Advertisement

Directieve therapie

, Volume 12, Issue 3, pp 163–164 | Cite as

Nawoord

  • Richard van Dyck
  • Marcel van den Hout
Nawoord
  • 8 Downloads

Samenvatting

Stel, waarde lezer, dat morgen een patiënt bij u binnenwandelt en zegt: ‘Ik heb last van aanvallen van benauwdheid, duizeligheid, hartkloppingen en beven. Ik was bang dat het aan mijn hart lag, maar mijn huisarts heeft me onderzocht en uitgelegd dat het hyperventilatie is. Hij heeft een folder gegeven en daar kon ik mijn klachten precies in nalezen, en het klopt helemaal. Hij heeft me naar u verwezen omdat u me kunt leren te ademen zoals het moet.’ Wat gaat u doen? U zou natuurlijk kunnen uitleggen dat blijkens het laatste onderzoek, waarover u net hebt gelezen in het themanummer van Dth, het niet zeer waarschijnlijk is dat hyperventilatie verantwoordelijk moet geacht worden voor de angstaanvallen, maar dat de therapie die op dat idee gebaseerd is toch wel werkt. Dat zal waarschijnlijk vreemd overkomen, al is het, wetenschappelijk gesproken, correct.

Referenties

  1. Andrews, G. (1990). The diagnosis and management of pathological anxiety. The Medical Journal of Australia, 152, 656–159.CrossRefGoogle Scholar
  2. Valck, C. de, Bergh, O. van den, Woestijne, K. P. van de (1992). De prognostische waarde van de provocatietest en evaluatie van ademhalingstherapie bij patiënten met hyperventilatieklachten. Gedragstherapie, 25, 3–15.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 1992

Authors and Affiliations

  • Richard van Dyck
    • 1
  • Marcel van den Hout
  1. 1.

Personalised recommendations