De Economist

, Volume 62, Issue 2, pp 441–473 | Cite as

Een ideale waarde-standaard?

  • G. M. Boissevain
Article
  • 17 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

References

  1. 1).
    New York 1906.Google Scholar
  2. 2).
    New York 1907.Google Scholar
  3. 3).
    New York 1911.Google Scholar
  4. 1).
    Deel XXVII afl. no 2, Februari l.l.Google Scholar
  5. 1).
    The American Review, d. III no 1 (afl. van Maart l.l.).Google Scholar
  6. 1).
    Economic Journal 1892 bl. 463 v.Google Scholar
  7. 2).
    Bagehot's artikel werd tevens overgedrukt in het Economic Journal (1892 bl. 472 v.).Google Scholar
  8. 3).
    Zie: Papers and Proceedings of the 25th annual meeting of the American Economic Association. Supplement of the American Economic Review dd. Maart l.l.Google Scholar
  9. 4).
    Zie het Journal der Société, afleveringen van Februari en Maart l.l.Google Scholar
  10. 1).
    Leerboek. D. I. 2de druk bl. 415 v., 3de druk bl. 417 v.Google Scholar
  11. 1).
    Verschenen bij Macmallan & Co. London, 1912.Google Scholar
  12. 1).
    Cf. Annual Report of the Director of the Mint and Report on the Production of the Precious Metals. Washington, 1912.Google Scholar
  13. 1).
    Dit is ook eene der conclusies, waartoe de heer A. G. Boissevain gekomen is in het onlangs van zijne hand (bij H. D. Tjeenk Willink en Zoon te Haarlem) verschenen boekdeeltje« Over Prijzen, Loonen en Goudproductie», een geschrift waarop gaarne bij deze gelegenheid door mij de aandacht gevestigd wordt, geschiedende zulks mede op uitdrukkelijk verzoek van de Redactie van dit tijdschrift.Google Scholar
  14. 2).
    Honderd jaar geleden — we leven dezer dagen steeds in de herinnering aan dien tijd — zou de schrijver, trouw aan de toenmalige gewoonte van lange titels, zijn boekje vermoedelijk getiteld hebben «Losse gedachten over Prijzen, enz. van een Leek». Losse gedachten: een cathegorische, systematische aanwijzing van oorzaken en gevolgen, de schrijver zegt het zelf (bl. 62) heeft hij niet bedoeld te leveren. Hij heeft — schreef hij ten slotte (bl. 109) — zich er toe bepaald te trachten wat op economisch gebied gebeurd is en gebeurt beter te begrijpen en slechts iets willen bijdragen, zoo niet tot de kennis en de beteekenis der prijsbewegingen sinds 1896, dan toch tot den lust om die kennis te vergaren. Doch gaarne onderschrijf ik daarbij, wat hij in zijn inleiding zeide (bl. 6), dat, wat hij naar aanleiding van de stijging der prijzen te zeggen had, «nut kon hebben voor hen, die in onze maatschappij iets meer welvaart, iets meer weelde aan de loontrekkenden, aan de economisch zwakken willen brengen.» Dat de prijsbewegingen der goederen en der loonen van grooten invloed zijn op de algemeene welvaart, is niet te betwijfelen. De behandeling dezer materie, ook inzonderheid voor het zeer lofwaardig doel dat de schrijver hierbij op het oog had, is dus van zeer groot gewicht. En bij de lezing van het geschrift van den heer A. G. Boissevain zal men inderdaad herhaaldelijk getroffen worden door zeer belangrijke opmerkingen. Losse opmerkingen, van een Leek voegde ik bij: de schrijver die er niet tegen opziet een loopje met de economisten te nemen (zie bl. 11). zal mij die bijvoeging wel ten goede willen houden. Hij herleze nog maar eens in Pierson's Leerboek, Deel I, de Inleiding, en het zal hem duidelijk worden, dat economisten geen wetten vast stellen, maar de economische wetten opsporen, onderzoekende welke van commerciëele handelingen de noodwendige gevolgen moeten zijn, kennis afleidende uit andere kennis. En een eerste vereischte, om zoo te werk te gaan, is wel dat men alle begrippen juist formuleert. Het verwijt nu van zich daaraan niet te houden, kan den schrijver bezwaarlijk ontgaan. Zoo zal, om een enkel voorbeeld te noemen, een economist wel nooit spreken van het koopen van kapitalen. (zie bl. 24). En dat dergelijke onjuiste terminologie niet een onverschillige zaak is zou gemakkelijk aan te toonen zijn, juist uit hetgeen de schrijver verder over het daar behandelde onderwerp schrijft. Doch genoeg reeds om aan te geven, dat, welken lof men ook aan zijn werk moet toekennen, men het boekje niet lezen zal zonder er talrijke kantteekeningen bij te maken. Thans nog enkele opmerkingen over het eigenlijke betoog en de conclusien van den schrijver. Hij begint met als zijne meening uit te spreken, dat ieder die de stijging der prijzen der laatste jaren door toepassing van de hoeveelheidstheorie tracht te verklaren, op een dwaalspoor is (bl. 10), en dat althans die prijs-stijging niet door de vermeerderde goudproductie veroorzaakt is (bl. 11). In het algemeen toont de schrijver zich geen aanhanger der hoeveelheidstheorie. Doch het komt mij voor, dat hij eigenlijk in deze toch niet zoo ongeloovig is als hij zelf beweert. Het is eene theorie die door onderscheidene schrijvers ook zeer verschillend wordt toegepast — dat, haar besprekende, de schrijver Sir David Barbour en Prof. Irving Fisher in één adem noemt, zal menigen lezer hunner werken wel verbaasd hebben — en hierdoor ontstaat veel verwarring. Maar dat de noodwendige direkte gevolgen van vermeerderd aanbod van goud door andere omstandigheden geneutraliseerd kunnen worden, doet aan de juistheid der theorie toch waarlijk niet af. Dan, hoe dit zij, dat de stijging der prijzen der laatste jaren niet door de vermeerderde goudproductie veroorzaakt zou zijn, is eene op zichzelve staande stelling. De heer A. G. Boissevain is dienaangaande zeer positief in zijn oordeel. Het wordt uitdrukkelijk door hem betwist, (bl. 33), dat de merkwaardige en algemeene stijging van prijzen, die in de laatste jaren heeft plaats gevonden, een gevolg is van gouddepreciatie». Waarmede hij natuurlijk bedoelt, dat de vermindering in de koopkracht van het goud, wat slechts eene andere uitdrukking is voor het feit van algemeene prijs-stijging, niet het gevolg zou zijn van oorzaken betrekking hebbende op het goud zelf. De heer A. G. B. komt daar met name op tegen het betoog in andere richting van Prot. Ashley (Gold and Prices, uitgegeven 1912 bij Longmans. Greu & Co). Dat zeer belangrijke betoog wordt intusschen door hem meer bestreden dan in zijn bijzonderheden weerlegd, en hij verzuimt in ieder geval aan te teekenen, dat, zoo Prof. Ashley onder de conclusies waartoe zijn onderzoek ter zake hem geleid heeft, opnoemde «that the general upward tend, as distinguished from the fluctuations in particular commodities or particular years, has been the result of the vastly increased output of gold», hij er ook aan toevoegde, «that there is reason to believe that the most considerable part of the effect of the new gold supply has already been produced». Met de meening van den heer A. G. Boissevain, dat in den allerlaatsten tijd er van goud-overvloed geen sprake zou kunnen zijn, dat dus voor het tegenwoordige algemeene peil der prijzen, d. i. m. a. w. voor de tegenwoordige nog steeds aanhoudende vermindering der koopkracht van het goud, andere oorzaken moeten bestaan dan de vermeerderde goudproductie, is dus het betoog van Prof. Ashley eigenlijk volstrekt niet in tegenspraak. Uit het hierboven door mij geschrevene blijkt dat ook ik het daarmede eens ben. Met de vraag, of niet het punt van uitgang der prijsstijging van de laatste jaren in de vermeerderde goud-productie gezocht moet worden, had ik in mijn artikel over Prof. Fisher's plan mij niet bezig te houden, en hier is natuurlijk de plaats niet om over dit punt uit te weiden; ik mag echter niet nalaten hierbij te voegen, dat Prof. Ashley's redeneering over deze kwestie mij voorkomt grootendeels, indien al niet volkomen, juist te zijn. Eén gezegde van den heer A. G. Boissevain over het behandelde punt dient intusschen nog gereleveerd te worden. «Wil men dus bewijzen — schreef hij bl. 28 — dat die prijzen (de prijzen der noodzakelijke levensbehoeften) door goudovervloed stijgen, dan zal men moeten aantoonen dat goudovervloed de loonen opjaagt. Voorwaar geen gemakkelijke taak! Die loonen immers stijgen niet zoo buitengewoon snel ... En dus meenen wij aangetoond te hebben, dat de stelling als zouden zoo eenige artikelen door goudovervloed in waarde» (waarmee natuurlijk bedoeld wordt: in prijs) «stijgen, alle artikelen in dezelfde verhouding moeten stijgen, niet mag worden aangenomen zonder nader bewijs». Maar deze, de hier door den heer A. G. B. gewraakte stelling wordt immers door niemand verdedigd, en is ze waarlijk ook geen noodwendig uitvloeisel van de hoeveelheidstheorie. Moet vermeerdering van geld, van ruilmiddel, indien geen tegenwerkende oorzaken daartegenover staan, noodwendig op de prijzen der goederen een invloed uitoefenen in de richting van prijsstijging, de prijs, de geld-prijs, de uitdrukking zijnde van de waardeverhouding tusschen het geld en de goederen, toch volgt hieruit volstrekt niet dat die prijs-stijging voor alle goederen een evenredige moet zijn. En dit wel reeds alleen hierom niet, omdat iedere prijsverandering der goederen van invloed is op de verhouding tusschen vraag en aanbod voor deze en, uit den aard der zaak, in verschillende mate. En wat nu te zeggen van de hierbij door den schrijver ter sprake gebrachte loonen. Hij kan toch niet bedoelen, dat b. v. de broodprijs niet kan stijgen zonder evenredige stijging der loonen. Het ware zeker te wenschen: maar het is zoo niet. En dat de prijsbeweging in de loonen geen evenredige behoeft te zijn met die der goederen, behoeft waarlijk geen betoog. Die twee prijsbewegingen toch zijn van gehcel verschillenden aard. De prijzen der goederen wijzigen zich telkens, zijn bij iedere transactie de uitkomst der verhouding tusschen vraag en aanbod. De hoogte der loonen daarentegen is van contractueelen aard. Een andere kwestie is het echter, of niet goudovervloed, althans een zoodanige als zich zou openbaren door algemeene prijs-stijging, of niet iedere algemeene prijsstijging, waarin ook haar grond vindende, op de loonen een invloed zou uitoefenen in de richting van verhooging; wel niet automatisch, maar dan toch indirekt? Mijns inziens nu — ik heb het hierboven in mijn artikel over prof. Fisher's plan reeds gezegd — kan die vraag bezwaarlijk anders dan bevestigend beantwoord worden. Mij dunkt dat de ervaring zulks leert. Of intusschen die loonsverhoogingen altijd even snel in hun werk gaan en even ver als in het belang der loontrekkenden wenschelijk ware, is wederom een andere vraag, welke hier echter moet blijven rusten. Ik wensch ten slotte — want aan de mededeeling mijner kantteekeningen en opmerkingen betreffende het geschrift van den heer A. G. Boissevain mag hier geen verdere uitbreiding gegeven worden; ik wensch, zeg ik, ten slotte alleen nog te constateeren, dat, zooals ik begon met te zeggen ten aanzien van de kwestie van den algemeenen levensstandaard, ik in den schrijver een zeer welkomen medestrijder heb gevonden voor de meening, dat de prijsstijgingen der laatste jaren voor een goed deel haar oorsprong vonden in oorzaken betreffende de koopwaren zelven en niet in dezulken die op het ruilmiddel betrekking hebben, Ik mag dan zeker in hem ook een medestander begroeten ten aanzien mijner bestrijding van prof. Fisher's voorstel, om het goud als waarde-standaard door Index-cijfers te verangen.Google Scholar

Copyright information

© De Nederlandsche Boek- En Steendrukkerij 1913

Authors and Affiliations

  • G. M. Boissevain

There are no affiliations available

Personalised recommendations