Preview
Unable to display preview. Download preview PDF.
References
- 1).Het werd in 1634 door J. van Walbeek op de Spanjaarden veroverd en bleef tengevolge van den vrede van Munster (1648) in ons bezit.Google Scholar
- 2).Patienje is volgens Teenstra, De West-Indische Eilanden, Amsterdam, C. G. Sulpke 1836–37, een verbastering van den Portugeeschen naam van den Spaanschen mat, t. w. patinho (zie dl. I blz. 207).Google Scholar
- 3).Later ook Mexicaansche daalder.Google Scholar
- 4).Le Moine de l'Espine, Den Koophandel van Amsterdam, 3de druk van J. le Long, Amsterdam, van Damme en Ratelband, 1719, blz. 649.Google Scholar
- 1).Le Moine de l'Espine, t. a. p., Den Koophandel van Amsterdam, 3de druk van J. le Long, Amsterdam, van Damme en Ratelband, 1719, blz. 648 zegt: «Een Pesos (lees: Peso) of stuk van Achten is 8 Realen di «(lees: de) Plata oude Munt, of 10 Realen di (lees: de) Plata «nieuwe Munt. Zijnde de oude Munt 25 percento beeter als de «nieuwe, die eerst Anno 1686 ingevoert is.»Google Scholar
- 2).Teenstra t. a. p. I, 193. De West-Indische Eilanden, Amsterdam, C. G. Sulpke 1836–37, een verbastering van den Portugeeschen naam van den Spaanschen mat, t. w. patinho (zie dl. I blz. 207).Google Scholar
- 1).Zie het rapport van den Gouverneur Kikkert over den toestand van Curaçao in 1817, medegedeeld door Dr. J. de Hullu in de Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, 8ste reeks III, blz. 563 vlg.Google Scholar
- 2).Lauffer bleet zijn waardigheid uitoefenen gedurende de tijdelijke bezetting van het eiland door de Engelschen (1800–1803) en trad af nadat daaraan, tengevolge van den vrede van Amiens (1802), een einde was gekomen.Google Scholar
- 3).Teenstra, I, 201 vgl., duidt hun namen met de beginletters aan.Google Scholar
- 4).Kikkert, t. a. p.Google Scholar
- 1).G. J. Simons, Beschrijving van het eiland Curaçou, Oosterwolde, 1868, blz. 124.Google Scholar
- 2).Kikkert, t. a. p.Google Scholar
- 3).Voor het gemak is de tiendeelige schrijfwijs gekozen. Men moet daardoor echter niet uit het oog verliezen dat de verdecling van den gulden in centen op Curaçao eerst van 1826 dagteekent.Google Scholar
- 4).Noch de «Beschrijving van het Eiland Curaçao, enz.» door een Bewoner (G. G. van Paddenburg) Haarlem 1819; noch J. van den Bosch (de latere Commissaris-Generaal), de Nederlandsche bezittingen in Azië, Amerika en Afrika, 's-Gravenhage en Amsterdam 1818; noch G. B. Bosch, Reizen in West-Indië, Utrecht 1829; noch N. G. van Kampen, geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, Haarlem 1832 (IIIde Deel blz. 729 vlg.); noch H. J. Abbring, Weemoedstonen, enz., Groningen 1834; noch de uitvoerige Teenstra; noch latere schrijvers als Van Lennep Coster, Simons, Brusse of P. A. Euwens O. P., Curaçao in 1803–1804 (Onze Eeuw 1908); zelfs niet het door Dr J. de Hullu medegedeelde ambtelijke verslag van den gouverneur Kikkert of de monographie over het Curaçaosche muntwezen van Mr. H. J. Smidt in de Economist van 1885 geven hieromtrent opheldering.Google Scholar
- 1).Voor nadere bijzonderheden betreffende den strijd tegen de valsche Johannessen vergelijke men het aangehaalde rapport van den Gouverneur Kikkert, voorts Teenstra, t. a. p. De West-Indische Eilanden, Amsterdam, C. G. Sulpke 1836–37, een verbastering van den Portugeeschen naam van den Spaanschen mat, t. w. patinho (zie dl. I blz. 201) en Simons, t. a. p. Beschrijving van het eiland Curaçou, Oosterwolde, 1868, blz. 124.Google Scholar
- 2).Zie het aangehaald rapport van den Gouverneur Kikkert, blz. 605.Google Scholar
- 1).Kikkert t. a. p.Google Scholar
- 2).t. a. p., I, blz. 207.Google Scholar
- 3).Medegedeeld door Dr. J. de Hullu in de Bijdragen enz., t. a. p.Google Scholar
- 4).De desbetreflende maatregel komt niet in den herdrukten bundel van het Publicatieblad voor.Google Scholar
- 5).t. a. p. De desbetreflende maatregel komt niet in den herdrukten bundel van het Publicatieblad voor I, blz. 193 en 207.Google Scholar
- 1).t. a. p. De desbetreflende maatregel komt niet in den herdrukten bundel van het Publicatieblad voor I, 206.Google Scholar
- 2).De desbetreffende maatregel komt in den herdrukten bundel van het Publicatieblad niet voor.Google Scholar
- 3).Publicatie van 13–14 Augustus 1822, h. b. No 60.Google Scholar
- 4).Publicatie van 31 October–3 November 1826, h. b. No 104.Google Scholar
- 5).Publicatie van 6 Februari 1828, h. b. No 119.Google Scholar
- 1).Teenstra t. a. p. De West-Indische Eilanden, Amsterdam, C. G. Sulpke 1836–37, een verbastering van den Portugeeschen naam van den Spaanschen mat, t. w. patinho (zie dl. I blz. 208).Google Scholar
- 2).Ook thans nog worden stukken van 21/2 cent op Curaçao «plak» (plaka) genoemd.Google Scholar
- 3).Zie Teenstra t. a. p. De West-Indische Eilanden, Amsterdam, C. G. Sulpke 1836–37, een verbastering van den Portugeeschen naam van den Spaanschen mat, t. w. patinho (zie dl. I blz. 205).Google Scholar
- 1).Kon. besl. van 29 Oct. 1845, No 72, gepubliceerd 20–22 April 1846.Google Scholar
- 1).Publicatie van 8 Juni–20 Juli 1838, h. b. No 212.Google Scholar
- 2).t. a. p., blz. 126. Publicative van 8 Juni–20 Juli 1838, h. b. No 212.Google Scholar
- 3).Mr. Ph. de Kanter was driemaal Gouverneur-Generaal ad interim van de Nederlandsch-Westindische bezittingen, t. w.: tusschen den 2den Gouverneur-Generaal Mr. E. L. baron van Heeckeren (1831–1838) en den 3den, J. C. Rijk (1839–1842); tusschen dezen en den laatsten Gouverneur-Generaal B. J. Elias (1842–1845) en na diens aftreden tot aan de komst van den eersten Gouverneur der weder zelfstandig geworden kolonie Suriname R. F. baron van Raders (1845–1852). Hij overleed in 1852 als waarnemend Gouverneur van Suriname, over welke kolonie hij dus viermaal tijdelijk het bewind heeft gevoerd.Google Scholar
- 4).Publicatie van 28 Mei–22 Juni 1831, h. b. No 158.Google Scholar
- 1).Zie bijv. Simons, t. a. p. Beschrijving van het eiland Curaçou, Oosterwolde, 1868, blz. 126.Google Scholar
- 1).Bij de publicatie van 21–27 April 1854, No 21, werden afgekondigd: 1o de genoemde wet van 1853; 2o het K. B. van 18 Januari 1854, waarbij dat van 29 Juni 1848 op de koloniën en bezittingen van het Rijk in de West-Indiën wordt toepasselijk verklaard; 3o de wet van 26 November 1847 tot regeling van het Nederlandsche muntwezen (Stbl. 1847, No 69); 4o het K. B. van 29 Juni 1848, tot bepaling der middellijnen van de verschillende muntspeciën (Stbl. 1848, No 27); 5o het extract van 's Konings besluit van 3 Februari 1854, No 69, waarbij opnieuw de koers wordt bepaald van die vreemde zilveren muntspeciën, welke thans reeds in 's Rijks koloniën en bezittingen in de West-Indiën zijn getarijfeerd.Google Scholar
- 1).De Regeering verklaarde op een vraag, voorkomende in het 2de Voorloopig Verslag (1852/3 XIX, 3) uitdrukkelijk in haar memorie van beantwoording (XIX, 4) dat het niet noodig was voor de koloniën speciale bepalingen nopens inwisseling in het leven te roepen.Google Scholar
- 2).Men had bij de invoering van de nieuwe muntwet voor een bedrag van f 160.000 aan onderscheiden Nederlandsche muntstukken naar de kolonie gezonden en voor ruim f 96.000 aan verschillende muntspeciën aan den omloop onttrokken, welke hier te lande met een verlies van ruim f 8000 te gelde werden gemaakt.Google Scholar
- 1).Simons t. a. p. Beschrijving van het eiland Curaçou, Oosterwolde, 1868, blz. 126.Google Scholar
- 1).Omtrent de premies raadplege men het aangehaalde K. V. van 1882 of het daaruit blijkbaar overgeschreven aanhangsel van A. T. Brusse, Curaçao en zijne bewoners, Curaçao 1882, overigens een zeer onbeteekenend werkje.Google Scholar
- 2).Mr. H. J. Smidt, Bank- en Muntwezen op Curaçao, Economist 1885 blz. 314.Google Scholar
- 1).t. a. p. Mr. H. J. Smidt, Bank- en Muntwezen op Curaçao, Economist 1885 blz. 314.Google Scholar
- 2).De te voren bij Koninklijke boodschap van 4 September 1876 aangeboden wetsontwerpen tot regeling van het muntwezen in Suriname en Curaçao (Hand. Tweede Kamer 1876/7, Bijlagen 11) werden ingetrokken toen de Eerste Kamer het wetsontwerp tot regeling van het muntwezen hier te lande had verworpen.Google Scholar
- 1).Kon. besluit van 4 November 1887, No 17, later door nieuwe bepalingen vervangen, maar in dit opzicht niet gewijzigd.Google Scholar
- 1).Gouv. besl. van 31 Januari 1896 (P. B. No 1). or1)|Gouv. besl. van 15/16 September 1897 (P. B. No 13).Google Scholar
- 2).Het Fransche vijffrankstuk had den koers van f 2.35 behouden.Google Scholar
- 1).De Spaansche onze — d. w. z. de vóór 1848 geslagen stukken, want de stukken van na dien tijd, de zoogenaamde doblones de Isabel, zijn van een veel lager gehalte — hebben een normaal gewicht van 27 gram en een gehalte van 0.875. De Mexicaansche dubloenen zijn zelfs iets beter, t. w. 27.064 gr. ad 0.875. Het goudgehalte der Zuidamerikaansche stukken is lager. Zoo moeten bijv. de Colombiaansche onzen 25.8064 gr. ad 0.900 bevatten en de Boliviaansche 25 gr. ad 0.900. De Middenamerikaansche stukken houden nog minder goud in.Google Scholar
- 1).Hand. Tweede Kamer 1898/9, Bijlagen 155, No 3.Google Scholar
- 2).Kol. Verordening van 30 Mei/8 Juni 1907, P. B. No 9.Google Scholar
Copyright information
© De Nederlandsche Boek- En Steendrukkerij 1913