Bijblijven

, Volume 21, Issue 5, pp 200–205 | Cite as

Blaascarcinoom

  • S. Horenblas
Artikel
  • 149 Downloads

Samenvatting

Het blaascarcinoomcarcinoom, blaas is een kwaadaardige woekering van het blaasepitheel, het zogenoemde overgangsepitheelcarcinoom of urotheelcelcarcinoom. Naast de blaas is ook de gehele tractus uropoeticus bekleed met overgangsepitheel. Dit type carcinoom kan dan ook ontstaan vanaf de nierpapil tot aan de urethra. Het overgrote deel van de overgangsepitheelcarcinomen ontstaat echter in de blaas zelf. In Nederland is de incidentie van blaascarcinoom 15 nieuwe gevallen per 100.000 per jaar – 23 mannen en 7 vrouwen per 100.000 – wat neerkomt op 2350 nieuwe gevallen per jaar. De belangrijkste tot nu toe bekende etiologische factoren zijn contact met aromatische aminen, roken van sigaretten, overmatig gebruik van fenacetine en infectie met de zogeheten blaas-Schistosoma. De voornaamste symptomen zijn microscopische en macroscopische hematurie, recidiverende urineweginfecties en pijn bij de mictie. In 75% van de gevallen is er sprake van oppervlakkig urotheelcelcarcinoom, een epitheelwoekering die niet verder infiltreert dan de lamina propria van de blaas. In 25% is er sprake van infiltratief urotheelcelcarcinoom, dat in de blaasspier zelf infiltreert. Voor de behandeling en de prognose is het essentieel om een onderscheid tussen deze twee manifestaties van blaaskanker te maken. Bij het niet-infiltrerend carcinoom kan meestal worden volstaan met een blaassparende behandeling in tegenstelling tot het infiltrerende carcinoom, waarbij verwijdering van de blaas de behandeling van eerste keuze is. De verschillen tussen de twee typen blaascarcinoom komen ook tot uiting in de prognose. Terwijl het infiltrerende blaascarcinoom een levensbedreigende tumor is waarbij ongeveer de helft van de patiënten overlijdt aan de gevolgen, blijft het overgrote deel van de patiënten met een niet-infiltrerend carcinoom in leven. Een snelle diagnose en behandeling zijn belangrijk voor een goede afloop. De laatste tien jaar zijn grote vorderingen gemaakt in de reconstructie van de urinewegen na het verwijderen van de blaas. Voor zowel de oncologische als de reconstructieve parameters lijken de resultaten beter in ziekenhuizen waar jaarlijks een groot aantal patiënten wordt behandeld. Terwijl de prognose bij uitgebreide metastasering infaust is, biedt combinatiebehandeling bij beperkte metastasering nog uitzicht op langdurige progressievrije overleving (en mogelijk curatie).

Literatuur

  1. Coebergh JJW et al. red. Kanker in Nederland. kwf Kankerbestrijding; 2005.Google Scholar
  2. Datta SN, Allen GM, Evans R, Vaughton KC, Lucas MG. Urinary tract ultrasonography in the evaluation of haematuria – a report of over 1,000 cases. Ann R Coll Surg Engl 2002;84(3):203-5.PubMedGoogle Scholar
  3. Poel HG van der, Blom JHM, Rosette JJMCH de la. Richtlijnen Nederlandse Vereniging voor Urologie, No. 8 Hematurie. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Urologie; 2005.Google Scholar
  4. Chang SS, Hassan JM, Cookson MS, Wells N, Smith JA Jr. Delaying radical cystectomy for muscle invasive bladder cancer results in worse pathological stage. J Urol 2003;170(4 Pt 1):1085-7.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  5. Horenblas S, Meinhardt W, IJzerman W, Moonen LF. Sexuality preserving cystectomy and neobladder: initial results. J Urol 2001;166(3):837-40.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  6. Meinhardt W, Horenblas S. Sexuality preserving cystectomy and neobladder (spcn): functional results of a neobladder anastomosed to the prostate. Eur Urol 2003;43(6):646-50.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  7. Nieuwenhuijzen JA, Meinhardt W, Horenblas S. Clinical outcomes after sexuality preserving cystectomy and neobladder (prostate sparing cystectomy) in 44 patients. J Urol 2005;173(4):1314-7.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  8. Pos F, Horenblas S, Dom P, Moonen L, Bartelink H. Organ preservation in invasive bladder cancer: brachytherapy, an alternative to cystectomy and Regular modality treatment? Int J Radiat Oncol Biol Phys 2005;61(3):678-86.PubMedGoogle Scholar
  9. Horenblas S. Stomata en blaasvervangende operaties. Bijblijven 1995;30-46.Google Scholar
  10. Horenblas S, Meinhardt W, Eekeren MB van. Van urostoma naar blaasvervanging: nieuwe mogelijkheden voor urinedeviatie [From urostoma to bladder replacement: current possibilities in urinary diversion]. Ned Tijdschr Geneeskd 1995;139(36):1834-40.PubMedGoogle Scholar
  11. McDougal WS. Metabolic complications of urinary intestinal diversion. J Urol 1992;147(5):1199-1208.PubMedGoogle Scholar
  12. Birkmeyer JD, Stukel TA, Siewers AE, Goodney PP, Wennberg DE, Lucas FL. Surgeon volume and operative mortality in the United States. N Engl J Med 2003;349(22):2117-27.CrossRefPubMedGoogle Scholar
  13. Nuttall M, Meulen J van der, Phillips N, Sharpin C, Gillatt D, McIntosh G et al. A systematic review and critique of the literature relating hospital or surgeon volume to health outcomes for 3 urological cancer procedures. J Urol 2004;172(6, Part 1 of 2):2145-52.CrossRefPubMedGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2005

Authors and Affiliations

  • S. Horenblas
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations