Nadere motivering vereist voor afwijzing ophoging AMS-component in ziekenhuisbudget
- 56 Downloads
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven deed op 22 december 2011, onder nummer AWB 09/728 uitspraak in een geschil tussen een ziekenhuis en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Ter beoordeling stond de vraag of de NZa het extra bedrag dat het ziekenhuis en verzekeraars waren overeengekomen – de artsenpot of zorgvernieuwingspot – op een juiste wijze in het budget van het ziekenhuis had verwerkt. Het College volgde het ziekenhuis niet in haar betoog dat voor toekenning van de AMS-component (Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten) uitsluitend de formatie en niet de wijze waarop de verruiming van het loonkostenbudget daadwerkelijk is besteed bepalend is. Op grond van het door de NZa te hanteren toetsingskader waren voor de vaststelling van het loonkostenbudget tot 1 januari 2001 de daadwerkelijke loonkosten bepalend en kunnen andere uitgaven niet onder de noemer loonkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Ook onderschreef het College het door de NZa gehanteerde uitgangspunt dat op grond van de op 1 januari 2001 in werking getreden beleidsregel medisch specialisten in dienstverband (I-492) ter zake van de loonkosten het normbedrag vermenigvuldigd met het aantal fte (fulltime equivalenten) geldt. Het ziekenhuis kon in aanvulling daarop slechts aanspraak maken op een AMS-component indien haar feitelijke loonuitgaven per ultimo 2000 hoger waren dan het bedrag van voormelde vermenigvuldiging. Dit bracht mee dat andere dan loonuitgaven voor de berekening van de AMScomponent niet van belang zijn. De NZa had zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat zij voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar genoodzaakt was onderzoek te verrichten naar de feitelijke besteding van de tussen het ziekenhuis en de ziektekostenverzekeraars aangeduide ‘artsenpot’, ook wel ‘zorgvernieuwingspot’ genoemd en zag geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de NZa een onjuiste toepassing had gegeven aan het door haar gehanteerde toetsingskader.
Een redelijke uitleg van het door de NZa gehanteerde toetsingskader bracht mee dat op grond daarvan alleen kosten als loonkosten van medisch specialisten in het budget kunnen worden opgenomen, indien deze rechtens mochten worden gemaakt, zodat er geen aanknopingspunt was voor het oordeel dat de NZa aan dit toetsingskader een onjuiste toepassing had gegeven bij verwerking van de post ‘uitbreiding aantal specialisteneenheden’. Nu het ziekenhuis in de periode dat er een bevriezing gold voor bepaalde specialisteneenheden, was overgegaan tot een uitbreiding had de NZa terecht beslist dat die situatie voor het jaar 1999 voor rekening en risico van het ziekenhuis moest blijven. Aangezien echter zonder duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel moest worden aangenomen dat de instemming met deze uitbreiding van de ziektekostenverzekeraars tevens betrekking heeft op het budgetjaar 2000, achtte het College het zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom de met de uitbreiding gemoeide kosten ook in dat jaar niet bij de vaststelling van het budget voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. In zoverre berustte het besluit niet op een deugdelijke motivering. Uit de vaststellingsovereenkomst die geen expliciete bepalingen over de looptijd van de AMS-component bevat, had de NZa niet kunnen afleiden dat er geen overeenstemming bestond over een doorloop langer dan tot en met 2006. Op voorhand viel niet uit te sluiten dat voor het ziekenhuis een doorloop die aansluit bij de geldigheidsduur van de beleidsregel gerechtvaardigd kan zijn. In zoverre berustte het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De NZa diende de gebreken in de motivering te herstellen.
Bron: LJN: BV1292