Advertisement

Kind en adolescent

, 25:128 | Cite as

Problemen met emoties en gedrag bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen

  • Mariëlle C. DekkerEmail author
  • Hans M. Koot
Artikelen
  • 642 Downloads

Samenvatting

Uit representatief onderzoek bij ruim 1000 jeugdigen met verstandelijke beperkingen blijkt dat de Vragenlijst over Ontwikkeling en Gedrag (vog) een betrouwbaar en valide instrument is voor de vaststelling van gedragsproblemen bij deze groep. Bijna de helft van de jeugdigen met verstandelijke beperkingen blijkt ernstige gedragsproblemen te hebben, hetgeen drie tot vier keer vaker is dan bij jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen het geval is. Vooral sociale problemen, aandachtsproblemen en agressief gedrag komen vaker voor en bij een aantal gedragsproblemen is er een relatie met het schoolniveau van het kind. Deze resultaten benadrukken het belang van het op gestandaardiseerde wijze vaststellen van deze problematiek binnen de jeugdzorg.

Tot nu toe beschikten we over beperkte instrumenten om problemen met emoties en gedrag bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen vast te stellen en was er weinig bekend over de psychometrische kwaliteiten van deze instrumenten. Daarnaast waren er weinig betrouwbare schattingen van de prevalentie van emotionele problemen en gedragsproblemen bij deze groep in vergelijking met jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen. In het huidige onderzoek hebben we deze lacunes proberen op te vullen.

Emotionele problemen en gedragsproblemen kunnen extra belemmeringen opleveren met betrekking tot het schoolse leren, het sociale functioneren, de latere persoonlijke onafhankelijkheid van het kind en het functioneren van de rest van het gezin. Een goede onderkenning van mogelijke problemen met emoties en gedrag is daarom een eerste vereiste. Jeugdigen met verstandelijke beperkingen laten vaker bepaalde gedragingen zien die relatief weinig voorkomen bij jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen, zoals stereotiepe gedragingen, zelfverwondend gedrag, en communicatieproblemen. Tegelijkertijd veronderstellen bepaalde gedragingen die bij zich typisch ontwikkelende jeugdigen voorkomen een bepaald cognitief ontwikkelingsniveau dat vaak niet of later door jeugdigen met verstandelijke beperkingen bereikt wordt. Hierbij kan gedacht worden aan problemen die een bepaalde zelfreflectie veronderstellen, zoals bijvoorbeeld het hebben van minderwaardigheidsgevoelens en het gevoel hebben perfect te moeten zijn (Einfeld & Tonge, 2002). Vandaar dat het belangrijk is dat problemen met emoties en gedrag op een betrouwbare en valide manier worden vastgesteld met behulp van een op de doelgroep toegespitst instrument.

Tot nu toe waren er in Nederland geen instrumenten beschikbaar die specifiek ontwikkeld waren voor het vaststellen van een breed scala van gedragsproblemen bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen. Ook internationaal is de ontwikkeling van instrumenten op dit gebied van vrij recente datum (Wallander, Dekker, & Koot, 2003). Van de reeds ontwikkelde instrumenten bleek de Developmental Behaviour Checklist (dbc; Einfeld & Tonge, 2002) de meest veelbelovende psychometrische kwaliteiten te bezitten. Het eerste doel van het huidige onderzoek was om de in het Nederlands vertaalde dbc (de Vragenlijst over Ontwikkeling en Gedrag: de vog) op betrouwbaarheid en validiteit te onderzoeken.

Bruikbare epidemiologische gegevens over de prevalentie van probleemgedrag bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen in vergelijking met zich verstandelijk normaal ontwikkelende jeugdigen zijn tot nu toe ook beperkt, terwijl op grond van theoretische overwegen een verhoogde kwetsbaarheid voor psychopathologie bij verstandelijke beperkingen verwacht kan worden (Matson & Sevin, 1994). Dit komt onder andere doordat in onderzoek beperkt gebruik gemaakt wordt van gestandaardiseerde instrumenten en representatieve steekproeven. De prevalentieschattingen van probleemgedrag variëren daarom van 4% tot ongeveer 65% (Wallander e.a., 2003). Verder is tot nu toe in slechts drie onderzoeken aangetoond dat jeugdigen met verstandelijke beperkingen in vergelijking met jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen een drie tot zeven keer verhoogd risico hebben op probleemgedrag (Wallander e.a., 2003). Helaas ontbreekt het binnen deze onderzoeken aan details over welke specifieke problemen nu vooral een verhoogde prevalentie laten zien en maakt men gebruik van relatief kleine steekproeven. Een tweede onderzoeksdoel was om verschillen in het voorkomen van probleemgedrag tussen jeugdigen met en zonder verstandelijke beperkingen te bestuderen.

Als laatste is er nog weinig bekend over het verband tussen de aard en mate van probleemgedrag en het niveau van intellectueel functioneren. Het lijkt erop dat depressieve klachten, angsten en antisociaal gedrag vaker voorkomen bij jeugdigen die een relatief hoger niveau van intellectueel functioneren hebben, en dat psychotische problemen, in zichzelf gekeerd gedrag en autistiform gedrag meer gezien worden bij jeugdigen met lagere niveaus van intellectueel functioneren (Cormack, Brown, & Hastings, 2000; Einfeld & Tonge, 1996). In dit onderzoek zijn we daarom de relatie tussen het schoolniveau van het kind en het probleemgedrag nagegaan.

Methode

Onderzoeksgroep

In de zomer van 1997 hebben we een willekeurige steekproef getrokken van 20% van alle zes- tot achttienjarige thuiswonende leerlingen uit het onderwijs voor (zeer) moeilijk lerende kinderen ((z)mlk-onderwijs; respons scholen 87,1%) en kinderdagcentra voor jeugdigen met verstandelijk beperkingen (kdc’s; respons 95,8%) in de provincie Zuid-Holland.

De scholen en kdc’s stuurden de ouders van 1747 willekeurig geselecteerde jeugdigen een brief met de vraag of een medewerker van het onderzoek ze mocht opbellen; 1497 ouders stemden hiermee in. De ouders van 250 jeugdigen reageerden niet op deze brief en de ouders van 188 jeugdigen weigerden expliciet hun medewerking aan het onderzoek. Verder zijn 229 jeugdigen buiten het onderzoek gelaten: 145 jeugdigen vanwege ernstige taalproblemen van de ouders en 84 jeugdigen omdat ze op het moment dat de dataverzameling begon buiten de leeftijdgrens vielen, de school inmiddels hadden verlaten of omdat ze niet langer thuis woonden. Uiteindelijk beantwoordden 1059 ouders zowel schriftelijke als mondelinge vragen over de mate van gedragsproblemen van hun kind (respons 69,8%).

De onderzoeksgroep bestond voor 60% uit jongens, de gemiddelde leeftijd was 11,6 jaar (standaarddeviatie (sd) = 3,1), en 64,3% volgde mlk-onderwijs, 28,5% volgde zmlk-onderwijs, en 7,3% bezocht een kdc. Ruim de helft van de jeugdigen kwamen uit een gezin met een lage sociaal-economische status (werkloos of werk op maximaal lbo-niveau). Daarnaast werden willekeurig geselecteerde steekproeven getrokken voor de bepaling van de test-hertestbetrouwbaarheid (n = 88) en de overeenstemming tussen ouders (n = 96) op de vog.

Met toestemming van de ouders werd tevens de leerkracht/groepsleider gevraagd om informatie te geven over de mate van gedragsproblemen van het kind. In totaal werden 940 van de 1134 verstuurde leerkrachtvragenlijsten ingevuld teruggestuurd (respons 82,9%).

Ongeveer een jaar later werd een willekeurige steekproef van 58% van de ouders van (z)mlk-leerlingen nogmaals benaderd. In deze fase werd ouders wederom gevraagd om dezelfde gedragsvragenlijsten in te vullen. Daarnaast werd ook een gestructureerd dsm-iv-interview afgenomen. Elf families vielen buiten het onderzoek omdat de taalproblemen te groot waren voor het complexere interview of omdat het kind niet langer thuiswonend was. Elf ouders konden niet bereikt worden, 53 weigerden voor een tweede keer mee te doen en 8 wilden alleen schriftelijk meewerken. Uiteindelijk werkten 474 ouders mee aan deze tweede meting (respons 86,8%).

Als vergelijkingsgroep is er gebruik gemaakt van een algemene bevolkingssteekproef van vier- tot achttienjarigen met de Nederlandse nationaliteit die in 1993 via een gestratificeerde willekeurige steekproef waren geselecteerd en die geen verstandelijke beperkingen hadden (Verhulst, Van der Ende, & Koot, 1996,1997). Van de 2709 geselecteerde jeugdigen, werkten 2227 ouders mee (respons 82,2%). Daarnaast gaven leerkrachten voor 1720 jeugdigen ook informatie (respons 76,3%). Voor het huidige onderzoek zijn uit deze steekproef alleen zes- tot achttienjarigen die regulier onderwijs volgden als vergelijkingsgroep genomen (1855 ouderlijsten en 1417 leerkrachtlijsten).

Meetinstrumenten

Probleemgedrag

De Vragenlijst over Ontwikkeling en Gedrag (vog) is in Australië ontwikkeld door Einfeld en Tonge (2002) en is bedoeld om op gestandaardiseerde wijze informatie te verkrijgen over een breed scala van emotionele problemen en gedragsproblemen bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen in de afgelopen zes maanden. De vog-o (ouderversie) bevat 96 vragen en de vog-l (leerkrachtversie) 94 vragen die in ongeveer vijftien minuten beantwoord kunnen worden.

In de vog staan gedragsproblemen die ook regelmatig gezien worden bij jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen, zoals bijvoorbeeld (ingekort): ongelukkig, slechte concentratie, driftbuien, impulsief, en steelt. Daarnaast omvat de vog ook probleemgedragingen die meer specifiek zijn voor jeugdigen met verstandelijke beperkingen, zoals bijvoorbeeld (ingekort): houdt vast aan vaste volgorde, hoofdbonzen, grimassen of trekkingen in het gezicht, steeds aanraken van voorwerpen, echolalie, en trekt kleren uit. De vijf gereviseerde, goed interpreteerbare en klinisch relevante vog-schalen, verkregen op basis van gegevens uit een grote (n = 1536) steekproef van zowel Australische als Nederlandse jeugdigen met verstandelijke beperkingen, zijn: ‘Storend en Anti-Sociaal’ (o.a. grof of vloekt, liegt, steelt), ‘In Zichzelf Gekeerd’ (o.a. eet oneetbare dingen, stopt dingen in mond), ‘Communicatie Stoornissen’ (o.a. echolalie, praat in zichzelf), ‘Angst’ (o.a. te overstuur bij scheiding, huilt snel zonder reden), en ‘Sociale Beperkingen’ (o.a. toont geen genegenheid, ongelukkig) (Dekker, Nunn, Einfeld, Tonge, & Koot, 2002). De psychometrische eigenschappen van deze schalen bleken in Australië veelbelovend te zijn (Einfeld & Tonge, 2002).

De Child Behavior Checklist (cbcl) en de Teacher's Report Form (trf) zijn in de Verenigde Staten ontwikkelde vragenlijsten die geschikt zijn om op gestandaardiseerde wijze informatie over de competentie, emotionele problemen en gedragsproblemen van jeugdigen te verkrijgen (Achenbach, 1991a, 1991b). Deze vragenlijsten zijn al geruime tijd geleden in het Nederlands vertaald en blijken een goede betrouwbaarheid en validiteit te hebben voor jeugdigen uit de algemene bevolking (Verhulst e.a., 1996,1997).

De cbcl en trf omvatten een Totale Problemenschaal, een Internaliserende en Externaliserende schaal en acht syndroomschalen (zie tabel 2).

De interne consistentie van en de correlatie tussen de cbcl- en trf-schalen in het huidige onderzoek waren over het algemeen vergelijkbaar met die uit algemeen bevolkingsonderzoek (Dekker, Koot, Van der Ende, & Verhulst, 2002).

In dit onderzoek werden ruwe schaalscores gebruikt en werd voor elk kind bepaald of de scores minimaal in het grensgebied lagen (T = 67 voor de probleemschalen en T = 60 voor de schalen Internaliseren, Externaliseren, en de Totale Probleemscore).

Psychiatrische stoornissen

Met behulp van de Nederlandse vertaling (Ferdinand, Van der Ende, & Mesman, 1998) van de Diagnostic Interview Schedule for Children-Parent version (disc-iv-p; Shaffer, Fisher, Lucas, Dulcan, & Schwab-Stone, 2000) is de aanwezigheid van psychiatrische stoornissen bij het kind volgens dsm-iv-criteria vastgesteld (American Psychiatric Association, 1994). Dit gestructureerde interview kan door getrainde interviewers zonder klinische ervaring bij de ouders van het kind worden afgenomen. In dit onderzoek hebben we ons gericht op drie dsm-iv-hoofdgroepen, namelijk Angststoornissen, Stemmingsstoornissen, en Gedragsstoornissen (inclusief Aandachtstekort/Hyperactiviteitstoornis en Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis).

Aanvullend is met behulp van de Columbia Impairment Scale (cis) via de ouders gevraagd in hoeverre het kind zelf last had van zijn of haar psychische problemen en in hoeverre dit problemen gaf thuis, op school, of in de vrije tijd (Bird e.a., 1996). Van ernstige beperkingen in het dagelijkse functioneren is sprake als een kind een ruwe score heeft van kleiner of gelijk aan 16.

Professionele hulp

Aan de ouders is gevraagd in hoeverre ze ooit professionele hulp hebben ontvangen in verband met de emotionele problemen of gedragsproblemen van hun kind.

Adaptief functioneren

Met behulp van de 45 items tellende Vineland Screener, een verkorte versie van de Vineland Adaptive Behavior Scales (vabs), is het functioneren van het kind op het gebied van Communicatie, Dagelijkse Vaardigheden en Socialisatie in vergelijking met leeftijdgenoten vastgesteld (Sparrow, Balla, & Cicchetti, 1984). De ruwe scores van de Vineland Screener correleren hoog (r = 0,92-0,95) met de vabs (Sparrow, Carter, & Cicchetti, geen jaartal).

Niveau van schools functioneren

Jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen uit het reguliere onderwijs, en jeugdigen met verstandelijke beperkingen op mlk-niveau (IQ ± 60-80), zmlk-niveau (IQ ± 30-60), en kdc-niveau (IQ ± < 50 plus veelal additionele lichamelijke beperkingen) zijn met elkaar vergeleken.

Resultaten

Betrouwbaarheid en validiteit van de vog

De betrouwbaarheid van de vog was over het algemeen voldoende tot goed (zie tabel 1), hetgeen bleek uit de interne consistentie (gemiddelde Cronbachs alfa voor de schalen van de vog-o/vog-l was 0,78/0,79) en de test-hertestbetrouwbaarheid van de vog-o (gemiddelde tijdsinterval: 17 dagen; gemiddelde Intra Class Correlatie-coëfficiënt (icc) = 0,84) en de vog-l (gemiddelde tijdsinterval: 19 dagen; gemiddelde icc = 0,79). Verder bleek de overeenstemming tussen ouders redelijk te zijn (gemiddelde tijdsinterval: 11 dagen; gemiddelde icc = 0,61). De éénjaars stabiliteit van de vog-o-schalen was hoog (gemiddelde Pearson-correlatie r = 0,70).
Tabel 1.

Cronbachs alfa, test-hertestbetrouwbaarheid voor de vog-o/vog-l schalen, de overeenstemming tussen ouders en de éénjaars stabiliteit van de vog-o-schalen.

  

vog-o

  

vog-l

vog-schalen

Cronbachs a (n = 1057)

Test-hertest icc (99% ci) (n = 88)

Tussen-ouder overeenstemming icc (99% ci) (n = 80)

Eénjaars stabiliteita (n = 474)

 

Cronbachs a (n = 930)

Test-hertest icc (99% ci) (n = 69)

Storend en Anti-Sociaal

0,91

0,85 (0,75-0,91)

0,64 (0,43-0,78)

0,74

 

0,91

0,87 (0,76-0,93)

In Zichzelf Gekeerd

0,88

0,86 (0,77-0,92)

0,67 (0,47-0,80)

0,75

 

0,88

0,91 (0,83-0,95)

Communicatie Stoornissen

0,74

0,82 (0,71-0,90)

0,57 (0,34-0,73)

0,67

 

0,74

0,73 (0,54-0,84)

Angst

0,66

0,89 (0,82-0,94)

0,52 (0,28-0,70)

0,66

 

0,67

0,69 (0,48-0,82)

Sociale Beperkingen

0,72

0,76 (0,62-0,86)

0,65 (0,45-0,79)

0,67

 

0,75

0,75 (0,57-0,86)

Totale Problemen

0,95

0,86 (0,77-0,92)

0,55 (0,31-0,72)

0,75

 

0,94

0,85 (0,74-0,92)

icc = Intra Class Correlatie-coëfficiënt; alle icc-coëfficiënten p < 0,001; aalle Pearson-correlaties p < 0,001.

De convergente validiteit bleek uit de significante correlaties tussen corresponderende ouder- en leerkrachtschalen van de vog die hoger waren dan de correlaties tussen niet-corresponderende schalen van beide informanten. Er werd echter wel een hoge informantvariantie gevonden (verschillende schalen beoordeeld door dezelfde informant correleren onderling hoger dan gelijke schalen beoordeeld door verschillende informanten). Een ondersteuning van de convergente validiteit werd ook gezocht door vog-o-schalen te correleren met corresponderende cbcl-schalen (n = 1040) en de vog-l-schalen met trf-schalen (n = 850). De Totale Probleemschalen van de vog-o/vog-l en de cbcl/trf bleken hoog samen te hangen (r = 0,85/r = 0,85). De schaal Storend en Anti-Sociaal bleek hoog samen te hangen met de schaal Agressief Gedrag van de cbcl/trf (r = 0,85/r = 0,87), met de schaal Delinquent Gedrag (r = 0,62/r = 0,64), en met Aandachtsproblemen (r = 0,62/r = 0,60). Verder werd er een redelijke correlatie gevonden tussen de Angstschaal van de vog-o/vog-l en de schaal Angstig/Depressief van de cbcl/trf (r = 0,51/r = 0,50). Als laatste bleek de schaal Sociale Beperkingen van de vog hoog samen te hangen met de schaal Teruggetrokken (r = 0,71/r = 0,73) en redelijk met de schaal Angstig/Depressief (r = 0,47/r = 0,43) van de cbcl/trf.

Vervolgens onderzochten we de divergente validiteit door de relatie tussen de schalen van de vog en de mate van adaptief functioneren zoals gemeten met de Vineland Screener te bekijken. We verwachtten een samenhang, maar lager dan die tussen de vog-o/vog-l en de cbcl/trf-schalen. De vog-schalen Storend- en Anti-Sociaal en Angst bleken relatief onafhankelijk van het niveau van adaptief functioneren van het kind. Relatief lage correlaties werden gevonden tussen deze schalen en de scores op de Vineland-domeinen variërend van niet-significant tot -0,25. De overige vog-schalen vertoonden over het algemeen een hogere correlatie met de drie Vineland-domeinen, variërend van -0,20 tot -0,41.

Tevens zijn twee aspecten van criteriumvaliditeit onderzocht. Daartoe werden als eerste de vog-scores van jeugdigen die ooit gebruik hadden gemaakt van de professionele hulpverlening in verband met probleemgedrag (vog-o: n = 470, vog-l: n = 388) vergeleken met die van jeugdigen die nog nooit hulp hadden ontvangen (vog-o: n = 587, vog-l: n = 481). Variantieanalyse, waarbij gecorrigeerd werd voor leeftijd, geslacht en sociaal-economische status (ses), liet zien dat jeugdigen die ooit hulp hadden gehad een significant hogere gemiddelde score op de Totale Problemenschaal van de vog-o (gemiddelde = 42,9; sd = 22,9) en de vog-l (gemiddelde = 27,5; sd = 19,4) hadden in vergelijking met jeugdigen die nooit hulp hadden gehad (vog-o: gemiddelde = 23,7; sd = 17,3; vog-l: gemiddelde = 17,2; sd = 15,2). Dit was ook het geval voor de vijf subschalen van de vog-o en de vog-l (Dekker, Nunn, & Koot, 2002). Ten tweede onderzochten we of voor jeugdigen die in het afgelopen jaar voldeden aan de dsm-iv-criteria voor een angststoornis, stemmingsstoornis, of een gedragsstoornis meer problemen met emoties en gedrag werden gerapporteerd door ouders dan voor jeugdigen die niet voldeden aan deze criteria. We voegden daar extra aan toe in hoeverre jeugdigen in hun dagelijkse functioneren werden belemmerd door hun problemen. Het bleek dat jeugdigen die voldeden aan de dsm-iv-criteria van één van de bovengenoemde stoornissen én er last van hadden in het dagelijkse functioneren, een significant hogere vog-o-score hadden (n = 72, gemiddelde = 53,4; sd = 21,2) dan jeugdigen die er geen last van ondervonden (n = 110, gemiddelde = 34,3; sd = 20,7), en dat jeugdigen die niet voldeden aan de dsm-iv-criteria significant het laagst scoorden (n = 278, gemiddelde = 18,6; sd = 13,8).

Jeugdigen met en zonder verstandelijke beperkingen vergeleken

Uit de vergelijking van cbcl/trf-scores van jeugdigen met en jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen (zie ook Dekker e.a., 2002) bleek dat voor de eerste groep de schaal Totale Problemen bijna een standaarddeviatie hoger lag. Jeugdigen met verstandelijke beperkingen hadden ook significant hogere scores op de overige cbcl/trf-schalen, met uitzondering van de cbcl-schaal Angstig/Depressief en de trf-schaal Lichamelijke Klachten waarop zmlk-leerlingen niet significant verschilden van jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen.

Vergeleken met jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen bleken mlk-leerlingen vaker in of boven het grensgebied te scoren van de cbcl/trf (zie tabel 2). Hetzelfde was het geval voor zmlk-leerlingen, met uitzondering van de schaal Lichamelijke Klachten van de trf. Kijkend naar het totale probleemgedrag, dan zien we dat bijna de helft van de (z)mlk-leerlingen afwijkend probleemgedrag vertoont en dat deze leerlingen een drie tot ruim vier keer hogere kans hebben om afwijkend probleemgedrag te vertonen dan jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen (zie ‘odds ratios’ in tabel 2).
Tabel 2.

Prevalentie (%) en ‘odds ratios’a van (z)mlk-leerlingen versus niet-verstandelijk beperkte jeugdigen (nvb) die in of boven het grensgebied van de cbcl/trf-schalen scoren.

 

cbcl

 

trf

Schalen

% mlk

% zmlk

% nvb

or (95% bi) mlk vs nvb

or (95% bi) zmlk vs nvb

 

% mlk

% zmlk

% nvb

or (95% bi) mlk vs nvb

or (95% bi) zmlk vs nvb

Teruggetrokken

17,5

22,3

5,4

3,4 (2,5-4,7)

4,8 (3,4-6,7)

 

9,2

12,9

5,2

1,5c(1,0-2,3)

2,7 (1,7-4,1)

Lichamelijke Klachten

12,0

8,3

5,0

2,4 (1,7-3,4)

1,7c(1,1-2,7)

 

10,4

5,2

4,5

2,2 (1,5-3,3)

1,1ns (0,6-2,1)

Angstig/Depressief

16,8

10,3

6,6

2,7 (2,0-3,6)

1,5c(1,0-2,3)

 

12,1

14,0

5,8

2,2 (1,6-3,2)

2,4 (1,6-3,6)

Sociale Problemen

35,5

51,7

5,1

12,0 (9,0-16,0)

20,0 (14,6-27,4)

 

18,2

13,3

6,1

3,2 (2,3-4,5)

2,1 (1,4-3,2)

Denkproblemen

8,8

12,3

3,8

2,3 (1,6-3,4)

3,3 (2,2-5,1)

 

12,1

23,4

5,7

2,4 (1,7-3,5)

4,8 (3,3-6,9)

Aandachtsproblemen

30,7

38,0

6,0

7,1 (5,4-9,3)

9,1 (6,7-12,4)

 

14,0

17,1

5,4

2,7 (1,9-3,9)

3,8 (2,5-5,7)

Delinquent Gedrag

18,0

11,0

5,5

3,5 (2,6-4,8)

2,0b(1,3-3,1)

 

13,2

8,4

4,9

2,5 (1,8-3,7)

1,8c(1,1-2,9)

Agressief Gedrag

21,0

19,7

5,2

4,5 (3,3-6,1)

4,2 (2,9-6,1)

 

17,2

19,2

5,7

3,1 (2,2-4,4)

3,7 (2,6-5,5)

Internaliseren

39,4

37,0

18,7

2,6 (2,1-3,1)

2,4 (1,8-3,1)

 

34,1

36,4

19,5

1,9 (1,5-2,5)

2,2 (1,7-2,9)

Externaliseren

38,8

37,0

16,8

2,9 (2,4-3,6)

2,8 (2,1-3,7)

 

39,3

37,8

18,1

2,7 (2,1-3,4)

2,7 (2,0-3,5)

Totale Problemen

48,1

51,3

18,0

3,8 (3,1-4,6)

4,5 (3,4-5,8)

 

44,9

48,3

19,0

3,2 (2,5-4,0)

4,0 (3,0-5,2)

aAlle odds ratios (or): p < 0,001, behalve bor: p < 0,01; cor: p < 0,05; nsniet significant bij p < 0,05; en de odds ratios (or) zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en ses; 95% bi= 95% betrouwbaarheidsinterval.

De grootste verschillen, uitgedrukt in ‘odds ratios’, met jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen werden gevonden voor de schalen Sociale Problemen, Aandachtsproblemen en Agressief Gedrag. Deze probleemgedragingen kwamen ook in absolute zin het vaakst voor.

De verhoogde prevalentie was gedeeltelijk te verklaren door het relatief vaker scoren (or > 3,0) op items waarbij een sterke overlap verwacht kan worden met het hebben van een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld op de items (ingekort): gedraagt zich te jong, moeite met leren, onhandig, en liever met jongere kinderen. Er werden echter ook veel op zichzelf staande afwijkende gedragingen vaker gezien, zoals bijvoorbeeld: in de war, wreed voor anderen, vernielt eigen spullen of die van anderen, liever alleen, zenuwachtige bewegingen, herhaalt handelingen, lege blik, en teruggetrokken.

Verschillen schools functioneren

Kleine tot redelijk grote significante (p < 0,05) verschillen in vog-scores (percentage verklaarde variantie (pvv) van 1%-18%) en kleine significante verschillen in cbcl/trf-scores (pvv < 2%) werden gevonden voor schools functioneren.

mlk- en zmlk-leerlingen lieten meer problemen zien op de schaal Storend en Anti-Sociaal (alleen vog-o) dan kdc-bezoekers, terwijl zmlk-leerlingen en vooral de kdc-groep meer problemen lieten zien op de overige schalen. Voor de vog-o Angstschaal werden geen schoolniveau-verschillen gevonden.

Verder hadden mlk-leerlingen meer problemen op de schalen Angstig/Depressief en Delinquent Gedrag dan zmlk-leerlingen (alleen trf), terwijl zmlk-leerlingen gemiddeld hoger scoorden dan mlk-leerlingen op de schalen Teruggetrokken, Denkproblemen, Sociale Problemen (alleen cbcl), en Aandachtsproblemen (alleen cbcl).

Discussie en conclusie

De vog omvat schalen die vrij consistent blijken terug te keren over verschillende empirisch ontwikkelde instrumenten voor verstandelijke beperkingen (Aman, 1991). Met behulp van onze grote en representatieve Nederlandse steekproef is gebleken dat de psychometrische kwaliteiten van de vog veelbelovend zijn. Een goede test-hertestbetrouwbaarheid werd voor zowel de ouder- als de leerkrachtversie van de vog gevonden. Een matige tot redelijke overeenstemming tussen ouders onderling en tussen ouders en leerkrachten werd gevonden, hetgeen overeenstemt met die van andere empirisch ontwikkelde instrumenten die gedragsproblemen vaststellen bij zowel jeugdigen met als zonder verstandelijke beperkingen (Achenbach, McConaughy, & Howell, 1987; Wallander e.a., 2003). De hoge éénjaars stabiliteit van de schaalscores van de vog-o is ook een gebruikelijke bevinding voor probleemgedragingen bij jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen, en suggereert een afwezigheid van extreme veranderingen in probleemgedrag (Tonge & Einfeld, 2000; Verhulst e.a., 1996). De constructvaliditeit van de vog was voldoende, alhoewel enigszins beperkt door de hoge informantvariantie. Ook dit is echter een gebruikelijke bevinding bij dit type instrumenten (Greenbaum, Decrick, Prange, & Friedman, 1994) en kan wellicht verklaard worden door ‘Halo’-effecten en door een hoge co-morbiditeit van probleemgedragingen.

De vog-schalen convergeerden met overeenkomstige schalen van de cbcl/trf en divergeerden voldoende met de schalen van de Vineland Screener. De vog-schalen lieten een goede criteriumgerelateerde validiteit zien, hetgeen bleek uit de significante verschillen in gemiddelden tussen al dan niet in verband met gedragsproblemen verwezen jeugdigen, en tussen jeugdigen die al dan niet voldoen aan de criteria voor een dsm-iv-diagnose.

Het gebruik van dit gestandaardiseerde, betrouwbare en valide instrument dat specifiek toegespitst is op jeugdigen met verstandelijke beperkingen wordt aangeraden voor de klinische praktijk om zo problemen met emoties en gedrag vast te stellen, te registreren, en om interventies te evalueren. Inmiddels is er een Nederlandse handleiding voor de vog beschikbaar (Koot & Dekker, 2001) met daarin de Nederlandse normen die gebaseerd zijn op zowel de huidige Zuid-Hollandse steekproef, alsook op de totale Friese populatie van (z)mlk- en kdc-jeugdigen.

Met behulp van de cbcl en trf is gekeken naar de (relatieve) prevalentie van een breed scala aan problemen met emoties en gedrag. Globaal gezien hadden drie tot vier keer zoveel jeugdigen met verstandelijke beperkingen gedragsproblemen als jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen. Ongeveer de helft van de jeugdigen met verstandelijke beperkingen bleek een score te krijgen die bij jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen zou leiden tot een advies voor verwijzing naar de professionele hulpverlening. Vertaald naar de Nederlandse situatie komt dit neer op ongeveer 25 000 jeugdigen in de leeftijd van zes tot achttien jaar. Het percentage jeugdigen met probleemgedrag komt overeen met resultaten uit eerdere onderzoeken (Emerson, 2003; Wallander e.a., 2003).

De (relatief) meest voorkomende problemen waren sociale problemen, aandachtsproblemen en agressief gedrag. Deze problemen dienen extra aandacht te krijgen binnen de jeugdzorg. Natuurlijk mag minder vaak voorkomend gedrag, zoals het eten van niet-eetbare dingen en suïcidale gedachten, hierdoor niet over het hoofd worden gezien. De verhoogde schaalscores die bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen werden gevonden reflecteerden verschillen tussen jeugdigen met en zonder verstandelijke beperkingen op een breed scala aan probleemgedragingen, waarvan de verhoogde score zeker niet in alle gevallen (uitsluitend) te verklaren was door de ontwikkelingsachterstand van deze jeugdigen. Het hoge relatieve risico van jeugdigen met verstandelijke beperkingen in vergelijking met jeugdigen zonder verstandelijke beperkingen op de schalen Sociale Problemen en Aandachtsproblemen, is waarschijnlijk enigszins een overschatting van werkelijk afwijkend probleemgedrag, doordat deze schalen enkele items bevatten die vrij veel overlap vertonen met meer algemene kenmerken van jeugdigen met verstandelijke beperkingen.

Deze bevindingen geven het belang aan van aparte normscores en afkappunten voor de cbcl/trf indien deze gebruikt worden bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen én de extra waarde van het gebruik van instrumenten specifiek ontwikkeld voor deze doelgroep, zoals de vog. Echter, op basis van de huidige onderzoeksgegevens over de predictieve validiteit van de vog versus de cbcl (Dekker & Koot, 2003) en op basis van voorlopige gegevens over de sensitiviteit en de specificiteit van de vog versus de cbcl om jeugdigen die wel of niet voldoen aan een dsm-iv-stoornis of om jeugdigen die wel of niet jeugd-ggz hulp ontvangen van elkaar te onderscheiden (op te vragen bij eerste auteur), valt geen uitspraak te doen over welke vragenlijst, vog of cbcl, het beste gebruikt kan worden. De keuze zal vooral gebaseerd moeten zijn op de inhoud van de probleemitems per vragenlijst. Vooral voor jeugdigen met matige of diepe verstandelijke beperkingen of bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen waarbij ook een vermoeden is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis omvat de vog meer relevante gedragsbeschrijvingen dan de cbcl.

Kleine tot redelijk grote verschillen in de mate van gedragsproblemen werden gevonden tussen mlk- en zmlk-leerlingen en jeugdigen die een kdc bezoeken. Er werden geen verschillen gevonden voor Totale Problemen, Internaliseren en Externaliseren, hetgeen het belang onderstreept van het gedifferentieerd kijken naar probleemgedragingen, ook bij deze populatie. Mlk-leerlingen hadden meer angstig/depressieve klachten, en vertoonden vaker delinquent en storend gedrag. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een deel van de gedragingen en emoties die bij deze schalen horen een bepaalde mate van zelfreflectie vereisen (o.a. zichzelf waardeloos voelen, het uiten van suïcidale gedachten) alsook een zekere mate van vrijheid van supervisie (o.a. vuurtje stoken, stelen), welke eerder bij mlk-leerlingen verwacht wordt. Jeugdigen met lagere niveaus van intellectueel functioneren lieten meer teruggetrokken en in zichzelf gekeerd gedrag zien, hadden meer sociale beperkingen, en problemen met denken, aandacht, en communiceren. In de Australische studie van Einfeld en Tonge (1996) waren de verschillen tussen jeugdigen met verstandelijke beperkingen minder uitgesproken dan in dit onderzoek. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat jeugdigen met lichte verstandelijke beperkingen in het Australische onderzoek ondervertegenwoordigd waren. De Nederlandse normen voor jeugdigen met verstandelijke beperkingen voor de vog-o/vog-l en de cbcl/trf differentiëren daarom, naast leeftijd en geslacht, naar schoolniveau.

Gegeven de problemen rondom de definitie van problemen met emoties en gedrag bij jeugdigen met verstandelijke beperkingen en de hoge prevalentie van probleemgedrag, wordt het gebruik van gestandaardiseerde, betrouwbare en valide instrumenten om de mate van probleemgedrag vast te stellen, vast te leggen en om interventies te evalueren aanbevolen. Voor jeugdigen met verstandelijke beperkingen blijkt de vog een goede kandidaat. Echter, ook de cbcl/trf zal met aangepaste normen goed bruikbaar zijn bij de jeugdigen met lichte, verstandelijke beperkingen. Meer onderzoek is nodig om vast te stellen voor welk niveau of soort probleemgedrag welke vragenlijst het meest optimaal is. Het nu lopende vervolgonderzoek op dit huidige onderzoek (vijf jaar later) zal hiervoor mogelijkerwijs empirische evidentie leveren.

Literatuur

  1. Achenbach, T. M. (1991a). Manual for the Child Behavior Checklist/4–18 and 1991 profiles. Burlington, vt: Department of Psychiatry, University of Vermont.Google Scholar
  2. Achenbach, T. M. (1991b). Manual for the Teacher's Report Form and 1991 profiles. Burlington, vt: Department of Psychiatry, University of Vermont.Google Scholar
  3. Achenbach, T. M., McConaughy, S. H., & Howell, C. T. (1987). Child/adolescent behavioral and emotional problems: implications of cross-informant correlations for situational specificity. Psychological Bulletin, 101, 213–232.CrossRefGoogle Scholar
  4. Aman, M. G. (1991). Review and evaluation of instruments for assessing emotional and behavioural disorders. Australia & New Zealand Journal of Developmental Disabilities, 17, 41–57.Google Scholar
  5. American Psychiatric Association (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed.). Washington, dc: American Psychiatric Association.Google Scholar
  6. Bird, H., Andrews, H., Schwab-Stone, M., Goodman, S., Dulcan, M., Richters, J., Rubio-Stipec, M., Moore, R., Chiang, P.-H., Hoven, C., Canino, G., Fisher, P., & Gould, M. (1996). Global measures of impairment for epidemiologic and clinical use with children and adolescents. International Journal of Methods in Psychiatric Research, 6, 295–307.CrossRefGoogle Scholar
  7. Cormack, K. F., Brown, A. C., & Hastings, R. P. (2000). Behavioural and emotional difficulties in students attending schools for children and adolescents with severe intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 44, 124–129.CrossRefGoogle Scholar
  8. Dekker, M. C., & Koot, H. M. (2003). dsm-iv disorders in children with borderline to moderate intellectual disability, ii: child and family predictors. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 42, 923–931.CrossRefGoogle Scholar
  9. Dekker, M. C., Koot, H. M., Van der Ende, J., & Verhulst, F. C. (2002). Emotional and behavioral problems in children and adolescents with and without intellectual disability. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 43, 1087–1098.CrossRefGoogle Scholar
  10. Dekker, M. C., Nunn, R. J., Einfeld, S. E., Tonge, B. J., & Koot, H. M. (2002). Assessing psychopathology in children and adolescents with intellectual disability: revisiting the factor structure of the Developmental Behaviour Checklist. Journal of Autism and Developmental Disorders, 32, 601–610.CrossRefGoogle Scholar
  11. Dekker, M. C., Nunn, R. J., & Koot, H. M. (2002). Psychometric properties of the revised Developmental Behaviour Checklist scales in Dutch children with intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 46, 61–75.CrossRefGoogle Scholar
  12. Einfeld, S. L., & Tonge, B. J. (1996). Population prevalence of psychopathology in children and adolescents with intellectual disability, ii: epidemiological findings. Journal of Intellectual Disability Research, 40, 99–109.CrossRefGoogle Scholar
  13. Einfeld, S. L., & Tonge, B. J. (2002). Manual for the Developmental Behaviour Checklist (second edition). New South Wales/Victoria: School of Psychiatry, The University of New South Wales, Kogarah, New South Wales, and Monash University Centre for Developmental Psychiatry & Psychology, Clayton, Victoria.Google Scholar
  14. Emerson, E. (2003). Prevalence of psychiatric disorders in children and adolescents with and without intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 47, 51–58.CrossRefGoogle Scholar
  15. Ferdinand, R. F., Van der Ende, J., & Mesman, J. (1998). Diagnostic Interview Schedule for childreniv. Parent version. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam, Department of Child and Adolescent Psychiatry.Google Scholar
  16. Greenbaum, P. E., Decrick, R. F., Prange, M. E., & Friedman, R. M. (1994). Parent, teacher, and child ratings of problem behaviors of youngsters with serious emotional disturbances. Psychological Assessment, 6, 141–148.CrossRefGoogle Scholar
  17. Koot, H. M., & Dekker, M. C. (2001). Handleiding voor devog(ouder- en leerkrachtversie). Rotterdam: Afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie, Erasmus mc, Sophia Kinderziekenhuis/Erasmus Universiteit Rotterdam.Google Scholar
  18. Matson, J. L., & Sevin, J. A. (1994). Theories of dual diagnosis in mental retardation. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 62, 6–16.CrossRefGoogle Scholar
  19. Shaffer, D., Fisher, P., Lucas, C. P., Dulcan, M. K., & Schwab-Stone, M. E. (2000). nimh Diagnostic Interview Schedule for Children Version iv (nimh disc-iv): description, differences from previous versions, and reliability of some common diagnoses. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 39, 28–38.CrossRefGoogle Scholar
  20. Sparrow, S. S., Balla, D. A., & Cicchetti, D. V. (1984). Manual Vineland Adaptive Behavior Scales. Interview edition, survey form. Circle Pines, Minnesota: American Guidance Service.Google Scholar
  21. Sparrow, S. S., Carter, A. S., & Cicchetti, D. V. (geen jaartal). Vineland Screener. Overview, reliability, validity, administration and scoring.Google Scholar
  22. Tonge, B., & Einfeld, S. (2000). The trajectory of psychiatric disorders in young people with intellectual disabilities. Austrialian & New Zealand Journal of Psychiatry, 34, 80–84.CrossRefGoogle Scholar
  23. Verhulst, F. C., Van der Ende, J., & Koot, H. M. (1996). Handleiding voor decbcl/4–18. Rotterdam: Afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie, Sophia Kinderziekenhuis/Academisch Ziekenhuis Rotterdam/Erasmus Universiteit Rotterdam.Google Scholar
  24. Verhulst, F. C., Van der Ende, J., & Koot, H. M. (1997). Handleiding voor de Teacher's Report Form (trf). Rotterdam: Afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie, Sophia Kinderziekenhuis/Academisch Ziekenhuis Rotterdam/Erasmus Universiteit Rotterdam.Google Scholar
  25. Wallander, J. L., Dekker, M. C., & Koot, H. M. (2003). Psychopathology in children and adolescents with intellectual disability: measurement, prevalence, course, and risk. In L. M. Glidden (Ed.), International review of research in mental retardation (pp. 94–134). San Diego: Academic Press.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2004

Authors and Affiliations

  1. 1.

Personalised recommendations