Samenvatting
In de huisartsenpraktijk is sectie geen belangrijk onderwerp, tótdat de huisarts met een plotselinge dood geconfronteerd wordt die vragen oproept over de doodsoorzaak. Een verwijzing voor obductie is van betekenis voor huisarts en nabestaanden. Het vaststellen van de doodsoorzaak geeft zekerheid en duidelijkheid voor de rouw. Met name ten aanzien van genetische oorzaken bij het overlijden zijn antwoorden (en behandelingen) mogelijk, vooral in de cardiologie.
Het niet-vergoeden van vervoer en obductie zelf worden als een struikelblok ervaren.
Keywords
sectie rouwverwerking doodsoorzaak schuldgevoelensLiteratuur
- 1.Oppewal F, Meyboom-de Jong B. Overwegingen van huisartsen bij het niet aanvragen van obductie; een verslag van drie focusgroepen. Ned Tijdschr Geneeskd 2003;147:1315-8.Google Scholar
- 2.Eulderink F. Huisarts en patholoog-anatoom. Ned Tijdschr Geneeskd 1978;122:657-61.Google Scholar
- 3.Wiersma T, Cappers W. Zorg voor het lijk of voor de nabestaanden? Medisch Contact 2000;55:738-42.Google Scholar
- 4.Wiesfeld ACP, Berg MP van den, Tintelen JP van, Veldhuizen DJ van. Cardiogenetica: Het belang van identificatie van patië nten met een genetische hartaandoening. Ned Tijdschr Geneeskd 2007;151:627-9.Google Scholar
- 5.Lipsky MS. Autopsy: Role of the family physician. Am Fam Physician 1993;47:1605-9.Google Scholar
- 6.Oppewal F. Obductie als laatste verwijzing in de huisartspraktijk: Aspecten van doodsoorzaken [dissertatie]. Groningen: Rijksuniversiteit, 2005. Het volledige protocol kan bij de auteur opgevraagd worden.Google Scholar
- 7.Wilde AAM, Langen JM van, Mannens MMAM, Waalewijn RA, Maes A. Plotseling overlijden op jonge leeftijd en het belang van moleculair-pathologisch onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1601-4.Google Scholar
- 8.Harst P van der, Wiesfeld ACP, Gelder IC van, Tintelen JP van, Suurmeijer AJH, Veldhuizen DJ van. Aritmogene rechterventrikel-cardiomyopathie: Verschillende uitingen als voorbode van mogelijk te voorkomen plotse hartdood. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2396-402.Google Scholar
- 9.Ingen G van, Meijer CJLM. Obducties voor huisartsen en voor klinisch werkende specialisten: De indicaties onderzocht. Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:767-70.Google Scholar
- 10.Lundberg GD, Voigt GE. Reliability of a presumptive diagnosis in Sudden Unexpected Death in Adults: The case for the autopsy. JAMA 1979;242:2328-30.Google Scholar
- 11.Thomas KB, Weller RO. General practitioners and necropsies. BMJ 1994;308:1054.PubMedGoogle Scholar
- 12.Oppewal F, Smedts F, Meyboom-de Jong B. Obductie als laatste verwijzing vanuit de huisartsenpraktijk. Huisarts Wet 2004;47:408-10.Google Scholar
- 13.Giard RWM, Tweel JG van den. De waarheid na de dood. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:2345-7.Google Scholar
- 14.Kirch W, Schafii C. Misdiagnosis at a university hospital in 4 medical eras. Medicine 1996;75:29-40.CrossRefPubMedGoogle Scholar
- 15.Westendorp RGJ. Dwalingen in de methodologie. VI. Doodsoorzaken in perspectief. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:1950-3.Google Scholar
- 16.Tweel JG van den. Obducties als kwaliteitsinstrument serieus nemen. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:2351-54.Google Scholar
- 17.Bremer GJ. Obducties in de eerstelijnsgezondheidszorg, verpleeghuizen en zwakzinnigeninrichtingen. Ned Tijdschr Geneeskd 1990;134:214-5.Google Scholar
- 18.Nooter J. Obductie op verzoek van de huisarts. Huisarts Wet 1983;26:9-10.Google Scholar
- 19.Martens ALJE. Kan de huisarts op kosten van de zorgverzekeraar een obductie aanvragen? Vademecum 2002;20(49).Google Scholar
- 20.Leeuwen M van. Terughoudendheid in obductie. Het Uitvaartwezen 2006;(7):15-7.Google Scholar
- 21.Zwieten J van. Sparen voor de obductie. Medisch Contact 2006;61:1418-19.Google Scholar
Copyright information
© Bohn Stafleu van Loghum 2008