Bijblijven

, Volume 22, Issue 6, pp 253–257 | Cite as

Anafylaxie

  • H. de Groot
Artikel
  • 39 Downloads

Samenvatting

Anafylaxie is een algemene, in principe levensbedreigende allergische reactie die snel na contact met een allergeen (insect, voeding, geneesmiddel) kan ontstaan. Soms wordt er geen oorzaak gevonden voor de anafylactische reactie en moet de patiënt als noodmedicatie een antihistaminicum en een adrenaline auto-injector voorgeschreven krijgen. De behandeling van een ernstige reactie bestaat uit het zo snel mogelijk toedienen van adrenaline, gevolgd door het geven van antihistaminica en corticosteroïden.

Bij insectenallergie bestaat er een absolute indicatie voor immuuntherapie bij een ernstige anafylaxie en een bevestigde IgE-gemedieerde reactie voor dat insect (huidtest, serologie). De immuuntherapie is veilig en de onderhoudsfase kan worden uitgevoerd in de huisartsenpraktijk, mits uitgevoerd volgens protocol en in overleg met de specialist. Bij deze kuur moet na de injectie altijd minimaal 30 minuten worden gewacht. Immuuntherapie is effectief voor bij, wesp en hommel en wordt over het algemeen vijf jaar volgehouden.

Literatuur

  1. Gerth van Wijk R, Vaessen MHJ, editors. Het allergie formularium. 3e dr. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2005.Google Scholar
  2. Turjanmaa K, Alenius H, Makinen-Kiljunen S, Reunala T, Palosuo T. Natural rubber latex allergy. Allergy 1996;51:593-602.PubMedGoogle Scholar
  3. McLeon-Tooke APC, Bethune CA, Fay AC, Spickett GP. Adrenaline in the treatment of anaphylaxis: what is the evidence?bmj 2003;327:1332-5.CrossRefGoogle Scholar
  4. Pumphrey RS. Lessons for management of anaphylaxis from a study of fatal reactions. Clin Exp Allergy 2000;30:1140-50.CrossRefGoogle Scholar
  5. Position Statementaaai: The use of epinephrine in the treatment of anaphylaxis. J Allergy Clin Immunol 1994;94:666-8.CrossRefGoogle Scholar
  6. Farmacotherapeutisch Kompas 2006. Amstelveen; College voor zorgverzekeringen, 2006. p. 411.Google Scholar
  7. Simons FER, Gu X, Silver NA, Simons KJ. Epipen Jr versus Epipen in young children weighing 15 to 30 kg at risk for anaphylaxis. J Allergy Clin Immunol 2002;109:171-5.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  8. Jong NW de, Vermeulen AM, Groot H de. Allergy to bumblebee venom. III. Immunotherapy follow-up study (safety and efficacy) in patients with occupational bumblebee venom anaphylaxis. Allergy 1999;54:980-4.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  9. Groot H de, Graaf-in ’t Veld C de, Gerth van Wijk R. Anafylactische reactie op hommelgif: eerste resultaten van hyposensibilisatietherapie met hommelgifextract bij patiënten met beroepsrisico. Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:1072-5.Google Scholar
  10. Charpin D, Birnbaum J, Vervloet D. Epidemiology of Hymenoptera allergy. Clin Exp Allergy 1994;24:1010-5.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  11. Mueller HL. Diagnosis and treatment of insect hypersensitivity. J Asthma Res 1966;3:331-3.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  12. Lantner R, Reisman RE. Clinical and immunologic features and subsequent course of patients with severe insect-sting anaphylaxis. J Allergy Clin Immunol 1989;84:900-6.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  13. Bousquet J, Knani J, Velasquez G, Menardo JL, Guilloux L, Michel FB. Evolution of sensitivity to Hymenoptera venom in 200 allergic patients followed for up to 3 years. J Allergy Clin Immunol 1989;84:944-50.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  14. Golden DBK, Marsh DG, et al. Natural history of Hymenoptera venom sensitivity in adults. J Allergy Clin Immunol 1997;100:760-6.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  15. Groot H de. Allergie voor insecten. Huisarts Wet 2002;45:362-7.Google Scholar
  16. Bonifazi F, Jutel M, Bilo BM, Birnbaum J, Muller U, theeaaci Interest Group on Insect Venom. Prevention and treatment of Hymenoptera venom allergy: guidelines for clinical practice. Allergy 2005;60:1459-70.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  17. Oude Elberink JN, Monchy JG de, Heide S van der, et al. Quality of life in yellow jacket allergic patients. II. Venom immunotherapy improves health related quality of life. J Allergy Clin Immunol 2001;110:174-82.CrossRefGoogle Scholar
  18. Hauk PK, Friedl K, Kaufmehl K, Urbanek R, Forster J. Subsequent insect stings in children with hypersensitivity to Hymenoptera. J Pediatr 1995;126:185-90.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  19. Valentine MD, Schuberth KC, et al. The value of immunotherapy with venom in children with allergy to insect stings. N Eng J Med 1990;323:1601-3.CrossRefGoogle Scholar
  20. Mosbech H, Muller U. Side-effects of insect venom immunotherapy: results from aneaaci multicenter study. Allergy 2000;55:1005-10.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  21. Golden DBK, Kwiterovich KA, Kagey-Sobotka A, Valentine MD, Lichtenstein LM. Discontinuing venom immunotherapy: outcome after five years. J Allergy Clin Immunol 1996;97:579-87.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  22. Lerch E, Muller UR. Long-term protection after stopping venom immunotherapy: results of re-stings in 200 patients. J Allergy Clin Immunol 1998;101:606-12.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  23. aaai Position Statement. The discontinuation of Hymenoptera venom immunotherapy. J Allergy Clin Immunol 1998;101:573-5.Google Scholar
  24. Golden DBK, Kagey-Sobotka A, Lichtenstein LM. Survey of patients after discontinuing venom immunotherapy. J Allergy Clin Immunol 2000;105:385-90.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  25. Bukantz SC, Lockey RF. Adverse effects and fatalities associated with allergen immunotherapy. In: Bukantz SC, Lockey RF, editors. Allergen immunotherapy. New York: Marcel Dekker, 1991. p. 233-63.Google Scholar
  26. Reid JR, Lockey RF, Turkeltaub PC, Platts-Mills TAE. Survey of fatalities from skin testing and immunotherapy 1985-1989. J Allergy Clin Immunol 1993;92:6-15.CrossRefPubMedGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2006

Authors and Affiliations

  • H. de Groot
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations