Advertisement

Springer Nature is making SARS-CoV-2 and COVID-19 research free. View research | View latest news | Sign up for updates

De Daling van den Rentestand; Haar oorzaken en haar naaste Toekomst

  • 14 Accesses

This is a preview of subscription content, log in to check access.

References

  1. 1)

    Ziehier eene opgave van de sommen, welke zijn geconverteerd. Nationale Schuld... 348. millioen. Provincie Overijssel... 1.135 millioen. Provincie Noord-Holland... 0.465 millioen. Provincie Utrecht... 0.140 millioen. Gemeente Amsterdam... 17. millioen. Gemeente 's Gravenhage... 5.50 millioen. Gemeente Rotterdam... 18. millioen. Gemeente Utrecht... 3.150 millioen. Gemeente Groningen... 4.468 millioen. Gemeente Breda... 1.5 millioen. Gemeente Dordrecht... 2. millioen. Gemeente Maastricht... 1.100 millioen. Gemeente Schiedam... 1.100 millioen. Maatschappij tot Exploitatie der Staatsspoorwegen. 17.239 millioen. Nederlandsche Rhijnspoor der Staatsspoorwegen. 18. millioen. Hollandsche Hypotheekbank der Staatsspoorwegen. 0.504 millioen. Nationale Hypotheekbank der Staatsspoorwegen. 0.379 millioen. Rotterdamsche Hypotheekbank der Staatsspoorwegen. 1.620 millioen.

  2. 2)

    Het wetsontwerp met de debatten daarover in het Parlement is te vinden in hetBulletin de Statistique et de Législation Comparée, Maart 1888, p. 318.

  3. 1)

    t. a. p. bl. 48. „Die Erklärung der „Verzinsung” des durch die übrigen Kategorien des werbenden Vermögens dargestellten, des rechnungsmäszigen Kapitals und ihres Maszes darf uns (dann) nur wenig bekümmern, da es sich hierbei in der Wissenschaft, wie im Leben, lediglich um eine einfache Berechnung handelt; nicht eine blosze Theorie der Kapitalzinsen, sondern eine solche des Vermögensertrages überhaupt — eine Theorie des Ertrages aller in Rücksicht auf ihre Ertragsbildung verschiedenartigen Kategorien des (Produktiv-) Vermögens — musz das Ziel unserer Wissenschaft sein. Indem die herrschende Lehre sich lediglich mit dem Kapitalzins-probleme, mit der Erklärung der Zinsen vom effektiven Kapital beschüftigt, oder unmittelbar die Erklärung der Zinsen des rechnungsmüszigen Kapitals zu untersuchen unternimmt, umgeht sie das obige grundlegende Problem und bietet in Wahrheit eine in jeder Rücksicht unzulangliche Theorie des Vermögensertrages.”

  4. 1)

    Zie o. a. in het Handboek van Praktische Staathuishoudkunde, van Prof. Vissering. In stelling 59 lezen wij: „Kapitaal is bespaarde rijkdom. Doch het „woord heeft in de Staathuishoudkunde tweeledige beteekenis. Men verstaat „er onder:a. in ruimeren zin: allen bespaarden voorraad van goederen, die „niet onmiddellijk na de voortbrenging verteerd worden (opleg);b. in engeren „zin: dat gedeelte van den bespaarden rijkdom, dat bij den arbeid gebruikt „wordt als grondstof of als werktuig, ten einde daarmede nieuwen en meerderen „rijkdom voort te brengen (eigenlijk gezegd kapitaal).” En in de daaropvolgende stelling: „Het dagelijksch spraakgebruik verwart veelal „kapitaal en geld. Het geld, dat bij een volk in omloop is, maakt echter „slechts een onbeduidend deel van zijn kapitaal uit....”

  5. 2)

    t. a. p. bl. 14: „Die Lehre, dasz — ihre Bestimmung der weiteren „Produktion zu dienen vorausgesetzt — nur solche Güter Kapital werden „können, welche „Produkte” sind, steht vor allem im Widerspruche mit der „Erfahrung. „Selbst jene Theoretiker, welche die hier in Rede stehende Auffassung des „Kapitals ex professo vortragen, vermögen in zahllosen Fällen doch die „Konsequenz nicht zurückzuweisen, dasz auch „reine Naturdinge” — u. z. „unter den namlichen Voraussetzungen wie „Produkte” — „Kapital” zu „werden vermögen. Kein Praktiker auf dem Gebiete der Wirthschaft, aber „auch kein irgendwie unbefangener Theoretiker wird zu negieren vermögen „dass — wenn überhaupt anerkannt wird, dasz der Einkommensbildung gewidmete „Rohstoffe, Hilfsstoffe u. s. f. „Kapital” seien, dieselben (Z. B. „Baumstämme, Früchte, Mineralwasser, u. dgl. m.), auch dann als Kapital „bezeichnet werden müssen wenn sie, ihrem technischen Ursprunge nach, „sich uns als reine Naturdinge darstellen, welche nur in Folge relativer Seltenheit „zu ökonomischen Gütern geworden sind. Wer würde Z.B. behaupten „wollen, dasz ein wild gewachseuer zum Schiffbau verwendeter Baumstamm „der obigen Art kein „Kapital”, ein künstlich gezogener Baumstamm von „derselben Beschaffenheit dagegen „Kapital”, natürliches Mineralwasser kein „Kapital”, künstliches dagegen „Kapital” sei?”

  6. 1)

    Ook Stanley Jevons, de Engelsche schrijver, op wiens leer van de kapitaalrente ik straks hoop te wijzen, heeft in zijnTheory of political Economy

  7. 1)

    Zie t. a. p. April 1888, d. 442. Dat de houders der twee eerstgenoemde 3 pCt. schuldbrieven niet zoo snel zijn toegetreden als die der laatste soort, is het gevolg hiervan, dat zij volgens de voorwaarde van uitgifte geen aflossing behoefden aantenemen tenzij na waarschuwing één jaar te voren. Er werd hun thans bij de wet voor een spoedige beslissing eene premie van 1/4 pCt. toegekend. Van daar dat betrekkelijk weinigen het zwijgen hebben bewaard. De 3 pCt. consols van de derde soort waren reeds sedert 1874 losbaar. (1871) bl. 245 en vlg zich tegen de onderscheiding verklaard tusschen kapitaal en verbruiksvoorraad. Hij maakt o. a. de volgende juiste opmerking: „What does it really matter if these articles (food, clothing and other requisite „subsistence) happen to lie in the warehouses of trades or in private houses, „so long as there is a stock? At presence it is the practice for farmers or „cornmerchants to hold the produce of the harvest until the public buys „and consumes it. Surely the stock of corn is capital. But if it were the „practice of every housekeeper to buy up corn in the autumn and keep it in „a private granary, would it not serve in exact by the same way to subsist „the population? Would not everything go on exactly the same, except that „every one would be his own capitalist in regard to corn in place of paying „farmers and cornmerchants for doing the business?”

  8. 1)

    Over haar is nog niet heel lang geleden een werk uitgekomen, hetwelk in menig opzicht van groot critisch vernuft getuigt, geschreven door Prof. E. von Böhm-Bawerk, en getiteld „Geschichte und Kritik der Kapitalzins-theorieen” (Innsbruck, 1884). Dit boek echter onderscheidt, helaas, niet altijd nauwkeurig tusschen de beide bedoelde vragen, en maakt zich daardoor soms aan een onbillijke critiek schuldig. Aan schrijvers, die uitsluitend schreven over den rentestand (Zinsfusz, le taux de l'intérêt), verwijt von Böhm, dat zij verzuimd hebben het verschijnsel van Rente in het algemeen te expliceeren. Dit is m. i. onbillijk, zoolang ieder schrijver het recht heeft zijn onderwerp zelf te kiezen. Bij de lezing van dit werk, kan ik den indruk niet weren, dat von Böhm zich zelven de kwestie noodeloos ingewikkeld maakt. Zoo is zijn hoofdgrief tegen von Thünen en Stanley Jevons, dat zij verzuimd hebben aantetoonen, waarom een ondernemer gewoonlijk meer waarde voortbrengt dan het kapitaal, hetwelk hij verbruikt, en alzoo in staat is behalve het kapitaal zelf nog een interest to betalen (bl. 199 en 459). Het antwoord kan m. i. zeer eenvoudig zijn. Een ondernemer kiest gewoonlijk zoodanig bedrijf, dat hij winst behaalt: hij kan ook wel een ander kiezen, doch dan zou hij spoedig failliet gaan. De meerdere waarde, waaruit ten slotte de interest wordt betaald, outstaat dus niet mechanisch, gelijk von Böhm op bl. 457 geheel ten onrechte beweert, dat Jevons zou hebben bedoeld; zij ontstaat dank zij het beleid van den ondernemer. Wat geheimzinnigs hier in steekt, kan ik niet inzien. Dat schrijvers als von Thünen en Jevons met zulke vreemde tegenwerping worden begroet, betreur ik levendig. Von Böhm-Bawerk zal in het, nog steeds niet uitgekomen, tweede deel van zijn werk zijn eigen theorie ontwikkelen.

  9. 1)

    In het Acad. proefschrift van Mr. J. J. A. Harte: de Rentestand (Utrecht, 1883), zijnde een in 1880 bekroend antwoord op eene door de Utrechtsche faculteit uitgeschreven prijsvraag, is op voortreffelijke wijze het belaugrijk economisch onderscheid aangewezen tusschen den rentestand op langen termijn en dien op korten termijn (disconto). Doch tot eene afdoende kritiek der Wet van Vraag en Anabod, gelijk deze gewoonlijk op den rentestand wordt toepasselijk geacht, is de schrijver niet gekomen. Voor dergelijke kritiek ware trouwens de kennis noodig geweest van de leer, welke ik in dit opstel ga ontwikkelen, en deze kennis mocht in 1880 redelijkerwijze niet al voorwaarde voor eene bekrooning worden geeischt. Het schijnt mij bijna overbodig mijne lezers er op te wijzen, dat ik in mijn opstel uitsluitend handel over den rentestand op langen termijn.

  10. 2)

    Principles of Political Economy, Boek III, hoofdst. 2. Fortnightly Review, Mei 1869.

  11. 3)

    W. T. Thornton, on Labour, 1869, bl. 43–87.

  12. 4)

    J. E. Cairues, Some leading principles of political Economy newly expounded, 1874, p. 1–172.

  13. 1)

    Verhandeling over de Waarde, Groningen, 1859, bl. 84, 94, 107 en vlg.

  14. 2)

    Theory of political Economy, London, 1871, bl. 44–161.

  15. 3)

    Elements d'économie politique pure, 1874.

  16. 4)

    C. Menger, Grundsätze der Volkswirthschaftslehre, Wien, 1872.

  17. 1)

    Voor de ontleding van den evenwichtstoestand tusschen de nuttigheid van hetgeen de kooper geeft en hetgeen hij ontvangt, hebben Jevons en Walras gebruik gemaakt van eene mathematische analyse. Deze aanwending van de mathesis heeft echter aan de verspreiding der theorie in de Wetenschappelijke wereld zeer in den weg gestaan, daar vele economisten de toepassing van mathesis op hun wetenschap met tegenzin en wantrouwen hebben bejegend. Ik blijf voor strict wetenschappelijke ontvouwing de hulp der mathesis onmisbaar achten, en acht tegenzin tegen deze methode geen afdoenden grond om, waar zij voor vorwerving van wetenschap dienst kan bewijzen, hare hulp te versmaden. Van daar de mathematische methode in mijn Academisch proefschriftHet inkomen der maatschappij, Leiden 1874.

  18. 1)

    Met uitzondering alleen van Prof. von Böhm-Bawerk, Geschichte und Kritik der Kapitalzins-theorieen, bl. 455–459. Deze schrijver echter behandelt de leer der kapitaalrente, gelijk ik reeds boven in een noot aantoonde, van een geheel ander standpunt als Jevons. Deze laatste vraagt: welke invloeden bepalen den stand der rente? von Böhm-Bawerk daarentegen vraagt: waarom is er Rente? Na de rente vergeleken te hebben met een riviermonding, schrijft von Böhm (bl. 487): „Was soll und will das Zinsproblem? Es soll die Ur-”sachen erforschen und darlegen, welche einen Arm des Güterstromes, der „jährlich aus der nationalen Production eines Volkes quillt, in die Häude „des Kapitalisten leiten.” Mijn vraagstuk daarentegen, en ook dat van Jevons, luidt anders: ten gevolge van welke invloeden varieert de stand der rente in den loop der tijden? Von Böhm schijnt dit verschil niet te hebben opgemerkt; en wat hij over Jevons schrijft, raakt de kwestie nauwelijks, waarmeê deze zich bezig houdt. Von Böhm schijnt (bl. 308 en 495) vooral de vraag te willen beantwoorden, wolken invloed het tijdsverloop op het ontstaan van kapitaalrente uitoefent, m. a. w. waarom bij uitleening voor twee jaren tweemaal meer rente wordt bedongen dan bij uitleening voor éen jaar. Voor mij is de kwestie: waarom bediugt de kapitalist thans 3 1/2 pCt. 's jaars, en 30 jaren geleden 4 1/2 pCt. 's jaars? Von Böhm zal zijle theorie voordragen in een tweede deel, dat nog nict verschenen is, hoewel het eerstc reeds in 1884 het licht zag.

  19. 2)

    The Theory of political economy, 1871, blz. 240: „In England and other “old countries the rate of interest is generally lower because there is an “abundance of capital and the urgent need of more is not actually felt.”

Download references

Rights and permissions

Reprints and Permissions

About this article

Cite this article

de Bourouill, d. De Daling van den Rentestand; Haar oorzaken en haar naaste Toekomst. De Economist 37, 691–719 (1888). https://doi.org/10.1007/BF02213349

Download citation

Keywords

  • International Economic
  • Public Finance