Advertisement

Medisch Farmaceutische Mededelingen

, Volume 36, Issue 10, pp 218–218 | Cite as

Grapefruitsap en geneesmiddeleninteracties: wie licht de consument voor?

Interacties
  • 6 Downloads

Bij aanvang van een nieuwe therapie controleert een apotheker zorgvuldig op geneesmiddeleninteracties. Maar beseft een kruidenier dat ‘zijn product’, grapefruitsap, door een interactie gevaarlijk kan zijn voor zijn klant die bepaalde geneesmiddelen moet gebruiken? In Canada en de VS is er de afgelopen jaren uitgebreid gediscussieerd tussen de autoritei ten, de farmaceutische industrie en de pers inzake het al-dan-niet moeten waarschuwen van het publiek voor het gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen, zo als ketoconazol, erytromycine, terfenadin, grapefruitsapterfenadine e.d., met grapefruitsap. Moet er worden gewaarschuwd, wie moet dat doen, hoe moet het gebeuren en wanneer? Een eerste vraag is: hoe belangrijk is deze interactie?

Interacties waarbij de plasmaconcentratie van één van de geneesmiddelen met méér dan 30 ’ 50% toeneemt, worden geacht klinisch van belang te kunnen zijn. Het ‘onschuldige’ grapefruitsap kan evenwel de plasmaconcentratie van felodipine met 240 -600% doen stijgen! Het kan de piekconcentratie van nisoldipine met 900% doen toenemen! Het verhoogt de ciclosporine-spiegel met een factor 3, enz.

Het betreft hier vooral geneesmiddelen met een geringe biologische beschikbaarheid, omdat ze reeds in de darmwand worden gemetaboliseerd door het enzym cytochroom P450 3A4 (pre-systemische eliminatie). Daartoe behoren o.a. terfenadine, dihydropyridines, cisapride en midazolam. Grapefruitsap remt voornoemd enzym, alsmede ook het enzym CYP1A2, dat verantwoordelijk is voor (een gedeelte van) de omzetting van warfarine, propafenon, coffeïne, theofylline en imipramine (deze twee laatste stoffen worden door beide enzymen omgezet). De biologische beschikbaarheid neemt nu dus ineens zeer sterk toe.

De hoeveelheid grapefruitsap speelt geen grote rol: een glas van 250 ml ‘normaal’ sap (1 : 3 verdund concentraat) geeft reeds aanleiding tot enzymremming. De auteur ontkent dat naringinine, een bioflavonoïd, verantwoordelijk is. Hij acht het waarschijnlijker dat een stof uit de ethylacetaatfractie de belangrijkste boosdoener is.

Bijzondere aandacht blijft nodig voor de gevaren die kunnen optreden bij de combinatie van grapefruitsap en terfenadine: ernstige aritmieën tot fataal verlopend ventrikelfibrilleren. Voor de auteur bleek het geen simpele zaak om het publiek in Canada en de FDA in de VS te waarschuwen, laat staan tot actie te brengen. Hij stelt zich op het standpunt dat het de gezamenlijke taak is van de onderzoeker, de autoriteiten en de farmaceutische producent om het publiek op de hoogte te brengen van een eventueel risico. Hij formuleert een aantal voorstellen hoe en wanneer dat zou moeten gebeuren. Hij ziet daarbij een rol weggelegd voor de American Society for Clinical Pharmacology and Therapeutics en soortgelijke organisaties, voor de FDA en andere autoriteiten en de producenten zowel van geneesmiddelen als van grapefruitsap (waarschuwing op het etiket), en niet voor de winkeliers.

Redactie MFM: ‘Niet combineren met melkproducten’ vertelt de apotheker en niet de melkhandelaar. Een sticker met ‘niet combineren met grapefruitsap’ is waarschijnlijk de minst omslachtige methode, nu terfenadine niet meer vrij verkrijgbaar is.

Literatuur

  1. Spence JD. Clin Pharmacol Ther 1997; 61: 395-400.CrossRefGoogle Scholar
  2. Weiner M. Clin Pharmacol Ther 1997; 62: 578-9.CrossRefGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 1998

Personalised recommendations