade en 71% van de high-grade correct. De vergelijking met de consensus en individuele pathologen is te zien in tabel 15.1.

Tabel 15.1

 

kappa

accuracy (%)

automated vs. consensus

0,48

74

automated vs. observer 1

0,35

67

automated vs. observer 2

0,38

69

automated vs. observer 3

0,48

74

observer 1 vs. observer 2

0,38

69

observer 1 vs. observer 3

0,35

69

observer 2 vs. observer 3

0,52

76

Conclusies

Automatische detectie en gradering is mogelijk en met resultaten die vergelijkbaar zijn met de interobservervariatie tussen pathologen.

16. NeuroSAFE-procedure voor een oncologisch veilig zenuwsparende prostatectomie: eerste uit Nederland

L. de Vries, K.T. Buddingh, J. de Jong, J. van der Hoeven en J.D. Tijsterman

HagaZiekenhuis, Den Haag

Introductie

Het sparen van de neurovasculaire bundel (NVB) tijdens robotgeassisteerde radicale prostatectomie (RARP) is geassocieerd met betere functionele uitkomsten. De keerzijde is een verhoogd risico op tumorpositief snijvlak. Sinds 2017 voeren wij de NeuroSAFE-procedure (NS) uit, waarbij peroperatief een vriescoupe van de dorsolaterale zijde van de prostaat wordt verricht. Indien deze tumorpositief is, volgt resectie van de ipsilaterale NVB. In deze studie presenteren wij de resultaten van de NS.

Materiaal en methoden

Prospectief werden alle patiënten geanalyseerd die in de periode augustus 2017 tot en met augustus 2019 een enkel- of dubbelzijdig zenuwsparende RARP hebben ondergaan met NS.

Resultaten

In totaal werden 272 NS verricht bij 188 patiënten (84 beiderzijds). Een positief snijvlak bij vriescoupe werd 29 keer geconstateerd (10,7%), waarna resectie van de NVB volgde. In één NVB werd ingroei van tumor gezien (3,4%). In vergelijking met de definitieve histopathologie was er één fout-negatieve vriescoupe. De negatief voorspellende waarde van NS is 242/243 (99,6%). Onder de 28 patiënten met een secundaire bundelresectie was er bij definitieve pathologie vijf keer sprake van een irradicale resectie (R1) op basis van een positief snijvlak ter plaatse van de apex of blaashals. In totaal werden bij 168/188 patiënten (89,3%) de resectie als radicaal (R0) afgegeven. Zonder aanvullende resectie van de NVB zou dit percentage uitkomen op 145/188 (77,1%). Echter, dit geeft een vertekend beeld, omdat een groot deel van deze patiënten zonder NS-vangnet niet in aanmerking zou komen voor zenuwsparende RARP. Er waren 91 NS bij patiënten met aan die zijde negatieve systematische biopten. Hiervan was in zes gevallen de histopathologie van het snijvlak positief (6,6%). De combinatie van negatieve biopten en een negatieve MRI aan die zijde verbeterde het onderscheidend vermogen niet: 5/75 (6,7%).

Conclusie

In onze populatie was een zeer hoge concordantie tussen vriescoupe en definitieve histopathologie. De NS leidde in 15% van de patiënten tot aanvullende NVB-resectie en draagt bij aan een oncologisch veilige zenuwsparende RARP.

17. Is een inguïnale lymfadenectomie na een positieve schildwachtklierprocedure bij peniskanker altijd geïndiceerd?

H.M. de Vries, J. Nowers, S.R. Ottenhof, M. Afshar, R.S. Djajadiningrat, C. English, W. Lam, B. Ayres, S. Horenblas, N. Watkin en O.R. Brouwer

Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut

Introductie

Sinds 1994 wordt de schildwachtklier (SWK) procedure gebruikt ter detectie van inguïnale kliermetastasen bij peniskanker. Bij een positieve SWK (SWK+) procedure volgt inguïnale lymfadenectomie (LKD). In 80% van de gevallen worden bij deze LKD echter geen verdere kliermetastasen gevonden. Uit eigen onderzoek uit 2007 bleek dit in ieder geval, indien er alleen micrometasasen in het lymfeklierdissectiepreparaat werden gevonden. Dit is echter nooit in een groot cohort onderzocht. Doel van dit multicenteronderzoek is om beter te identificeren wie een aanvullende klierdissectie behoeft en bij wie dit veilig kan worden nagelaten.

Materiaal en methoden

In dit retrospectieve internationale multicenteronderzoek werden alle patiënten geïncludeerd die een LKD ondergingen na een SWK+-procedure. Het aantal verwijderde klieren, de grootte van de klieren en de grootte van de metastasen in de klier(en) van de SWK-procedure en de LKD werden per lies geregistreerd. Liezen met onvolledige data werden geëxcludeerd. Liezen werden ingedeeld in een groep met 1 positieve klier en een groep met > 1 positieve klier. Liezen met één SWK+ werden verder onderverdeeld in micrometastasen (≤ 2,0 mm) of macrometastasen (> 2,0 mm). Groepen werden vergeleken met de chikwadraattest. Significantie werd behaald bij een p-waarde < 0,05.

Resultaten

286 patiënten ondergingen een LKD na een SWK+ tussen 1994 en 2017 in twee centra. De gemiddelde grootte van de SWK en de gemiddelde grootte van de metastasen was respectievelijk 18 en 7 mm. Van de LKD’s waren 57 (20%) liezen positief. Liezen met één SWK+ (n = 227) of met > 1 SWK+, hadden respectievelijk 16% en 34% kans op een positieve LKD en verschilden significant. Liezen met één micrometastase (n = 76) of met macrometastasen hadden respectievelijk 7% en 27% kans op een positieve LKD en verschilden significant.

Conclusie

Patiënten met peniskanker met één positieve schildwachtklier met daarin een micrometastase hebben een kans < 10% op de aanwezigheid van andere metastasen in de lies. Een expectatief beleid in het kader van een vergelijkend onderzoek behoort tot de mogelijkheden.

18. Perioperatieve en oncologische resultaten van percutane cryoablatie bij cT1-niercelcarcinomen in een academisch centrum

A.E. van der West, M.M.E.L. Henderickx, O.M. van Delden, H.P. Beerlage en P.J. Zondervan

Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie AMC, Amsterdam

Introductie

Volgens de huidige richtlijnen is focale ablatieve therapie voor cT1-niertumoren bij oudere en/of meer comorbide patiënten een goede behandeloptie. Alleen is er nog weinig over de functionele en oncologische uitkomsten bekend. Deze studie beschrijft de peroperatieve en oncologische uitkomsten van cryoablatie bij cT1-niertumoren.

Materiaal en methoden

In één academisch centrum werden tussen 2011 en 2019, 96 percutane cryoablaties verricht bij 85 patiënten. Retrospectief werden de patiënt- en tumorkarakteristieken en de perioperatieve gegevens beschreven. De oncologische uitkomsten werden geanalyseerd middels een Kaplan-Meier-curve.

Resultaten

De studiepopulatie had een gemiddelde leeftijd van 64,1 jaar, en bestond voor 64% uit mannen en voor 36% uit vrouwen. De gemiddelde BMI bedroeg 28,1 kg/m2 met een gemiddelde Charlson-score van 4,7. 91% had een T1a RCC en 9% een T1b RCC. Volgens de RENAL-nephrometriescore (PADUA) zat 37,5% (36,5%) in de laagrisicogroep, 58,5% (51%) in de middenrisicogroep en 4,2% (12,5%) in de hoogrisicogroep. Gemiddeld werden 3,7 (1–7) naalden per ablatie gebruikt. Er was een postoperatieve Hb-daling van 3,8% (dag 1 postoperatief) en een kreatininestijging van 9,0% (3 maanden postoperatief). Bij 13,5% van de cryoablaties was er sprake van een complicatie, waarvan in 3,1% van de gevallen sprake was van een Clavien-Dindo-score ≥ 3. De gemiddelde follow-up was 35,6 maanden. 61 patiënten hadden twee jaar follow-up. De algemene overleving, de RCC-specifieke overleving en (lokaal en niet-lokaal) recidiefvrije overleving van deze groep was respectievelijk 78,7%, 96,7%, 86,7% en 90,2% en is weergeven middels een Kaplan-Meier-curve (fig. 18.1).
Figuur 18.1

Kaplan-Meier-curves bij een follow-up van 2 jaar (n = 61)

Conclusie

Percutane cryoablatie is een goede behandeloptie met weinig ernstige complicaties (Clavien-Dindo ≥ 3) en een goede ziektespecifieke overleving bij oudere en comorbide patiënten.

19. Prostaatwijzer versus MRI, versus volgordes en combinaties in de triage voor prostaatbiopten

D.J. Reesink, M. Schilham, E.J.R.J. van der Hoeven, H.H.E. van Melick en R.C.N. van den Bergh St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein

Introductie

Zowel multivariabele risicocalculators als MRI kunnen worden gebruikt in de eerste risicostratificatie van patiënten met een verdenking op prostaatcarcinoom (PCa). In deze studie onderzochten we het verschil tussen het gebruik van beide als triagetest, en een combinatie van beide in verschillende sequentie in de triage voor prostaatbiopten.

Materiaal en methode

Patiënten die met een verdenking op PCa werden doorverwezen tussen augustus 2018 en april 2019, werden prospectief onderzocht. Alle patiënten ondergingen direct een bpMRI en ook werd de ERSPC-prostaatwijzer 3 bepaald. Mannen met een PI-RADS ≥ 3-laesie en/of een prostaatwijzerscore met > 20% kans op PCa, werden systematisch (SB) en zo mogelijk target (TB) gebiopteerd. De uitkomsten van de verschillende pathways (op basis van alleen MRI en/of alleen prostaatwijzer) worden gepresenteerd.

Resultaten

233/496 (47%) patiënten hadden een prostaatwijzerscore >20%, 201/496 hadden PI-RADS score ≥ 3. Van 496 doorverwezen patiënten werden 210 gebiopteerd. Klinisch significant (cs)PCa werd gevonden bij 96/496 (19%) en klinisch insignificant (cis)PCa bij 65/496 (13%) van de patiënten. Resultaten van de pathways staan vermeld in tabel 19.1. In pathway C onderging elke patiënt met een score > 20% een SB en werd alleen bij een risico van ≤ 20% een bpMRI verricht en werd vervolgens gebiopteerd bij PI-RADS ≥ 3/> 3. In pathway D (zoals vaak toegepast in Nederland) werd alleen een bpMRI verricht bij een risico 20% en ondergingen patiënten SB+TB bij PI-RADS ≥3/> 3. In pathway E en F werd altijd een bpMRI verricht, en ondergingen patiënten SB+TB bij een risicoscore > 20% óf PI-RADS ≥ 3/> 3 of bij een risicoscore > 20% én PIRADS ≥ 3/> 3, respectievelijk.
Tabel 19.1

Pathwayresultaten

 

enkel triagetest

 

sequentiële triagetests

 

gecombineerde triagetests

Pathway

A

B1

B2

C1

C2

D1

D2

E1*

E2*

F1

F2

risicocalculatorscore

> 20%

  

> 20%

> 20%

> 20% > 20%

> 20%

> 20% > 20%

> 20%

PI-RADS-score

 

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

> 3

biopsie geïndiceerd

47%

41%

34%

59%

53%

28%

25%

59%

56%

28%

25%

biopsie compliantie

67%

84%

93%

68%

69%

88%

94%

68%

71%

88%

94%

algehele PCa-detectie

74%

86%

90%

74%

80%

91%

93%

79%

81%

91%

93%

csPCa-detectieratio

47%

55%

59%

44%

48%

63%

66%

48%

49%

63%

66%

vermeden biopten

53%

59%

66%

41%

47%

72%

75%

41%

44%

72%

75%

onderdetectie csPCa**

16%

3%

4%

8%

8%

19%

22%

0%

0%

19%

20%

overdetectie cisPCa

28%

31%

31%

30%

32%

28%

27%

31%

31%

28%

27%

onnodige biopten

26%

14%

10%

26%

20%

9%

7%

21%

19%

9%

7%

vermeden MRI’s

100%

0%

0%

47%

47%

53%

53%

0%

0%

0%

0%

PCa prostaatcarcinoom; csPCa klinisch significant PCa; cisPCa klinisch insignificant PCa; SB systematische biopten; TB targetbiopten; MRI magnetic resonance imaging; PI-RADS prostate imaging reporting and data system.

* Referentie pathway voor de vergelijking met de overige pathways. Vetgedrukt verminderde resultaten; niet vetgedrukt verbeterde resultaten

** Definitie van csPCa: Gleason-score > 3+4:

– pathway A: alleen risicoscore bepalen, en SB bij risicoscore > 20%;

pathway B: alleen bpMRI, en SB+TB bij PI-RADS ≥ 3/> 3;

– pathway C: eerst risicoscore bepalen en SB bij > 20%, tevens bpMRI bij score ≤ 20% en SB+TB bij PI-RADS ≥ 3/> 3;

– pathway D: eerst risicoscore bepalen, dan bpMRI bij score > 20%, en SB+TB bij PI-RADS ≥ 3/> 3;

– pathway E: altijd risicoscore en bpMRI bepalen, biopten bij óf risicoscore > 20% óf PI-RADS ≥ 3/> 3;

– pathway F: altijd risicoscore en bpMRI bepalen, biopten bij én risicoscore > 20% én PI-RADS ≥ 3/> 3.

Tabel 20.1

Functionele uitkomsten

 

preoperatief

postoperatief

p

IPSS (n = 18)*

totaal

4(2-4)

3,5 (0-12,25)

0,255

residugevoel

0(0-1)

0(0-1)

0,070

frequency

0(0-1)

1(0-2)

0,261

hesitatie

0(0-1)

1(0-1)

0,250

urgency

0(0-1)

0(0-1)

0,223

slappe straal

0(0-1)

1(0-2)

0,287

persen

0(0-0)

1(0-2)

0,041

nocturie

1(0-2)

1 (0-1)

0,928

QoL**

0,8 (0,9)

1,1 (1,3)

0,368

gemiddelde tijd postoperatief

24,7 (11,4) mnd

  

mictielijsten (n = 18)

dagfrequentie**

7,3 (2,2)

7,1 (2,7)

0,709

nachtfrequentie**

0,6 (0,7)

0,7 (0,8)

0,772

minimaal volume (ml)**

137,1 (73,1)

162,9 (82,7)

0,130

maximaal volume (ml)**

451,8 (192,9)

429,1 (149,4)

0,535

totaal volume (ml)*

2150 (1887,5)

2140 (1403,75-2665)

0,266

mediane volume (ml)**

284,3 (99,1)

276,1 (118,4)

0,733

gem. tijd postoperatief

24,8 (15,1) maanden

  

uroflowmetrie (n = 25)

Qmax***

33,9 (18,1)

20,7 (8,4)

0,002

Qaverage***

15,5 (7,6)

11,5 (4,8)

0,019

acceleration*

8,1 (3,5-10)

3,5 (2-6)

0,005

hesitancy**

48,8 (16,4)

28,4 (7,9)

0,004

voiding time*

23,6 (17,275-32,15)

26,2 (18,5-33,85)

0,046

flow time**

23,4 (9,7)

29,4 (16,4)

0,091

time to maximal flow*

7 (3,625-10,325)

5,95 (4,075-9,8)

0,986

voided volume**

391,2 (214,7)

309,7 (114,9)

0,057

residual volume*

23 (0-37,5)

20 (0-29,5)

0,224

gemiddelde tijd postoperatief

20,6 (12,8) mnd

  

* Scheve verdeling, mediaan en interkwartielranges zijn weergegeven, Wilcoxon-‘signed rank’-test werd gebruikt voor statistische analyse.

** Normaalverdeling, gemiddelde en 1SD zijn weergegeven, paired sample t-test is gebruikt voor statistische analyse.

JPSS International Prostate Symptom Scores. Qmax pieksnelheid. Qaverage gemiddelde snelheid.

Conclusies

De prostaatwijzer, bpMRI, of verschillende volgordes en combinaties hiervan kunnen strategisch worden ingezet in de triage voor het verrichten van prostaatbiopten. Onze resultaten laten zien dat wanneer alleen een bpMRI wordt verricht wanneer de prostaatwijzer afwijkend is, 53% van de bpMRI-scans en 72-75% van de biopten kan worden vermeden. Echter, er wordt dan 1/5 csPCa gemist, in vergelijking met wanneer alle patiënten een bpMRI ondergaan.

20. Urologische complicaties en functionele uitkomsten na genitale genderbevestigende chirurgie met plasbuisverlenging voor transgender mannen

A.N. Veerman, F.P.W. de Rooij, M. Al-Tamimi, M.G. Mullender, M.B. Bouman, W.B. van der Sluis en G.L.S. Pigot Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie VUmc, Amsterdam

Introductie

Het doel van dit onderzoek was het vaststellen van urologische complicaties en functionele uitkomsten van de lage urinewegen na genitale genderbevestigende chirurgie met plasbuisverlenging voor transgender mannen.

Materiaal en methoden

Er werd een retrospectieve cohortstudie verricht. Patiënten die geopereerd werden in de periode januari 2013 tot januari 2018 zijn geïncludeerd. Demografische gegevens, voorgeschiedenis, perioperatieve data, chirurgische en urologische complicaties en pre- en postoperatieve urologische uitkomsten (mictielijsten, IPSS-lijsten en uroflowmetrie) werden verzameld.

Resultaten

Van de 63 patiënten die werden geïncludeerd, ondergingen acht (13%) patiënten een metaidoioplastiek (vrouw naar man) en 55 (87%) een falloplastiek, waarvan 27 (43%) een free radial forearm flap (FRFF), 19 (30%) een anterolateral thigh flap (ALT) en 9 (14%) een superficial circumflex iliac artery perforator flap (SCIP). De urethra’s van falloplastieken werden gemaakt met de volgende technieken: tube-in-tube FRFF (n = 27; 49%), een tweede FRFF (n = 18; 33%), SCIP (n = 5; 9%) en labia (n = 5; 9%). De gemiddelde follow-up was 23 maanden. Er werden geen significante verschillen gevonden in pre- en postoperatieve functionele uitkomsten (mictielijsten, IPSS en uroflowmetrie). 35 (64%) patiënten met een falloplastiek en 5 (63%) met metaidoioplastiek kregen een strictuur. 14 (25%) patiënten met een falloplastiek en 4 (50%) met een metaidoioplastiek kregen een fistel. Stricturen en fistels werden het vaakst gevonden bij de anastomose tussen het pars fixa en het pars pendulans (56% en 65%). Na het behandelen van complicaties konden 45 (71%) patiënten plassen uit het einde van de fallus.

Conclusie

Complicaties komen frequent voor na plasbuisverlenging in transgender mannen. Na het behandelen van complicaties waren er geen significante verschillen in pre- en postoperatieve functionele uitkomsten na genitale genderbevestigende chirurgie en de meerderheid van de transgender mannen kon uit het einde van de fallus plassen.

21. Diagnostische laparoscopie en abdominale cytologie detecteren peritoneale metastasen bij patiënten met urachusadenocarcinoom

L.E. Stokkel, A.M. Mehta, M.A. Behrendt, J de Jong, K. Hendricksen, A.G.J. Aalbers, N.F.M. Kok, W. Meinhardt, L.S. Mertens en B.W.G van Rhijn Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Adenocarcinoom van de urachus (UrAC) is een zeer zeldzame tumor waarbij peritoneale metastasen (PM) kunnen voorkomen. Patiënten met UrAC met alléén PM kunnen be handeld worden met cytoreductieve chirurgie en hyperthermische intraperitoneale chemotherapie (CRS/HIPEC). Met CT-scan worden PM vaak gemist. Wij onderzochten het nut van een diagnostische laparoscopie in combinatie met abdominale cytologie ter detectie van PM bij patiënten met UrAC.

Materiaal en methoden

We identificeerden alle patiënten met UrAC die tussen 2000 en 2018 in ons ziekenhuis werden behandeld. Standaardbeeldvorming bestond uit CT en PET/CT (of botscan). Bij de patiënten met cN0M0 werd een diagnostische laparoscopie verricht en intra-abdominale cytologie afgenomen ter detectie van PM. We berekenden de sensitiviteit en specificiteit voor de detectie van PM. Ook bij patiënten met reeds een verdenking op PM op CT-scan werd een diagnostische laparoscopie verricht ter evaluatie van de resectabiliteit van de metastasen en selectie voor CRS/HIPEC.

Resultaten

In totaal werd bij 32 patiënten een diagnostische laparoscopie verricht; 28 werden geclassificeerd als cN0M0. Bij 6/28 (21%) bleek tijdens diagnostische laparoscopie sprake van PM (fig. 21.1): bij 5/28 zichtbaar en bij één patiënt was alleen de cytologie positief. De sensitiviteit van de diagnostische laparoscopie in combinatie met cytologie voor de detectie van PM was 91%, met een specificiteit van 100%. De sensitiviteit van de CT-scan was 36%, met een specificiteit van 100%. Bij de vier patiënten die al zichtbare PM op de CT-scan hadden, kon in alle gevallen de resectabiliteit ingeschat worden.
Figuur 21.1

Bevindingen bij supra-umbilicale diagnostische laparoscopie bij twee verschillende patiënten (ter illustratie)

Conclusie

Met behulp van diagnostische laparoscopie en abdominale cytologie vonden we bij 21% van de patiënten met UrAC occulte PM die met CT zijn gemist. Deze patiënten kunnen zo (analoog aan ovarium- en coloncarcinoom) in een vroeg stadium worden geselecteerd voor een dan nog curatieve behandeling met CRS/HIPEC. Onze resultaten suggereren dat diagnostische laparoscopie in combinatie met abdominale cytologie bij cN0M0 UrAC tot de standaarddiagnostiek zou moeten behoren.

22. Erectiele functie na RARP: Wat gebeurt er in drie jaar follow-up?

L.F. Albers, C.N. Tillier, H.A.M. van Muilekom, B.W.G van Rhijn, H.W. Elzevier, H.G. van der Poel en K. Hendricksen Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Introductie

Erectiele disfunctie (ED) is een veelvoorkomende bijwerking van een robotgeassisteerde radicale prostatectomie (RARP), welke een negatief effect op de kwaliteit van leven kan hebben. Het is van belang patiënten te kunnen voorlichten over de te verwachte erectiele functie. Het doel van deze studie is het verloop van de erectiele functie op lange termijn in kaart te brengen.

Materiaal en methoden

Bij patiënten die een RARP ondergingen als primaire behandeling voor prostaatcarcinoom tussen 2013 en 2016 in ons ziekenhuis werd seksueel functioneren gemonitord middels gevalideerde vragenlijsten. 201 patiënten vulden op vijf meetmomenten (preoperatief, 6, 12, 24 en 36 maanden) de EORTC-PR-25 domein 5 en 6 (sexual functioning en sexual activity) en de IIEF-15 (erectiele functie) in. Patiënten met preoperatief een functionele erectie (‘geen of weinig moeite met het krijgen en vasthouden van een erectie’) werden geincludeerd.

Resultaten

In totaal werden 162 patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd was 64 jaar (range 47–76). Zes maanden postoperatief behield 20% een functionele erectie (PR-25; p < 0,01). Na 12 maanden steeg dit significant naar 30% (p < 0,05). Op meetmoment 24 en 36 maanden stabiliseerde dit naar respectievelijk 33% en 36% (p = 0,6). Het beloop van de functionele erectie is weergegeven in figuur 22.1. De IIEF-15-score (alle domeinen) daalde significant van preoperatief naar zes maanden (p < 0,05). Tussen 6 en 36 maanden trad geen significante stijging of daling op van de IIEF-15 score (alle domeinen).
Figuur 22.1

Beloop van erectiele functie na RARP

Conclusie

Tot 12 maanden na een RARP is herstel van de erectiele functie te verwachten. Gedurende de follow-up tussen 12 en 36 maanden is geen verbetering, noch verslechtering van de erectiele functie te verwachten. Deze informatie kan gebruikt worden voor counseling van patiënten ten aanzien van verwachte erectiele functie en eventuele start van seksuele revalidatie.

23. Infectieuze complicaties na transperineale prostaatbiopten zonder versus met profylactisch antibiotica: een non-inferiority studie

J.J de Bruijn, E.P. van Haarst, G. van Andel, M.C. Hovius, L.M.S Boevé, R.W. ter Haar en B.W. Lagerveld OLVG, Amsterdam

Introductie

Geschat wordt dat er jaarlijks in Nederland 1.000 patiënten worden opgenomen vanwege infectie na transrectale prostaatbiopten (TRP), ondanks antibiotische profylaxe met quinolonen. Een sterieler alternatief voor TRP zijn transperineale biopten (TPP). De literatuur beschrijft minder infectieuze complicaties na TPP met of zonder antibiotica dan na TRP. TPP worden na desinfectie van de huid en onder lokaal anesthesie afgenomen. Onder deze omstandigheden is er geen overtuigend argument voor antibiotische profylaxe. Deze studie wil aantonen dat TPP zonder antibiotica niet leidt tot meer infectieuze complicaties dan TRP met quinolonen.

Materiaal en methode

177 patiënten zijn gebiopteerd tussen november 2018 en juli 2019. Exclusiecriteria waren een katheter in situ, urineweginfectie (UWI) ten tijde van het biopt en een eerder biopt in de zes maanden voor het biopt. Patiënten met TRP namen twee uur voor het onderzoek 500 mg ciprofloxacine oraal in. Bij TPP werd geen antibiotische profylaxe gegeven. Poweranalyse om non-inferiority aan te tonen, liet zien dat 158 patiënten nodig zijn, met in elke groep minimaal 79 patiënten. De groepen werden vergeleken door middel van de chi-kwadraattoets en de Fisher-exacttoets.

Resultaten

Er konden 158 patiënten retrospectief geïncludeerd worden, 79 na TRP en 79 na TPP. De groepen waren alleen significant verschillend in het gemiddeld aantal genomen biopten (TRP 9 ± 2 SD en TPP 18 ± 4 SD; p < 0,001). In totaal waren er acht patiënten (5%) met infectieuze mictieklachten. Van hen werden er vijf opgenomen met een gecompliceerde UWI. Na TRP werden er vier (5%) patiënten opgenomen, van wie drie met een quinolonenresistente E. coli in de kweek. Na TPP was er één heropname (2%). Deze patiënt had een quinolonensensitieve E.coli in de kweek. Verschillen tussen de twee technieken in het aantal infectieuze complicaties, heropnames en UWI-klachten zonder opname waren niet statistisch significant (p = 0,276; p = 0,376; p = 0,752 resp.).

Conclusie

TPP zonder antibiotische profylaxe leidt niet tot meer infectieuze complicaties dan TRP met antibiotische profylaxe.

24. Effect van de prostaat lift procedure bij BPH op urodymamische parameters

B.G. Muller, F.M.J. Martens, J.P.F.A. Heesakkers en F.C.H. d’Ancona Radboudumc, Nijmegen

Introductie

De prostaat lift (PL) procedure is een minimaal invasieve techniek voor de behandeling van BPH. In de literatuur geeft deze techniek vergelijkbare vermindering van symptomen als na een TURP, terwijl uroflowmetrie slechts een verbetering van de flow laat zien die overeenkomt met alfablokkers. Wij vroegen ons af of PL desobstructieve effecten heeft. Het doel van de prospectieve studie is om urodynamische parameters voor en na de PL-procedure te vergelijken.

Materiaal en methoden

Bij 20 patiënten (≥ 50 jaar, met BPH, een IPSS ≥ 13 en een prostaatvolume van ≤ 60 ml, zonder middenkwab), werd voor en na de PL-procedure een UDO verricht, en een IPSS-vragenlijst afgenomen. Resultaten voor en na de ingreep werden geanalyseerd met een gepaarde t-test. Een p-waarde van ≤ 0,05 werd beschouwd als significant.

Resultaten

De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 68 jaar (range 55–79), het gemiddelde prostaatvolume (gemeten met TRUS) was 45 ml (range 20-59), het gemiddelde PSA was 2,0 pg/l (0,2–4,4). Vier UDO’s waren onbruikbaar voor analyse vanwege het ontbreken van een mictiefase (2x) en het uitzakken van de abdominale katheter bij mictie (2x). Verscheidene urodynamische parameters verbeterden significant: de PdetQmax 63 → 55 cmH2O (p = 0,02); openingsdruk (PdetO) 70 → 59 cm H2O (p = 0,00) en de urethrale weerstandsfactor (URA) 51 → 36 (p = 0,00). Er waren zeven patiënten bij wie de rethral resistance factor (URA) in het niet-obstructieve gebied (URA < 29) kwam. Andere urodynamische parameters toonden verbetering, maar niet significant in deze beperkte groep: maximale flow (Qmax) 4,5 ml/s → 7,2 ml/s (p = 0,12); sluitingsdruk (PdetC): 45,6 → 39,07 cmH2O (p = 0,652); Schaefer-OB gemiddeld van 3,5 → 2,5 (p = 0,8); de IPSS totaalscore verbeterde significant van 22 → 14 (p = 0,01), de score op de IPSS-kwaliteit-van-leven verbeterende niet significant (3,8 → 2,6 (p = 0,46) (tabel 24.1).
Tabel 24.1

Studieresultaten samengevat

urodynamische parameter

gemiddelde voor PL-procedure

gemiddelde 3 maanden na PL-procedure

p-waarde

detrusordruk bij Qmax

(PdetQmax)

63 cmH2O

55 cmH2O

0,02

openingsdruk (PdetO)

70 cmH2O

59 cmH2O

0,00

urethrale weerstandsfactor (URA)

51

36

0,00

maximale uroflow (Qmax)

4,5 ml/s

7,2 ml/s

0,12

sluitingsdruk (PdetC)

45,6 cmH2O

39,07 cmH2O

0,652

Schaefer OB-plot

3,5

2,5

0,8

IPSS-totaal

22

14

0,01

IPSS-kwaliteit-van-leven

3,8

2,6

0,46

Conclusie

De PL heeft desobstructieve effecten, maar deze lijken bescheiden. De procedure verbetert zowel urodynamische parameters als kwaliteit van leven in mannen met BPH. Een grotere studie moet de resultaten van deze pilotstudie bevestigen.

25. Anatomische eigenschappen van het pyelocalycieel systeem als factor in niersteenvorming; een onderzoek door middel van 3D-reconstructies van CT-IVP’s

P. van Zanten, S. Weltings en H. Roshani HagaZiekenhuis, Den Haag

Introductie

Nefrolithiase heeft een multifactoriële etiologie, waarin naast metabole factoren mogelijk ook de anatomie van het renale verzamelsysteem een rol speelt. Met behulp van 3D-reconstructies van CT-IVP’s onderzochten wij de invloed van morfometrische eigenschappen van het pyelocalycieel systeem op niersteenvorming.

Materiaal en methoden

Tussen 01 januari 2017 en 30 september 2018 werden CT-IVP’s verricht bij patiënten die chronologisch werden geïncludeerd in twee groepen: een nefrolithiasegroep bij wie ≥ 1 concrement op de CT-IVP zichtbaar was en een controlegroep van patiënten zonder concrementen op de CT-IVP én zonder nefrolithiase in hun voorgeschiedenis. Patiënten met aandoeningen die waren geassocieerd met nefrolithiase in de voorgeschiedenis werden geëxcludeerd. In de nefrolithiasegroep werd louter de steendragende nier gemeten, in de controlegroep werd per patiënt afwisselend één linker- of rechternier gemeten.

Resultaten

In beide groepen werden metingen uitgevoerd op 20 nieren. De gemiddelde minimale breedte van het traject van calyx naar pelvis was significant groter in de onderpool van de nefrolithiasegroep (3,9 vs. 2,7 mm). Er werden geen significante verschillen gevonden tussen de groepen wat betreft aantal calyces, infundibulaire lengte en breedte, calyceopelviene hoek, afmetingen van het pyelum en in de superior-inferior calyciële hoek. De transversale oriëntatie in uren van calyces in de nefrolithiasegroep was significant kleiner in de boven- en onderpool (7,69 vs. 8,52 en 8,08 vs. 9,09 uur), corresponderend met meer dorsaal gelegen calyces ten opzichte van de controlegroep.

Conclusie

Er bestaan verschillen in anatomie van het pyelocalycieel systeem tussen steenvormende en niet-steenvormende nieren. Kennis van de anatomie en etiologie kan bijdragen aan het verbeteren van endo-urologische behandelingen.

26. Diagnostiek en behandeling van kinderen met urine-incontinentie overdag

J.M. Linde, D.R. Ypma, I. Hofmeester, M.G. Steffens, F.J. Kloosterman-Eijgenraam en M.H. Blanker Isala, Zwolle

Introductie

Urine-incontinentie (UI) is een van de meest voorkomende urologische klachten bij kinderen. Zowel kinderartsen als urologen behandelen kinderen met UI. Hoewel hiervoor een gezamenlijke richtlijn bestaat, lijken er toch verschillen te bestaan in de benadering van deze patiëntengroep. Het doel van dit onderzoek is om het diagnostische en therapeutische traject van de kindergeneeskunde en de urologie met elkaar te vergelijken.

Materiaal en methoden

We verrichtten een retrospectief databaseonderzoek onder kinderen die in 2016 of 2017 werden verwezen met UI overdag. Hiervoor gebruikten wij de DBC-codes voor onder andere urine-incontinentie, dysfunctional voiding, urineweginfecties, obstipatie en aanverwante aandoeningen. We controleerden handmatig alle geselecteerde dossiers. Kinderen met alleen enuresis werden geëxcludeerd, evenals kinderen met een urineweginfectie als enige verklaring voor UI.

We vergeleken het diagnostische en therapeutische beleid van de kinderartsen met dat van urologen. Kinderen die door een kinderarts binnen ons ziekenhuis werden doorverwezen naar de uroloog bleven buiten beschouwing in deze analyse.

Resultaten

Wij includeerden 312 kinderen (254 kindergeneeskunde, 58 urologie). Hiervan was 51,9% jongen en 48,1% meisje. De meeste kinderen hadden meer dan vier keer per week UI (60,9%) en 70,2% had naast UI overdag ook enuresis nocturna.

De kindergeneeskunde rapporteerde of verrichte vaker een volledigere anamnese en lichamelijk onderzoek. Zij behandelden frequenter met urotherapie (97,2% vs. 75,0%, p < 0,001) en laxantia (35,4% vs. 19,6%, p = 0,025). Kinderartsen verwezen 38 kinderen naar de uroloog, de uroloog verwees 2 kinderen naar de kinderarts. De urologie zag oudere kinderen dan de kindergeneeskunde (mediaan 9 jaar (range 6–12) vs. 6 jaar (range 5–8); p < 0,001), zette vaker (invasieve) diagnostiek in en schreef vaker medicatie voor (76,8% vs. 19,9%; p < 0,001).

Conclusies

De diagnostische en therapeutische benadering van kinderen met UI overdag verschilt op vele vlakken aanzienlijk tussen kinderartsen en urologen die werkzaam zijn in hetzelfde ziekenhuis.

27. Een nieuwe bron van biomarkers voor renaalcelcarcinoom (RCC): optimalisatie van methoden om tumorspecifieke extracellulaire vesicles (EV) te verkrijgen

R.C. Zieren, L. Dong, P.M. Pierorazio, Th.M. de Reijke en K.J. Pienta

Johns Hopkins Hospital, Baltimore, Verenigde Staten

Introductie

Extracellulaire vesicles (EV’s) zijn membraneuze deeltjes die door ieder celtype van elk organisme kunnen worden gesecerneerd naar alle biovloeistoffen, zoals plasma en urine. De membraan helpt de lading, het DNA, RNA of eiwit te beschermen. Deze eigenschappen maken EV’s een vorm van intercellulaire communicatie, die niet alleen paracrien, maar ook endocrien kan functioneren. Vergeleken met normale cellen produceren kankercellen meer EV’s en er zijn aanwijzingen dat ze een voorbereidende rol hebben in metastasering. EV’s kunnen daarnaast ook als bron voor non-invasieve biomarkers gebruikt worden. In dit jonge onderzoeksveld wordt vaak gezocht naar biomarkers voor kanker in bloed of urine. Omdat alle cellen echter bijdragen aan de EV-populaties, zijn de biomarkers die worden gevonden niet altijd afkomstig van de tumor. Onze strategie is een methode te ontwikkelen om EV direct te isoleren van niertumorweefsel.

Materiaal en methoden

Vier patiënten ondergingen een radicale nefrectomie, waarna bij de pathologie gepaard weefsel (tumor en ‘gezonde’ nier) werd verkregen. De weefsels werden in stukken van 2–3mm gesneden en vervolgens in een cel-voedingsmedium geplaatst. Vervolgens werden uit het medium EV’s geïsoleerd middels differentiële centrifugatie, ultrafiltratie en ultracentrifugatie. De aanwezigheid van membraneuze vesicles werd beoordeeld met transmissie-elektronenmicroscopie (TEM). De expressie van EV-proteïnen (CD81 en Flot-1) werd geanalyseerd middels Western-blots. Deeltjesgrootte werd berekend met behulp van nanoparticle tracking analysis (NTA).

Resultaten

RCC- en normaal nierweefsel werden gebruikt om de media te conditioneren. Na de EV-isolatie lieten TEM-beelden membraneuze deeltjes zien met de typische EV-vorm. De EV’s bevatten CD81 en Flot-1. NTA wijst uit dat de verdeling van de grootte overeenkomt met kleine extracellulaire vesicles.

Conclusie

Met ons protocol hebben we succesvol extracellulaire vesicles direct uit weefsel geïsoleerd. Dit biedt mogelijkheden om tumorspecifieke vesicles te bestuderen en het biedt een startpunt om non-invasieve biomarkers te ontdekken.

28. CHEMOradiatie bij het spierinvasieve blaascarcinoom: de eerste resultaten van een gebruiksvriendelijk schema met capecitabinetabletten

C.S. Voskuilen, M.W. van de Kamp, N. Schuring, L.S. Mertens, A. Noordzij, F. Pos, M.S. van der Heijden, B.W.G. van Rhijn en E.E. Schaake

Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam

Introductie

Voor geselecteerde patiënten met spierinvasief blaascarcinoom (MIBC) is chemoradiatie (CRT) een orgaansparend alternatief voor cystectomie. Als ‘radiosensitizing’ chemotherapie heeft mitomycine (MMC) met 5-fluoruracil (5-FU) i.v. in een gerandomiseerde trial winst laten zien ten opzichte van RT alleen. In ons centrum wordt 5-FU sinds 2014 vervangen door capecitabinetabletten, waardoor patiënten niet meer op de dagbehandeling worden opgenomen. Capecitabine is bewezen effectief bij CRT voor andere maligniteiten, maar is niet eerder onderzocht bij MIBC. Wij analyseerden de resultaten van CRT met MMC/capecitabine bij MIBC.

Materiaal en methoden

Alle patiënten die tussen 2014 en 2019 CRT met capecitabine (fig. 28.1) ondergingen wegens cT2-4aN0-2M0 MIBC werden geanalyseerd. Acute (< 90 dagen) en late toxiciteit werden gescoord volgens de CTCAE v4.0, Primaire oncologische uitkomstmaten waren complete respons (CR) in de blaas bij cystoscopie na drie maanden follow-up, lokaal ziektevrije overleving (LDFS) en het aantal salvage cystectomieën.
Figuur 28.1

Schematische weergave van het oude CRT-protocol (eenmalig MMC i.v. en 10x 5-FU i.v.) en het nieuwe CRT-protocol (eenmalig MMC i.v. en dagelijks capecitabine oraal)

Resultaten

We identificeerden 71 patiënten (mediane leeftijd 70 jaar). Bij 21 (30%) patiënten werd CRT voorafgegaan door neoadjuvante chemotherapie en 14 (20%) patiënten ondergingen een pelviene lymfeklierdissectie. Alle patiënten voltooiden de RT; bij 7 (10%) patiënten werd capecitabine voortijdig gestaakt vanwege bijwerkingen. Acute en late toxiciteit graad 3–4 kwam voor bij respectievelijk 7 (10%) en 2 (3%) patiënten. Er was sprake van een klinische CR bij cystoscopie bij 68 (96%) patiënten. Acht (11%) patiënten kregen een blaasrecidief, waarvan er 3 (4%) salvage cystectomie ondergingen. De 2-jaars-LDFS was 84% (95%-BI = 69–90) bij een mediane follow-up van 19 maanden (95%-BI = 12-24).

Conclusie

Chemoradiatie met eenmalig MMC en capecitabinetabletten is een goed te verdragen blaassparende behandeling. Ernstige toxiciteit is zeldzaam en locoregionale tumorcontrole en ziektevrije overleving zijn veelbelovend. Als deze resultaten bij langere follow-up vergelijkbaar blijven, zou een vergelijkende studie met verschillende CRT-schema’s kunnen volgen.

29. Laparoscopische cryoablatie voor cT1-niercelcarcinomen: resultaten op middellange termijn

.E. van der West, M.M.E.L. Henderickx, H.P. Beerlage, P.J. Zondervan en B.W. Lagerveld Amsterdam Universitaire Medische Centra, locatie AMC, Amsterdam

Introductie

Volgens de huidige Europese richtlijnen is focale ablatieve therapie voor cT1-niertumoren bij oudere en/of meer comorbide patiënten een goede behandeloptie. Het doel van deze retrospectieve studie is de functionele en oncologische uitkomsten van laparoscopische cryo-ablatie voor cT1-niertumoren op de middellange termijn te evalueren.

Materiaal en methoden

Er werd een retrospectieve evaluatie uitgevoerd van een prospectief bijgehouden database. Tussen 2004 en 2015 werden in één centrum 99 opeenvolgende laparoscopische cryoablaties verricht bij 92 patiënten. Enkel patiënten met vijf jaar follow-up werden geïncludeerd. Er werden data verzameld over de patiënt- en tumorkarakteristieken, de perioperatieve gegevens en de follow-up. De oncologische uitkomsten werden geanalyseerd middels een Kaplan-Meier-curve.

Resultaten

75 patiënten werden geïncludeerd, 73,3% mannen en 26,7% vrouwen. De gemiddelde leeftijd en het BMI waren respectievelijk 67,91 (24–86) jaar en 25,97 (19,42–37,20). De gemiddelde maximale diameter van de tumor was 25,21 (1045) mm. 52% bevond zich links en 48% rechts. Er werden gemiddeld 4,43 (1–8) naalden per procedure gebruikt. De gemiddelde operatietijd bedroeg 203,92 (125–362) min. Er was een postoperatieve kreatininestijging van 13,91% na drie maanden en 4,67% na vijf jaar. Bij 12% van de procedures was er sprake van een complicatie, waarvan een majeure (Clavien–Dindo ≥ 3) in 3% van de gevallen. De gemiddelde follow-up was 50,36 (1-60) maanden. Er werd geen persisterende tumor geobjectiveerd na drie maanden. In 3% van de gevallen werd tijdens de follow-up een lokaal recidief aangetoond. 23% van de patiënten overleed tijdens de vijf jaar follow-up, maar dit overlijden was niet gerelateerd aan nierkanker. 8% ontwikkelde een metachrone niertumor. De recidiefvrije overleving, de ziektevrije overleving en overleving worden weergeven in fig. 29.1.
Figuur 29.1

Kaplan-Meier-curves bij follow-up van vijf jaar (n = 75). a Recidiefvrije overleving. b Ziektevrije overleving. c Overleving.

Conclusie

Laparoscopische cryoablatie heeft goede oncologische en functionele uitkomsten op middellange termijn. Uit de resultaten blijkt dat deze ablatieve techniek een goed therapeutisch alternatief is voor T1-niertumoren bij geselecteerde patiënten.

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V. 2019

Authors and Affiliations

  1. 1.UroloogRadboudumcNijmegenNederland

Personalised recommendations